Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
achtergrond

Waar is de verdwenen opera Arianna?

door Erwin Roebroeks
24 aug. 2022 24 augustus 2022

Van Claudio Monteverdi’s opera Arianna uit 1608 is slechts een gedeelte overgeleverd, het prachtige Lamento d’Arianna. Musicoloog Erwin Roebroeks zoekt al jaren naar de rest. Voor Preludium tekent hij zijn avonturen op. Is hij al iets op het spoor?

Pal aan het begin van mijn zoektocht naar de verdwenen opera Arianna van Claudio Monteverdi ontvang ik een e-mail van een internationaal gerenommeerde Monteverdi-expert. Ze schrijft dat het zoeken naar de verdwenen opera haar intrigeert, omdat ‘heel veel onderzoekers geprobeerd hebben Arianna te vinden en faalden’. Even schrik ik. Wie dan? In mijn beursaanvraag heb ik de Duitsers verteld dat er nog niet eerder systematisch speurwerk naar Arianna heeft plaatsgevonden. Musicologen vinden eerder bij toeval, bijvoorbeeld als er iets uit een boek valt, dan dat ze zoekmethodes ontwerpen. Desgevraagd kan de professor echter geen enkele onderzoeker noemen. Zoeken naar Arianna roept kennelijk emoties op.

Mijn zoektocht vindt plaats vanuit het Centro Tedesco di Studi Veneziani. Dat Duitse onderzoeksinstituut in Venetië is gevestigd in het Palazzo Barbarigo della Terrazza, een zestiende-eeuws gebouw aan het Canal Grande met het grootste dakterras van de stad. Daar woon ik als onderzoeker tijdelijk samen met vijf wetenschappers en twee kunstenaars.

Pal aan het begin van mijn zoektocht naar de verdwenen opera Arianna van Claudio Monteverdi ontvang ik een e-mail van een internationaal gerenommeerde Monteverdi-expert. Ze schrijft dat het zoeken naar de verdwenen opera haar intrigeert, omdat ‘heel veel onderzoekers geprobeerd hebben Arianna te vinden en faalden’. Even schrik ik. Wie dan? In mijn beursaanvraag heb ik de Duitsers verteld dat er nog niet eerder systematisch speurwerk naar Arianna heeft plaatsgevonden. Musicologen vinden eerder bij toeval, bijvoorbeeld als er iets uit een boek valt, dan dat ze zoekmethodes ontwerpen. Desgevraagd kan de professor echter geen enkele onderzoeker noemen. Zoeken naar Arianna roept kennelijk emoties op.

Mijn zoektocht vindt plaats vanuit het Centro Tedesco di Studi Veneziani. Dat Duitse onderzoeksinstituut in Venetië is gevestigd in het Palazzo Barbarigo della Terrazza, een zestiende-eeuws gebouw aan het Canal Grande met het grootste dakterras van de stad. Daar woon ik als onderzoeker tijdelijk samen met vijf wetenschappers en twee kunstenaars.

  • Uitzicht vanaf het dakterras van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

    Uitzicht vanaf het dakterras van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

  • De woonkamer van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

    De woonkamer van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

  • De bibliotheek van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

    De bibliotheek van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

  • Erwin Roebroeks

    Erwin Roebroeks

  • Uitzicht vanaf het dakterras van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

    Uitzicht vanaf het dakterras van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

  • De woonkamer van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

    De woonkamer van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

  • De bibliotheek van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

    De bibliotheek van het Palazzo Barbarigo della Terrazza

    foto: Erwin Roebroeks

  • Erwin Roebroeks

    Erwin Roebroeks

Het meest voorkomende probleem in mijn zoektocht is het verkrijgen van toegang tot palazzi die privébezit zijn. Een van de sporen die ik volg, leidt naar het archief van het Palazzo Albrizzi. In de tuin van dat gebouw stond ooit het eerste operahuis ter wereld, het Teatro San Cassiano uit 1637.

In 2012 sta ik voor het pand als er twee jonge nazaten van baron Albrizzi naar buiten komen. Dat er in de tuin van hun palazzo ooit zo’n belangrijk opera­huis stond, blijken ze niet te weten. Een typische reactie in Italië, dat cultureel zó rijk is dat men vaak niet weet wat men allemaal heeft. ‘Maar komt u toch verder’, zeggen de twee. De vreugde eindelijk in het palazzo te zijn is van korte duur, want eenmaal binnen stuurt de schoonmaakster me onverrichter zake weg. ‘Schrijft u de heer des huizes maar een e-mail.’ Nooit iets op gehoord.

We weten niet wat er in het archief ligt, maar de kans is groot dat het opwindend is.

Dan ontmoet ik een paar jaar later op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag de bekende Venetiaanse musicoloog Veniero Rizzardi. Rizzardi is bekend omdat hij een partituur heeft gevonden: het Requiem van de Venetiaanse componist Bruno Maderna (1920-1973). Rizzardi’s zoektocht was eenvoudig: hij toetste ‘Requiem’ en ‘Maderna’ in in de catalogus van de Library of Congress, en daar was het stuk. De Amerikanen wisten niet dat het vermist én nooit gespeeld was. In 2009 vond de wereldpremière plaats in het Teatro La Fenice. En als dank mag de musicoloog levenslang gratis naar alle voorstellingen van dat Venetiaanse operahuis. Zijn motto: partituren zijn zelden verloren, ze liggen enkel op de verkeerde plek.

Rizzardi geeft me zijn kaartje, ik zie zijn adres en laat hem een foto van zijn huis op mijn telefoon zien.
‘Waarom heb jij een foto van mijn huis in je telefoon?’, vraagt hij verbaasd.
‘Je woont naast het Palazzo Albrizzi’, antwoord ik.
‘Albrizzi is mijn huisbaas’, zegt Rizzardi.

Samen maken we een plan om toegang te krijgen tot het archief van het Palazzo Albrizzi. Daar is nog nooit iemand binnen geweest, bevestigt Elisabetta Albrizzi, een van de drie kinderen van de inmiddels overleden baron. We weten daarom niet wat er in het archief ligt, maar de kans is groot dat het opwindend is. Opera’s van Francesco Cavalli gingen in het Teatro San Cassiano in première. Antonio Vivaldi en Lord Byron waren kind aan huis in het palazzo. De beroemde beeldhouwer Antonio Canova en componist John Cage kwamen er ook.

Intussen betrap ik mezelf op voorheen onbekende criminele gedachten.

Een paar jaar later, in de week voordat mijn eerste Duitse staatsstipendium begint, komt er toestemming. Elisabetta Albrizzi vindt het hoog tijd voor archiefonderzoek. Rizzardi en ik kunnen het haast niet geloven. En het Centro Tedesco evenmin. Het Duitse onderzoeksinstituut heeft een ronduit fantastisch netwerk in de lagunestad, dat vele voorheen gesloten paleisdeuren deed opengaan, maar het Palazzo Albrizzi veroveren was zelfs de Duitsers niet gelukt.

Helaas, een paar dagen later komt er een kink in de kabel. Een neef, Lorenzo Albrizzi, blijkt meer zeggenschap over het archief te hebben dan Elisabetta. Hij is bijzonder gereserveerd en in het geheel niet geïnteresseerd in speurneuzen. Bovendien woont hij in Florence, omdat hij Venetië haat. Dat is slecht nieuws. Weliswaar is het typisch Venetiaans om Venetië te haten, maar dat is theater. Wie naar Florence verhuist, meent het. We stippelen een nieuwe strategie uit.

Intussen betrap ik mezelf op voorheen onbekende criminele gedachten. Zo overweeg ik de neef om te kopen (helaas blijkt hij rijk), hem te chanteren (helaas lijkt hij niets op zijn kerfstok te hebben) of in te breken in het archief (op de eerste verdieping op de hoek, bereikbaar met een keukenladder), om me vervolgens aan te geven bij de politie. Mocht ik Arianna in het palazzo vinden, dan kan ik in de gevangenis een kritische editie vervaardigen, waarna ik waarschijnlijk vervroegd word vrijgelaten wegens het culturele gewicht van de vondst. Het is opvallend hoeveel normaliter keurige onderzoekers ongevraagd meedenken over de snode plannen.

Het meest voorkomende probleem in mijn zoektocht is het verkrijgen van toegang tot palazzi die privébezit zijn. Een van de sporen die ik volg, leidt naar het archief van het Palazzo Albrizzi. In de tuin van dat gebouw stond ooit het eerste operahuis ter wereld, het Teatro San Cassiano uit 1637.

In 2012 sta ik voor het pand als er twee jonge nazaten van baron Albrizzi naar buiten komen. Dat er in de tuin van hun palazzo ooit zo’n belangrijk opera­huis stond, blijken ze niet te weten. Een typische reactie in Italië, dat cultureel zó rijk is dat men vaak niet weet wat men allemaal heeft. ‘Maar komt u toch verder’, zeggen de twee. De vreugde eindelijk in het palazzo te zijn is van korte duur, want eenmaal binnen stuurt de schoonmaakster me onverrichter zake weg. ‘Schrijft u de heer des huizes maar een e-mail.’ Nooit iets op gehoord.

We weten niet wat er in het archief ligt, maar de kans is groot dat het opwindend is.

Dan ontmoet ik een paar jaar later op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag de bekende Venetiaanse musicoloog Veniero Rizzardi. Rizzardi is bekend omdat hij een partituur heeft gevonden: het Requiem van de Venetiaanse componist Bruno Maderna (1920-1973). Rizzardi’s zoektocht was eenvoudig: hij toetste ‘Requiem’ en ‘Maderna’ in in de catalogus van de Library of Congress, en daar was het stuk. De Amerikanen wisten niet dat het vermist én nooit gespeeld was. In 2009 vond de wereldpremière plaats in het Teatro La Fenice. En als dank mag de musicoloog levenslang gratis naar alle voorstellingen van dat Venetiaanse operahuis. Zijn motto: partituren zijn zelden verloren, ze liggen enkel op de verkeerde plek.

Rizzardi geeft me zijn kaartje, ik zie zijn adres en laat hem een foto van zijn huis op mijn telefoon zien.
‘Waarom heb jij een foto van mijn huis in je telefoon?’, vraagt hij verbaasd.
‘Je woont naast het Palazzo Albrizzi’, antwoord ik.
‘Albrizzi is mijn huisbaas’, zegt Rizzardi.

Samen maken we een plan om toegang te krijgen tot het archief van het Palazzo Albrizzi. Daar is nog nooit iemand binnen geweest, bevestigt Elisabetta Albrizzi, een van de drie kinderen van de inmiddels overleden baron. We weten daarom niet wat er in het archief ligt, maar de kans is groot dat het opwindend is. Opera’s van Francesco Cavalli gingen in het Teatro San Cassiano in première. Antonio Vivaldi en Lord Byron waren kind aan huis in het palazzo. De beroemde beeldhouwer Antonio Canova en componist John Cage kwamen er ook.

Intussen betrap ik mezelf op voorheen onbekende criminele gedachten.

Een paar jaar later, in de week voordat mijn eerste Duitse staatsstipendium begint, komt er toestemming. Elisabetta Albrizzi vindt het hoog tijd voor archiefonderzoek. Rizzardi en ik kunnen het haast niet geloven. En het Centro Tedesco evenmin. Het Duitse onderzoeksinstituut heeft een ronduit fantastisch netwerk in de lagunestad, dat vele voorheen gesloten paleisdeuren deed opengaan, maar het Palazzo Albrizzi veroveren was zelfs de Duitsers niet gelukt.

Helaas, een paar dagen later komt er een kink in de kabel. Een neef, Lorenzo Albrizzi, blijkt meer zeggenschap over het archief te hebben dan Elisabetta. Hij is bijzonder gereserveerd en in het geheel niet geïnteresseerd in speurneuzen. Bovendien woont hij in Florence, omdat hij Venetië haat. Dat is slecht nieuws. Weliswaar is het typisch Venetiaans om Venetië te haten, maar dat is theater. Wie naar Florence verhuist, meent het. We stippelen een nieuwe strategie uit.

Intussen betrap ik mezelf op voorheen onbekende criminele gedachten. Zo overweeg ik de neef om te kopen (helaas blijkt hij rijk), hem te chanteren (helaas lijkt hij niets op zijn kerfstok te hebben) of in te breken in het archief (op de eerste verdieping op de hoek, bereikbaar met een keukenladder), om me vervolgens aan te geven bij de politie. Mocht ik Arianna in het palazzo vinden, dan kan ik in de gevangenis een kritische editie vervaardigen, waarna ik waarschijnlijk vervroegd word vrijgelaten wegens het culturele gewicht van de vondst. Het is opvallend hoeveel normaliter keurige onderzoekers ongevraagd meedenken over de snode plannen.

  • Detail van de openings­pagina van een manuscript uit 1623 van Lamento d’Arianna

    Detail van de openings­pagina van een manuscript uit 1623 van Lamento d’Arianna

  • Detail van de openings­pagina van een manuscript uit 1623 van Lamento d’Arianna

    Detail van de openings­pagina van een manuscript uit 1623 van Lamento d’Arianna

De redenen die paleiseigenaren geven voor het weigeren van toegang zijn uiteenlopend, maar lijken vaak allemaal smoezen. Zo is er het bekende verhaal dat zodra een onderzoeker tot een Italiaans privéarchief wordt toegelaten, de aansprakelijkheid van de eigenaar exponentieel toeneemt. Het betreffende wetsartikel heeft tot nu toe echter niemand kunnen noemen.

De Venetiaanse adel heeft nog wel veel paleizen, maar des te minder geld. Onderhoudskosten zijn gigantisch. Subsidies zijn mogelijk, maar daarbij hoort vaak de verplichting het gebouw af en toe open te stellen. Verkoop van een palazzo zit er vaak om redenen van familie-eer niet in. Áls je een schilderij dat deel uitmaakt van het palazzo hebt verkocht, valt dat in elk geval niet op als je geen pottenkijkers toelaat.

In een map op een tafel vind ik, zomaar, een originele brief van Verdi.

Hoewel het archief van het Palazzo Albrizzi voorlopig op slot blijft, mag ik het wel in de laatste week van mijn eerste stipendium eindelijk betreden. Voor de gelegenheid heb ik taart van de beroemde Pasticceria Tonolo voor de schoonmaakster meegebracht. Taarten van Tonolo houden iedereen zoet.

Ik mag alle kamers binnen die niet afgesloten zijn. In een van de vertrekken tref ik in een map op een tafel aan met daarin geestdriftige recensies van concerten die er in de negentiende eeuw plaatsvonden; in het Frans, destijds de voertaal van de adel. En daartussen vind ik, zomaar, een originele brief van Verdi. Het is een indicatie van wat er allemaal in het archief kan liggen. Ik laat een foto van de brief aan de ­directrice van het Duitse studiecentrum zien.

‘Als ik jou was zou ik verlenging aanvragen,’ zegt ze...

Dit seizoen zal Erwin Roebroeks maandelijks verslag doen van zijn zoektocht naar Arianna. Volg zijn zoektocht op www.preludium.nl.

Monteverdi’s Arianna in het kort
Arianna is de tweede opera van Claudio Monteverdi, geschreven een jaar na L’Orfeo. Beide opera’s waren gemaakt voor Vincenzo Gonzaga, de hertog van Mantua, waar Monteverdi hofcomponist was. Arianna was bestemd voor de bruiloft van prins Francesco Gonzaga met Margherita di Savoia. In het libretto van Ottavio Rinuccini hebben Arianna en Teseo op Kreta de Minotaurus verslagen om vervolgens samen op de vlucht te slaan. Hun samenzijn is voor eeuwig, belooft Teseo, maar daar komt natuurlijk niks van. In het Lamento d’Arianna, de enige overgeleverde aria uit de opera, vraagt zij zich retorisch af waar de trouw is die haar geliefde haar zwoer, en wil dan sterven (lasciatemi morire).

In 1608 was opera nog een besloten schouwspel voor de adel. Toen Monteverdi in 1613 werd benoemd tot kapelmeester van de Basilica di San Marco, nam hij Arianna mee naar Venetië, waar ze tijdens het carnavalsseizoen 1639-1640 in reprise werd genomen. Daarvoor voerde Monteverdi wijzigingen door; dat weten we omdat het libretto van zowel Mantua als Venetië bewaard is gebleven. Hij schrapte koren, wijzigde passages die specifiek te maken hadden met de uitvoering in Mantua, en verwijderde tragedia uit de titel. Want was Arianna in Mantua een tragedie, in Venetië werd de opera een komedie. De Venetiaanse partituur zou daarom verschillen aan het licht kunnen brengen over deze voor de muziek zo belangrijke transformatieve periode.

De vraag is echter: welke muziek nam Monteverdi mee naar Venetië? We weten niet of er überhaupt een partituur heeft bestaan. Het was destijds niet ongebruikelijk om op basis van een paar partijen te improviseren. De reden dat we een complete partituur van L’Orfeo hebben, is dat het een cadeau was voor Vincenzo Gonzaga. Temeer gezien de tijdsdruk waarmee Arianna tot stand moest komen – naar eigen zeggen werd het componeren Monteverdi bijna fataal – bestaat de kans dat van deze opera slechts partijen (hebben) bestaan. Maar voor het vinden van één aria zou ík al willen sterven...

 

De redenen die paleiseigenaren geven voor het weigeren van toegang zijn uiteenlopend, maar lijken vaak allemaal smoezen. Zo is er het bekende verhaal dat zodra een onderzoeker tot een Italiaans privéarchief wordt toegelaten, de aansprakelijkheid van de eigenaar exponentieel toeneemt. Het betreffende wetsartikel heeft tot nu toe echter niemand kunnen noemen.

De Venetiaanse adel heeft nog wel veel paleizen, maar des te minder geld. Onderhoudskosten zijn gigantisch. Subsidies zijn mogelijk, maar daarbij hoort vaak de verplichting het gebouw af en toe open te stellen. Verkoop van een palazzo zit er vaak om redenen van familie-eer niet in. Áls je een schilderij dat deel uitmaakt van het palazzo hebt verkocht, valt dat in elk geval niet op als je geen pottenkijkers toelaat.

In een map op een tafel vind ik, zomaar, een originele brief van Verdi.

Hoewel het archief van het Palazzo Albrizzi voorlopig op slot blijft, mag ik het wel in de laatste week van mijn eerste stipendium eindelijk betreden. Voor de gelegenheid heb ik taart van de beroemde Pasticceria Tonolo voor de schoonmaakster meegebracht. Taarten van Tonolo houden iedereen zoet.

Ik mag alle kamers binnen die niet afgesloten zijn. In een van de vertrekken tref ik in een map op een tafel aan met daarin geestdriftige recensies van concerten die er in de negentiende eeuw plaatsvonden; in het Frans, destijds de voertaal van de adel. En daartussen vind ik, zomaar, een originele brief van Verdi. Het is een indicatie van wat er allemaal in het archief kan liggen. Ik laat een foto van de brief aan de ­directrice van het Duitse studiecentrum zien.

‘Als ik jou was zou ik verlenging aanvragen,’ zegt ze...

Dit seizoen zal Erwin Roebroeks maandelijks verslag doen van zijn zoektocht naar Arianna. Volg zijn zoektocht op www.preludium.nl.

Monteverdi’s Arianna in het kort
Arianna is de tweede opera van Claudio Monteverdi, geschreven een jaar na L’Orfeo. Beide opera’s waren gemaakt voor Vincenzo Gonzaga, de hertog van Mantua, waar Monteverdi hofcomponist was. Arianna was bestemd voor de bruiloft van prins Francesco Gonzaga met Margherita di Savoia. In het libretto van Ottavio Rinuccini hebben Arianna en Teseo op Kreta de Minotaurus verslagen om vervolgens samen op de vlucht te slaan. Hun samenzijn is voor eeuwig, belooft Teseo, maar daar komt natuurlijk niks van. In het Lamento d’Arianna, de enige overgeleverde aria uit de opera, vraagt zij zich retorisch af waar de trouw is die haar geliefde haar zwoer, en wil dan sterven (lasciatemi morire).

In 1608 was opera nog een besloten schouwspel voor de adel. Toen Monteverdi in 1613 werd benoemd tot kapelmeester van de Basilica di San Marco, nam hij Arianna mee naar Venetië, waar ze tijdens het carnavalsseizoen 1639-1640 in reprise werd genomen. Daarvoor voerde Monteverdi wijzigingen door; dat weten we omdat het libretto van zowel Mantua als Venetië bewaard is gebleven. Hij schrapte koren, wijzigde passages die specifiek te maken hadden met de uitvoering in Mantua, en verwijderde tragedia uit de titel. Want was Arianna in Mantua een tragedie, in Venetië werd de opera een komedie. De Venetiaanse partituur zou daarom verschillen aan het licht kunnen brengen over deze voor de muziek zo belangrijke transformatieve periode.

De vraag is echter: welke muziek nam Monteverdi mee naar Venetië? We weten niet of er überhaupt een partituur heeft bestaan. Het was destijds niet ongebruikelijk om op basis van een paar partijen te improviseren. De reden dat we een complete partituur van L’Orfeo hebben, is dat het een cadeau was voor Vincenzo Gonzaga. Temeer gezien de tijdsdruk waarmee Arianna tot stand moest komen – naar eigen zeggen werd het componeren Monteverdi bijna fataal – bestaat de kans dat van deze opera slechts partijen (hebben) bestaan. Maar voor het vinden van één aria zou ík al willen sterven...

 

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.