Nino Gvetadze en Goldmund Quartett met Dvořák en Schumann
Kleine Zaal 08 april 2026 20.15 uur
Nino Gvetadze piano
Goldmund Quartett:
Florian Schötz viool
Pinchas Adt viool
Christoph Vandory altviool
Raphael Paratore cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Kleine Zaal Melange.
Robert Schumann (1810-1856)
Pianokwintet in Es gr.t., op. 44 (1842)
Allegro brillante
In modo d’una marcia: Un poco largamento – Agitato
Scherzo: Molto vivace
Finale: Allegro ma non troppo
pauze ± 20.45 uur
Antonín Dvořák (1841-1904)
Pianokwintet nr. 2 in A gr.t., op. 81 (1887)
Allegro, ma non tanto
Dumka: Andante con moto – Vivace
Scherzo (Furiant): Molto vivace
Finale: Allegro
einde ± 22.00 uur
Nino Gvetadze piano
Goldmund Quartett:
Florian Schötz viool
Pinchas Adt viool
Christoph Vandory altviool
Raphael Paratore cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Kleine Zaal Melange.
Robert Schumann (1810-1856)
Pianokwintet in Es gr.t., op. 44 (1842)
Allegro brillante
In modo d’una marcia: Un poco largamento – Agitato
Scherzo: Molto vivace
Finale: Allegro ma non troppo
pauze ± 20.45 uur
Antonín Dvořák (1841-1904)
Pianokwintet nr. 2 in A gr.t., op. 81 (1887)
Allegro, ma non tanto
Dumka: Andante con moto – Vivace
Scherzo (Furiant): Molto vivace
Finale: Allegro
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Robert Schumann (1810-1856)
Pianokwintet
Als pianist geeft Robert Schumann in zijn vroege kamermuziekoeuvre opvallend blijk van een natuurlijke affiniteit met zijn instrument. Werken voor pianosolo en liederen voeren de boventoon. In navolging van zijn voorbeeld Felix Mendelssohn waagde hij zich in 1842 aan drie strijkkwartetten (opus 41). Deze worden weinig uitgevoerd, omdat ze volgens kwartetspelers te pianistisch zijn opgevat en dus te weinig idiomatisch voor strijkers gedacht. Binnen hetzelfde jaar hervindt Schumann echter zijn inspiratie met het Pianokwintet in Es groot. De ideeën lijken grotendeels uit het vertrouwde klavier te komen om nadien telkens door de vier strijkers te worden overgenomen. Het eerste thema is een van de vurigste die Schumann ooit heeft geschreven. Een groot contrast dient zich aan met een zangerig antwoord. In de nevenzinnen is de dwang van de expressie zo mogelijk nog intenser. Het tweede deel begint als een treurmars die na de eerste maten een onwezenlijk karakter aanneemt met een innig gebed van viool en cello tegen een achtergrond van triolen in de piano. De sfeer evolueert tot een pathetisch largamento, met een betekenisvolle tussenkomst van de altviool en de tweede viool.
Als pianist geeft Robert Schumann in zijn vroege kamermuziekoeuvre opvallend blijk van een natuurlijke affiniteit met zijn instrument. Werken voor pianosolo en liederen voeren de boventoon. In navolging van zijn voorbeeld Felix Mendelssohn waagde hij zich in 1842 aan drie strijkkwartetten (opus 41). Deze worden weinig uitgevoerd, omdat ze volgens kwartetspelers te pianistisch zijn opgevat en dus te weinig idiomatisch voor strijkers gedacht. Binnen hetzelfde jaar hervindt Schumann echter zijn inspiratie met het Pianokwintet in Es groot. De ideeën lijken grotendeels uit het vertrouwde klavier te komen om nadien telkens door de vier strijkers te worden overgenomen. Het eerste thema is een van de vurigste die Schumann ooit heeft geschreven. Een groot contrast dient zich aan met een zangerig antwoord. In de nevenzinnen is de dwang van de expressie zo mogelijk nog intenser. Het tweede deel begint als een treurmars die na de eerste maten een onwezenlijk karakter aanneemt met een innig gebed van viool en cello tegen een achtergrond van triolen in de piano. De sfeer evolueert tot een pathetisch largamento, met een betekenisvolle tussenkomst van de altviool en de tweede viool.
Het bonte Scherzo straalt van vreugdevol zelfvertrouwen en schenkt opnieuw de hoofdrol aan de piano. Kleine motorische figuren worden in alle facetten belicht. Vooral een stuwend motief met opwaartse toonladders en bekoorlijke thema’s in het middendeel trekken de aandacht. De Finale vormt de kroon op het werk. Een abrupte pauze markeert de intrede van het dynamische hoofdthema, dat naar het einde in een dubbele fuga uitmondt. Ook hier wil de piano het voortouw nemen, maar dan deels gereduceerd tot een spaarzame melodische lijn, onderbroken door enkele harmonische passages. De spanning komt tot een climax wanneer in de coda het eerste thema van dit deel wordt gecombineerd met het hoofdthema van het eerste deel. Daarmee wordt een van de meest geliefde en helder opgebouwde composities van Schumann afgesloten.
Het bonte Scherzo straalt van vreugdevol zelfvertrouwen en schenkt opnieuw de hoofdrol aan de piano. Kleine motorische figuren worden in alle facetten belicht. Vooral een stuwend motief met opwaartse toonladders en bekoorlijke thema’s in het middendeel trekken de aandacht. De Finale vormt de kroon op het werk. Een abrupte pauze markeert de intrede van het dynamische hoofdthema, dat naar het einde in een dubbele fuga uitmondt. Ook hier wil de piano het voortouw nemen, maar dan deels gereduceerd tot een spaarzame melodische lijn, onderbroken door enkele harmonische passages. De spanning komt tot een climax wanneer in de coda het eerste thema van dit deel wordt gecombineerd met het hoofdthema van het eerste deel. Daarmee wordt een van de meest geliefde en helder opgebouwde composities van Schumann afgesloten.
Antonín Dvořák (1841-1904)
Tweede pianokwintet
Het Pianokwintet in A groot is een van de meest representatieve kamermuziekwerken om Antonín Dvořáks unieke stijl te illustreren: enerzijds onbevangen, briljant, veelbewogen en anderzijds raadselachtig, terughoudend en zelfs meditatief. Dvořák schreef al in 1872 een eerste pianokwintet in A groot. Zelfkritiek en twijfel maakten dat het werk kort na de première werd afgevoerd. Vijftien jaar later vond de componist een kopie van het verloren gewaande manuscript. Hij besloot tot een grondige herziening, met weglating van hele passages. Het resultaat – een zo goed als nieuw werk – werd gepubliceerd als opus 81 en kende een eerste uitvoering in Praag op 6 januari 1888.
Het Pianokwintet in A groot is een van de meest representatieve kamermuziekwerken om Antonín Dvořáks unieke stijl te illustreren: enerzijds onbevangen, briljant, veelbewogen en anderzijds raadselachtig, terughoudend en zelfs meditatief. Dvořák schreef al in 1872 een eerste pianokwintet in A groot. Zelfkritiek en twijfel maakten dat het werk kort na de première werd afgevoerd. Vijftien jaar later vond de componist een kopie van het verloren gewaande manuscript. Hij besloot tot een grondige herziening, met weglating van hele passages. Het resultaat – een zo goed als nieuw werk – werd gepubliceerd als opus 81 en kende een eerste uitvoering in Praag op 6 januari 1888.
De introductie van de twee hoofdthema’s van het Allegro berust respectievelijk bij de cello (een liefdevolle berceuse) en bij de altviool (zangerig maar minder breed dan het eerste thema). Beide thema’s ondergaan een reeks afwisselend heftige, dan weer mijmerende transformaties en raken ten slotte helemaal vervlochten in een exuberante coda. Het tweede deel heeft het karakter van een dumka, een melancholische en melismatische Slavische ballade. Typisch zijn de temperamentvolle passages die de overwegend elegische sfeer onderbreken. Aan de ogenschijnlijk vrij meanderende rapsodie ligt een doordachte structuur ten grondslag, met een serie van vier variaties op twee thema’s. Bij elke herneming van het dumka-thema wordt de textuur rijker.
Het Scherzo is een furiant, een karakteristieke Boheemse volksdans. De lichtvoetige cadans wordt onderstreept door een echospel van pizzicato’s. Het centrale gedeelte is een langzame variant van hetzelfde thema. Met een geestdriftige polka als Finale lijkt het of dit kwintet een klassieke pastiche is van folkloristische dansvormen. De Boheemse aarde is evenwel in iedere maat doordrenkt van de invloeden van Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert en Brahms. Een onweerstaanbaar huwelijk tussen klassiek vakmanschap en de natuurlijke emotionele rijkdom, dynamiek en vrijheidsdrang van de Slavische cultuur.
De introductie van de twee hoofdthema’s van het Allegro berust respectievelijk bij de cello (een liefdevolle berceuse) en bij de altviool (zangerig maar minder breed dan het eerste thema). Beide thema’s ondergaan een reeks afwisselend heftige, dan weer mijmerende transformaties en raken ten slotte helemaal vervlochten in een exuberante coda. Het tweede deel heeft het karakter van een dumka, een melancholische en melismatische Slavische ballade. Typisch zijn de temperamentvolle passages die de overwegend elegische sfeer onderbreken. Aan de ogenschijnlijk vrij meanderende rapsodie ligt een doordachte structuur ten grondslag, met een serie van vier variaties op twee thema’s. Bij elke herneming van het dumka-thema wordt de textuur rijker.
Het Scherzo is een furiant, een karakteristieke Boheemse volksdans. De lichtvoetige cadans wordt onderstreept door een echospel van pizzicato’s. Het centrale gedeelte is een langzame variant van hetzelfde thema. Met een geestdriftige polka als Finale lijkt het of dit kwintet een klassieke pastiche is van folkloristische dansvormen. De Boheemse aarde is evenwel in iedere maat doordrenkt van de invloeden van Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert en Brahms. Een onweerstaanbaar huwelijk tussen klassiek vakmanschap en de natuurlijke emotionele rijkdom, dynamiek en vrijheidsdrang van de Slavische cultuur.
Robert Schumann (1810-1856)
Pianokwintet
Als pianist geeft Robert Schumann in zijn vroege kamermuziekoeuvre opvallend blijk van een natuurlijke affiniteit met zijn instrument. Werken voor pianosolo en liederen voeren de boventoon. In navolging van zijn voorbeeld Felix Mendelssohn waagde hij zich in 1842 aan drie strijkkwartetten (opus 41). Deze worden weinig uitgevoerd, omdat ze volgens kwartetspelers te pianistisch zijn opgevat en dus te weinig idiomatisch voor strijkers gedacht. Binnen hetzelfde jaar hervindt Schumann echter zijn inspiratie met het Pianokwintet in Es groot. De ideeën lijken grotendeels uit het vertrouwde klavier te komen om nadien telkens door de vier strijkers te worden overgenomen. Het eerste thema is een van de vurigste die Schumann ooit heeft geschreven. Een groot contrast dient zich aan met een zangerig antwoord. In de nevenzinnen is de dwang van de expressie zo mogelijk nog intenser. Het tweede deel begint als een treurmars die na de eerste maten een onwezenlijk karakter aanneemt met een innig gebed van viool en cello tegen een achtergrond van triolen in de piano. De sfeer evolueert tot een pathetisch largamento, met een betekenisvolle tussenkomst van de altviool en de tweede viool.
Als pianist geeft Robert Schumann in zijn vroege kamermuziekoeuvre opvallend blijk van een natuurlijke affiniteit met zijn instrument. Werken voor pianosolo en liederen voeren de boventoon. In navolging van zijn voorbeeld Felix Mendelssohn waagde hij zich in 1842 aan drie strijkkwartetten (opus 41). Deze worden weinig uitgevoerd, omdat ze volgens kwartetspelers te pianistisch zijn opgevat en dus te weinig idiomatisch voor strijkers gedacht. Binnen hetzelfde jaar hervindt Schumann echter zijn inspiratie met het Pianokwintet in Es groot. De ideeën lijken grotendeels uit het vertrouwde klavier te komen om nadien telkens door de vier strijkers te worden overgenomen. Het eerste thema is een van de vurigste die Schumann ooit heeft geschreven. Een groot contrast dient zich aan met een zangerig antwoord. In de nevenzinnen is de dwang van de expressie zo mogelijk nog intenser. Het tweede deel begint als een treurmars die na de eerste maten een onwezenlijk karakter aanneemt met een innig gebed van viool en cello tegen een achtergrond van triolen in de piano. De sfeer evolueert tot een pathetisch largamento, met een betekenisvolle tussenkomst van de altviool en de tweede viool.
Het bonte Scherzo straalt van vreugdevol zelfvertrouwen en schenkt opnieuw de hoofdrol aan de piano. Kleine motorische figuren worden in alle facetten belicht. Vooral een stuwend motief met opwaartse toonladders en bekoorlijke thema’s in het middendeel trekken de aandacht. De Finale vormt de kroon op het werk. Een abrupte pauze markeert de intrede van het dynamische hoofdthema, dat naar het einde in een dubbele fuga uitmondt. Ook hier wil de piano het voortouw nemen, maar dan deels gereduceerd tot een spaarzame melodische lijn, onderbroken door enkele harmonische passages. De spanning komt tot een climax wanneer in de coda het eerste thema van dit deel wordt gecombineerd met het hoofdthema van het eerste deel. Daarmee wordt een van de meest geliefde en helder opgebouwde composities van Schumann afgesloten.
Het bonte Scherzo straalt van vreugdevol zelfvertrouwen en schenkt opnieuw de hoofdrol aan de piano. Kleine motorische figuren worden in alle facetten belicht. Vooral een stuwend motief met opwaartse toonladders en bekoorlijke thema’s in het middendeel trekken de aandacht. De Finale vormt de kroon op het werk. Een abrupte pauze markeert de intrede van het dynamische hoofdthema, dat naar het einde in een dubbele fuga uitmondt. Ook hier wil de piano het voortouw nemen, maar dan deels gereduceerd tot een spaarzame melodische lijn, onderbroken door enkele harmonische passages. De spanning komt tot een climax wanneer in de coda het eerste thema van dit deel wordt gecombineerd met het hoofdthema van het eerste deel. Daarmee wordt een van de meest geliefde en helder opgebouwde composities van Schumann afgesloten.
Antonín Dvořák (1841-1904)
Tweede pianokwintet
Het Pianokwintet in A groot is een van de meest representatieve kamermuziekwerken om Antonín Dvořáks unieke stijl te illustreren: enerzijds onbevangen, briljant, veelbewogen en anderzijds raadselachtig, terughoudend en zelfs meditatief. Dvořák schreef al in 1872 een eerste pianokwintet in A groot. Zelfkritiek en twijfel maakten dat het werk kort na de première werd afgevoerd. Vijftien jaar later vond de componist een kopie van het verloren gewaande manuscript. Hij besloot tot een grondige herziening, met weglating van hele passages. Het resultaat – een zo goed als nieuw werk – werd gepubliceerd als opus 81 en kende een eerste uitvoering in Praag op 6 januari 1888.
Het Pianokwintet in A groot is een van de meest representatieve kamermuziekwerken om Antonín Dvořáks unieke stijl te illustreren: enerzijds onbevangen, briljant, veelbewogen en anderzijds raadselachtig, terughoudend en zelfs meditatief. Dvořák schreef al in 1872 een eerste pianokwintet in A groot. Zelfkritiek en twijfel maakten dat het werk kort na de première werd afgevoerd. Vijftien jaar later vond de componist een kopie van het verloren gewaande manuscript. Hij besloot tot een grondige herziening, met weglating van hele passages. Het resultaat – een zo goed als nieuw werk – werd gepubliceerd als opus 81 en kende een eerste uitvoering in Praag op 6 januari 1888.
De introductie van de twee hoofdthema’s van het Allegro berust respectievelijk bij de cello (een liefdevolle berceuse) en bij de altviool (zangerig maar minder breed dan het eerste thema). Beide thema’s ondergaan een reeks afwisselend heftige, dan weer mijmerende transformaties en raken ten slotte helemaal vervlochten in een exuberante coda. Het tweede deel heeft het karakter van een dumka, een melancholische en melismatische Slavische ballade. Typisch zijn de temperamentvolle passages die de overwegend elegische sfeer onderbreken. Aan de ogenschijnlijk vrij meanderende rapsodie ligt een doordachte structuur ten grondslag, met een serie van vier variaties op twee thema’s. Bij elke herneming van het dumka-thema wordt de textuur rijker.
Het Scherzo is een furiant, een karakteristieke Boheemse volksdans. De lichtvoetige cadans wordt onderstreept door een echospel van pizzicato’s. Het centrale gedeelte is een langzame variant van hetzelfde thema. Met een geestdriftige polka als Finale lijkt het of dit kwintet een klassieke pastiche is van folkloristische dansvormen. De Boheemse aarde is evenwel in iedere maat doordrenkt van de invloeden van Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert en Brahms. Een onweerstaanbaar huwelijk tussen klassiek vakmanschap en de natuurlijke emotionele rijkdom, dynamiek en vrijheidsdrang van de Slavische cultuur.
De introductie van de twee hoofdthema’s van het Allegro berust respectievelijk bij de cello (een liefdevolle berceuse) en bij de altviool (zangerig maar minder breed dan het eerste thema). Beide thema’s ondergaan een reeks afwisselend heftige, dan weer mijmerende transformaties en raken ten slotte helemaal vervlochten in een exuberante coda. Het tweede deel heeft het karakter van een dumka, een melancholische en melismatische Slavische ballade. Typisch zijn de temperamentvolle passages die de overwegend elegische sfeer onderbreken. Aan de ogenschijnlijk vrij meanderende rapsodie ligt een doordachte structuur ten grondslag, met een serie van vier variaties op twee thema’s. Bij elke herneming van het dumka-thema wordt de textuur rijker.
Het Scherzo is een furiant, een karakteristieke Boheemse volksdans. De lichtvoetige cadans wordt onderstreept door een echospel van pizzicato’s. Het centrale gedeelte is een langzame variant van hetzelfde thema. Met een geestdriftige polka als Finale lijkt het of dit kwintet een klassieke pastiche is van folkloristische dansvormen. De Boheemse aarde is evenwel in iedere maat doordrenkt van de invloeden van Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert en Brahms. Een onweerstaanbaar huwelijk tussen klassiek vakmanschap en de natuurlijke emotionele rijkdom, dynamiek en vrijheidsdrang van de Slavische cultuur.
Biografie
Nino Gvetadze, piano
Nino Gvetadze begon haar studie in haar geboorteplaats Tbilisi (Georgië) en studeerde in Nederland bij Paul Komen en Jan Wijn. Ze won in 2004 het YPF Pianoconcours en behaalde in 2008 de tweede prijs, de persprijs en de publieksprijs van de International Franz Liszt Piano Competition in Utrecht. Twee jaar later ontving ze een Borletti-Buitoni Trust Award.
Recitals geeft de pianiste over de hele wereld en ze maakte diverse solo-cd’s. In december 2025 verscheen haar nieuwste album As You Like It, een ode aan de Georgische componisten Nodar Gabunia en Giya Kancheli. Nino Gvetadze werd uitgenodigd door onder meer het Mahler Chamber Orchestra, het Seoul Filharmonisch Orkest, Amsterdam Sinfonietta en vele Nederlandse symfonieorkesten, en ze werkte met dirigenten als Yannick Nézet-Séguin en Klaus Mäkelä.
Naast haar podiumcarrière is Nino Gvetadze mede-oprichter en artistiek leider van het Naarden International Piano Festival en is ze sinds 2021 ook artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. Bovendien geeft ze les aan het conservatorium van Rotterdam. Haar vorige optredens in Het Concertgebouw waren in de Grote Zaal een programma met het Groot Omroepkoor op zondagochtend 6 oktober 2024 en in diezelfde week in de Kleine Zaal een kamermuziekprogramma rondom celliste Harriet Krijgh.
Goldmund Quartett
De leden van het Goldmund Quartett studeerden samen in München, Madrid en Berlijn bij het Alban Berg Quartett en het Artemis Quartett. Masterclasses volgden ze bij Eberhard Feltz, verschillende gerenommeerde strijkkwartetten (Hagen, Borodin, Belcea, Ysaÿe, Cherubini) en de pianisten Alfred Brendel en Ferenc Rados.
In 2018 won het Goldmund Quartett zowel de Wigmore Hall String Quartet Competition als de Melbourne International Chamber Music Competition.
In 2016 sleepte het prijzen in de wacht op het ARD Concours in München en in 2020 kreeg het de Musikpreis van de Jürgen Ponto-Stiftung en de Freiherr von Waltershausen Preis. Hoogtepunten in het lopende seizoen zijn een tournee naar de Verenigde Staten, masterclasses in samenwerking met de Tokyo University of the Arts, optredens tijdens prestigieuze festivals met collega’s als klarinettiste Sabine Meyer en pianist Fazıl Say, en de tweede editie van hun eigen kamermuziekfestival in het Duitse Kloster Irsee. Het kwartet heeft zeven albums uitgebracht, met zowel eigentijdse composities als romantisch repertoire en volksmuziek.
Het Goldmund Quartett debuteerde in maart 2020 in de Kleine Zaal in de Rising Stars-serie en keerde in februari 2024 terug met pianist/componist Fazıl Say. De vier strijkers bespelen het legendarische ‘Paganini’-kwartet van Antonio Stradivari.