Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
achtergrond

New York: de stad die altijd stroomt

door Martijn Voorvelt
26 aug. 2020 26 augustus 2020

New York: de stad waar klassieke muziek samensmelt met de ritmiek en vitaliteit van jazz en popmuziek. Hoe, waar en wanneer is dat eigenlijk begonnen? Een snelle tijdreis door de Big Apple.

Elke stad heeft zijn rit­me, zijn hectiek, zijn invloeden van buitenaf. Maar New York slaat alles. New York is the city that ­never sleeps, de stad die altijd stroomt, beweegt, verandert. Haar dyna­miek en veelzijdigheid trekt mensen uit alle windrichtingen en van alle mogelijke achtergronden – waaronder musici. Heel veel musici. Jazzmusici, componisten, operazangers, rockgitaristen, rappers, dj’s, ze ontmoeten elkaar, vinden manieren om samen te spelen, nieuwe klanken te ontdekken, en de stad door te laten stromen.

New York is een ratelende, ronkende, bonkende betonmolen van muziek. Jazz, blues, country, R&B, funk, pop, rock en avant-garde lopen er door elkaar, en uit al die kruisbestuivingen worden voortdurend nieuwe stijlen geboren. Doowop, bebop, ska, salsa en hiphop zijn in New York ontstaan. Ze veroverden de wereld en werden in hun geboortestad vervolgens zelf weer in de eeuwig rondboppende betonmolen gemikt.

  • Times square on a rainy day

    door John Vachon, 1943

    Times square on a rainy day

    door John Vachon, 1943

  • New York

    foto: Tim Klapdor

    New York

    foto: Tim Klapdor

  • Times square on a rainy day

    door John Vachon, 1943

    Times square on a rainy day

    door John Vachon, 1943

  • New York

    foto: Tim Klapdor

    New York

    foto: Tim Klapdor

Anders dan in andere steden leeft de klassieke muziek niet ver van die betonmolen vandaan; ze wordt er juist door aangetrokken en draait mee. Daardoor is New York al honderd jaar dé stad waar klassieke muziek steeds weer opwindende nieuwe impulsen krijgt.

Bubbels en bier

Het muzikale hart van New York is Manhattan. New Yorkers verdelen dat eiland in uptown en downtown: Upper en Lower Manhattan, ofwel de woonwijken in het noordelijke deel tegenover de haven, winkelstraten en uitgaanscentra in het zuiden. Maar waar ligt de grens? Vraag tien New Yorkers ernaar en je krijgt tien antwoorden. Of twaalf. En het is niet alleen een geografisch onderscheid. Uptown en downtown staan ook voor ‘highbrow’ respectievelijk ‘lowbrow’, burgerlijk en trendy, ‘hoge kunst’ en popcultuur.

Uptown en downtown staan voor de verschillende versies van de stad die tegelijkertijd plaatsvinden, als parallelle universums. Daarom kun je jezelf in New York ook steeds opnieuw uitvinden – maar wel tegen een prijs. Zoals Hyphenated Harriet in Stephen Sondheims musicalnummer Uptown, Downtown, het meisje dat na haar klim omhoog op de maatschappelijke ladder heen en weer geslingerd wordt tussen een glas champagne in het chique Ritz en een schuimend glas bier (een Stein) in haar oude stamkroeg:

She sits at the Ritz with her splits of Mumms / And starts to pine for a Stein with her Village chums, / But with a ­Schlitz in her midst down at Fitzroy’s Bar / She thinks of the Ritz, oh it’s so schizo.

Van beverpels naar jazz

En dan te bedenken dat de stad gesticht werd – begin zeventiende eeuw, op het grondgebied van het Lenni-­Lenape-volk – door Walen, Vlamingen en Nederlanders: geen volkeren die bekend staan om hun opwindende muziektraditie. De beverpelshandel, dat was de raison d’être van de nederzetting.

Een muziekstad werd New York pas in de negentiende eeuw, toen ze uitgroeide tot het belangrijkste culturele centrum van de Verenigde Staten. Muziekstijlen met Afrikaanse roots die in voormalige slavengemeenschappen waren ontwikkeld weergalmden vanaf de jaren 1830 door de straten, evenals kerkkoren, militaire kapellen, Joodse muziek, Engelse en Ierse folk en Ita­liaanse opera.

Wat is die eigen taal in een natie van immigranten?

De Europese klassieke muziektraditie streek eind negentiende eeuw definitief neer in uptown Manhattan, met de oprichting van conservatoria en – in 1882 – het Metropolitan Opera House. Bij de officiële opening in 1891 van Carnegie Hall, nog steeds een van de mooiste concertzalen ter wereld, was Pjotr Tsjaikovski eregast.

Een jaar later werd Antonín Dvořák aangesteld als directeur van het National Conservatory. Hij moedigde Amerikaanse componisten aan op zoek te gaan naar hun eigen nationale muziektaal. Maar wat is die eigen taal in een natie van immigranten? De échte nieuwe Amerikaanse muziektaal floreerde op dat moment vooral in de jazz-, blues- en countryclubs van downtown Manhattan, Harlem (ten noorden van Central Park) en Brooklyn (ten oosten van de Hudson).

Broadway, songwriters en Gershwin

Ten zuiden van Carnegie Hall, op Broadway ter hoogte van Times Square, ontstond uit de Joodse ­theatertraditie een conglomeraat van succesvolle theaters. Broadway, al sinds 1914 het mondiale centrum van de musical, was in de beginjaren sterk verbonden aan een fenomeen dat we nog iets zuidelijker tegenkwamen: downtown in de buurt van Union Square werd meer dan waar ook de populaire muziek commercieel geëxploiteerd. In de kantoortjes van de muziekuitgeverijen die collectief bekend stonden onder de naam Tin Pan Alley zaten honderden ­songwriters de hele dag sentimentele ballads en andere eenvoudige liedjes te schrijven. Muzikale massaproductie.

  • George Gershwin

    Tijdens de première van zijn Pianoconcert in F (1925)

    George Gershwin

    Tijdens de première van zijn Pianoconcert in F (1925)

  • Scène uit Porgy and Bess

    Catfish Row

    Scène uit Porgy and Bess

    Catfish Row

  • George Gershwin

    Tijdens de première van zijn Pianoconcert in F (1925)

    George Gershwin

    Tijdens de première van zijn Pianoconcert in F (1925)

  • Scène uit Porgy and Bess

    Catfish Row

    Scène uit Porgy and Bess

    Catfish Row

Een van de vele Joodse songwriters in die grote hitfabriek was George Gershwin. Hij werkte voor verschillende uitgeverijen en Broadway-musicals. In 1924 verbaasde hij de muziekwereld met Rhapsody in Blue, een klassieke rapsodie vermengd met zwoele jazz en blues. Voor velen hét moment waarop uptown en downtown voor het eerst een echt New Yorks amalgaam voortbrachten.

Het was niet alleen Gershwins verdienste. Rhapsody in Blue werd geschreven in opdracht van Paul Whiteman, een klassiek geschoold musicus uit Denver die in 1920 naar New York kwam en immens populair werd met zijn bigband. Zijn vaste arrangeur Ferde Grofé orkestreerde het werk. De ambitieuze Gershwin bekwaamde zich al gauw zelf in klassieke compositie en ­orkestratie, en zou verschillende culturen van Amerika blijven samenbrengen, bijvoorbeeld in zijn baanbrekende opera Porgy and Bess.

Bigband en Bernstein

De Rhapsody in Blue mocht een opzienbarende novelty zijn, ze had weinig te maken met de echte jazz, zoals die klonk in clubs als The Blue Note, The Cotton Club en Tony’s Club Grandean. Veel authentieker was de bigband-swing van Duke Ellington, die in 1923 vanuit Washington DC naar de Big Apple kwam. Al noemde Ellington zijn muziek geen jazz, maar simpelweg American Music. De meeste andere bigband-leiders, zoals Glenn Miller en Benny Goodman, bevonden zich aan de lichte, populaire kant van het spectrum.

Klassiek opgeleide componisten, zoals Aaron Copland uit Brooklyn, bleven zoeken naar manieren om de verfijning van de klassieke muziek te koppelen aan de vitaliteit van moderne populaire stijlen. Eind jaren vijftig introduceerde de New Yorker Gunther Schuller het genre Third Stream als een gulden middenweg tussen jazz en nieuwe klassieke muziek.

Maar de meest succesvolle bruggenbouwer tussen downtown en de serieuze klassieke muziek was Leonard Bernstein, onder andere vanwege zijn aandacht voor de in de jaren zestig snel groeiende gemeenschap van Cubanen en Puerto-Ricanen, die nieuwe, frisse en swingende latin-stijlen meebrachten. Bernsteins ongelofelijke veelzijdigheid leidde tot opera’s, symfonieën, koorwerken… en wat is er New Yorkser dan zijn onsterfelijke grootstedelijke Romeo-­en-Julia-musical West Side Story?


Van CBGB naar Concertgebouw

Was de New Yorkse drang om fusies teweeg te brengen tussen de klassieke traditie en andere genres tot dan toe vooral een uptown-onderneming, vanaf de jaren zestig voltrok de meest verregaande vermenging van highbrow en lowbrow zich vooral in downtown-clubs als The Kitchen, de Mudd Club, CBGB en Max’s Kansas City – en ‘midtown’ in Andy Warhols Factory. Jazz, rock, latin, avant-garde, poëzie, theater, dans en beeldende kunst gingen allerlei opwindende ­huwelijken aan.

In de jaren zeventig werd die muzikale caleidoscoop nog eens opgeschud door disco, punk en new-wave. Met bijvoorbeeld de hypnotiserende patronen van Philip Glass, de vocale kunst van Meredith Monk en Laurie Anderson, de jazzrock-fusion van Carla Bley, Glenn Branca’s composities voor snoeiharde elektrische gitaren en de avant-garde-improvisatie van John Zorn werden compleet nieuwe wegen ingeslagen.

Voor componisten als Julia Wolfe, David Lang en Michael Gordon, in 1987 oprichters van het succesvolle ensemble Bang on a Can, kennen uptown en downtown geen grenzen. En tegenwoordig bewegen musici als Bryce Dessner, Missy Mazzoli en Nico Muhly zich met groot gemak in de werelden van de popmuziek en de klassieke muziek. De meesten van hen klommen van downtown-zaaltjes op tot prestigieuze podia en internationale roem. Want ‘if I can make it there, I can make it anywhere’. Toch eens aan Philip Glass vragen wat hij nou het liefste heeft – bubbels in de Ritz of een biertje in de kroeg.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.