Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
interview

‘Toen ik een hobo hoorde, was de keuze gemaakt’

door Olga de Kort
18 feb. 2020 18 februari 2020

Als kind was Ivan Podyomov al geïntrigeerd door de hobo. Deze maand staat de solohoboïst van het Concertgebouworkest in de schijnwerpers als solist in Strauss’ Hoboconcert.

Dat een hobo een meer dan interessant instrument is, wist Ivan Podyomov meteen toen hij het als kind zag. Met zo veel kleppen kon het niet anders dan dat er veel te ontdekken en wellicht ook technisch te verbeteren viel. Daar hoopte hij tenminste op, want hij deed toen al niets liever dan knutselen en dingen uit elkaar halen – en weer in elkaar zetten. Jaren later weet hij het wel zeker: een hobo is een instrument met vele mogelijkheden, én ruimte voor verdere ontwikkeling.

Dat Ivan hoboïst is geworden, is puur toeval. Als kind wilde hij piloot worden, net als zijn vader. Zijn moeder, die piano speelde, zag hem liever als pianist, maar daar had de Gnessin Muziekschool in Moskou haar eigen ideeën over. De toelatingscommissie vond de zesjarige Ivan te oud om nog met piano te beginnen. Hij kreeg het advies om het bij de hout­blazers te proberen. Zijn eerste instrument werd een blokfluit.

 

Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

‘Ik geloof niet dat ik het heel erg vond. Mijn docent Ivan Poesjetsjnikov had ook een hoboklas en toen ik een van zijn hoboleerlingen hoorde spelen, was de keuze zo gemaakt. Ook mijn moeder was tevreden: ze vond de klank mooi.’

Autodidact

Wat als liefde voor het mechaniek begon, veranderde al snel in liefde voor de klank en de mogelijkheden van de hobo. ‘Het bleek echt mijn instrument te zijn. Binnen een paar maanden lukte het me al om met een redelijk mooie klank te spelen. Ik heb mijn oude kinderopnamen nog en ze zijn helemaal niet slecht.

Het belangrijkste was dat ik van uitdaging hield. Dat zag mijn docent gelukkig ook, hij begon me steeds moeilijkere stukken te geven. Poesjetsjnikov was een geweldige leraar, die feilloos aanvoelde wat je nodig had om vooruit te komen. We hebben wellicht aan het begin minder tijd aan techniek besteed, maar dat kwam later zeker aan bod.

Sovjet-hoboïsten waren stuk voor stuk autodidacten, ze deden veel intuïtief. Ze leerden zichzelf alles aan, aangezien het in hun tijd onmogelijk was om over de grens te kijken en van de expertise van hun buitenlandse collega’s te leren. Iedereen was bezig met zijn eigen creatieve zoektocht naar de mogelijkheden van het instrument. Voor mij pakte dat heel goed uit. Op het moment dat ik ‘correct’ begon te leren spelen, kon ik al van alles op de hobo, tot de meest virtuoze stukken aan toe. Ik had alleen nog wat technische correcties nodig. 

Ontwikkeling

Die kreeg Ivan tijdens ­masterclasses en bij zijn vervolgopleiding aan het Conservatorium van Genève. Zijn eerste masterclass had hij trouwens van zijn huidige collega Alexei Ogrintchouk, ook een voormalig leerling van Poesjetsjnikov.

 

‘Alexei gaf een masterclass in Frankrijk. Daar ging een hele nieuwe wereld voor me open. Ik was nooit van plan om in het buitenland te studeren, maar om je horizon te verbreden moet je soms toch verder kijken dan je vertrouwde omgeving.’

Podyomovs docent in Genève, Maurice Bourgue, leerde hem ‘als kunstenaar te denken’. ‘Bourgue is een legendarisch pedagoog die de hobo in Europa op de kaart heeft gezet. Bijna alle hoboïsten in Europese orkesten hebben bij hem gestudeerd of zijn leerlingen van zijn leerlingen. Bij hem zag ik wat je op dit instrument werkelijk kunt bereiken. Ik wilde meteen nog meer spelen, nieuwe stukken leren, en besloot ook aan concoursen deel te nemen. Die geven je namelijk de kans om een groot repertoire op te bouwen. Alles bij elkaar hielp me om mezelf tot de musicus te ontwikkelen die ik nu ben.’

Op zoek naar oplossingen

Sinds vijf jaar geeft Ivan zelf les, op de Hochschule für Musik in Luzern. Ook het lesgeven ziet hij als een verrijking voor hem als musicus. ‘Als docent moet je niet alleen problemen van je leerlingen snel kunnen ontdekken, maar ook met de juiste oplossingen komen. Dat zet je nog meer aan het denken over hoe je iets kunt bereiken en waar je op moet letten. Om iets te kunnen uitleggen, moet je analyseren hoe je iets zelf doet, en let je nog meer op details. Het geeft een enorme voldoening als je ziet hoe studenten bewuster met het instrument om leren gaan en onder jouw begeleiding als musici groeien.’

Ivan zelf blijft zich ook ontwikkelen. Hij speelt graag kamermuziek en neemt deel aan oudemuziekprojecten. Ook is hij nog steeds in techniek geïnteresseerd en kent hij de hobo van binnenuit. ‘Om je artistieke doel te bereiken, een mooiere of grotere klank te krijgen, moet je op zoek gaan naar nieuwe technische mogelijkheden, en hiermee bedoel ik niet uitsluitend je speeltechniek. Ook bouwtechnische eigenschappen van een instrument zijn belangrijk, daarom probeer ik zelf verschillende onderdelen voor een hobo te vervaardigen. De hobo blijft me fascineren, het is echt het instrument van mijn hart.’

Onvergetelijke klankervaring

In augustus 2016 kwam Ivan Podyomov – inmiddels winnaar van diverse concoursen, waaronder het Concours de Genève – bij het Concertgebouworkest. Vanaf dag één wist hij dat hij zijn orkest had gevonden. ‘Ik prijs me gelukkig hier te werken. Iedereen is enorm gemotiveerd, je voelt de energie van je collega’s en hun toewijding aan de muziek. Ook het orkestrepertoire voor hobo is heel aantrekkelijk. Dit instrument heeft bijna geen solostukken uit de Romantiek en de enige mogelijkheid om met deze muziek in aanraking te komen, is via het orkest. Het orkest speelt veel Beethoven, Brahms en Mahler, de grootste werken uit het klassieke repertoire.’

 

‘Het Hoboconcert van Richard Strauss heb ik twaalf jaar geleden voor het eerst gespeeld, met het Symphonieorches­ter des Bayerischen Rundfunks. Dat was meteen in de finale van de ARD-­Musikwettbewerb in München en het was mijn tweede uitvoering met een orkest ooit (de eerste was slechts twee dagen daarvoor: Mozarts Hoboconcert, met het Münchener Kammerorchester en zonder dirigent).

Sindsdien behoort Strauss’ concert tot mijn favorieten. Ik hou van deze optimistische, rustige en statige muziek, met haar energieke en bij flarden ook nostalgische stemming. Aan het eind van het tweede deel is er een heel speciaal moment, wanneer de hobo bijzonder verheven klinkt. Ik voel dat als een soort afscheid van de Romantiek en de vervlogen tijden van de vroegere muziekesthetiek. Er was in 1945 geen componist meer te bekennen die zo schreef; de passage klinkt voor mij als de epiloog van de romantische muziek.’

Tijdreis

Met het Concertgebouworkest maakte Podyomov kennis toen hij nog op school zat. ‘Mijn oom was een groot liefhebber van klassieke muziek en had een enorme collectie opnames. Toen ik een keer op bezoek was, zette hij Beethovens Derde pianoconcert voor mij op, met Arthur Rubinstein en het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink. Hij wilde me laten horen wat voor grote musici dat waren. Ik was met de eerste tutti-­akkoorden meteen verkocht; de klank en ­energie kwamen helemaal overeen met het karakter van Beethovens muziek. Ik had dat nog nooit bij een ander orkest gehoord.’

Het was dan ook een bijzondere ervaring voor Ivan om jaren later hetzelfde concert onder leiding van Haitink te spelen: ‘Het is net alsof je door de tijd reist. Ik was weer een schooljongen die zijn eerste stappen in de muziek zette en zo ondersteboven van het orkest raakte. Ik hoop dat ons orkestspel de luisteraar van nu ook zo’n onvergetelijke klankervaring bezorgt.’

 

De hobo en oboe d’amore van Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

De hobo en oboe d’amore van Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

De hobo en oboe d’amore van Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

De hobo en oboe d’amore van Ivan Podyomov

foto: Renske Vrolijk

De hobo van Ivan Podyomov

‘Hobo’s die intensief door een professionele speler worden gebruikt, zijn na drie tot zeven jaar aan vervanging toe. Bij ons kom je dus geen historische instrumenten tegen. Ik bespeel een Franse hobo van Marigaux. Voor oude muziek heb ik een oboe d’amore – een verwant instrument, dat een terts lager klinkt.

Zijn warme klank werd door Bach enorm gewaardeerd, en is onmiskenbaar in zijn cantates, de Matthäus-Passion en de Hohe Messe, maar ook in de twintigste-eeuwse en hedendaagse muziek. Ik was lang op zoek naar een instrument met een warme klank en genoeg volume. Toen ik deze hobo in Japan tegenkwam, schoot het orkest gelukkig te hulp en kon het dankzij het Reni en Egon Mosler Fonds, een van de Fondsen op Naam van het orkest, worden aangeschaft. Het behoort nu tot de collectie van de Foundation Concertgebouworkest.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.