Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Maxim Emelyanychev: Beethovens Symfonie nr. 7 en Mozart

Maxim Emelyanychev: Beethovens Symfonie nr. 7 en Mozart

Grote Zaal
27 mei 2026
20.15 uur

Print dit programma

Scottish Chamber Orchestra
Maxim Emelyanychev dirigent/piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Spotlight.

In Preludium Live om 19.40 uur in de Spiegelzaal (inloop vanaf 19.25 uur) geeft Rutger Helmers een ­inleiding op de Zevende symfonie van Beethoven.

Felix Mendelssohn (1809-1849)

Ouverture ‘Die Hebriden’, op. 26 (1830)

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianoconcert nr. 25 in C gr.t., KV 503 (1786)
Allegro maestoso
Andante
Allegretto

pauze ± 21.00 uur

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Symfonie nr. 7 in A gr.t., op. 92 (1811-12)
Poco sostenuto – Vivace
Allegretto
Presto
Allegro con brio

einde ± 22.10 uur

Grote Zaal 27 mei 2026 20.15 uur

Scottish Chamber Orchestra
Maxim Emelyanychev dirigent/piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Spotlight.

In Preludium Live om 19.40 uur in de Spiegelzaal (inloop vanaf 19.25 uur) geeft Rutger Helmers een ­inleiding op de Zevende symfonie van Beethoven.

Felix Mendelssohn (1809-1849)

Ouverture ‘Die Hebriden’, op. 26 (1830)

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianoconcert nr. 25 in C gr.t., KV 503 (1786)
Allegro maestoso
Andante
Allegretto

pauze ± 21.00 uur

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Symfonie nr. 7 in A gr.t., op. 92 (1811-12)
Poco sostenuto – Vivace
Allegretto
Presto
Allegro con brio

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Felix Mendelssohn (1809-1847)

Ouverture ‘Die Hebriden’

door Stephen Westra

Jong was hij, pas twintig, toen hij zich op een augustusdag in 1829 inscheepte naar Fingal’s Cave op Staffa, een van de Schotse Hebrideneilanden. Het regende, het stormde, en zo gek was Felix Mendelssohn nu ook weer niet op al dat water. De met toeristen volgepropte stoomboot ‘Ben Lomond’ slingerde en schokte, het zoute zeewater liep over het dek, de jonge componist werd flink zeeziek. Ze zwalkten soms gevaarlijk dicht langs de kust waar spookkastelen en ingestorte abdijen opdoemden. En toch, ‘al die eilanden en kliffen, pittoresk, griezelig, verschrikkelijk omdat ze op zo’n verwarde manier bij elkaar zijn gegooid’ raakten hem, zó zelfs dat hij in een brief aan zijn zusje Fanny schreef: ‘Opdat je begrijpt hoe buitengewoon de Hebriden me aan­grepen, stuur ik je het volgende dat daar in mijn hoofd opkwam.’ Gevolgd door de eerste 21 maten van een concert­ouverture die in eerste instantie Die einsamen Inseln heette. Een dag later bereikten ze Fingal’s Cave, de grandioze grot met zijn zuilen van zwart basalt: ‘Een groener geraas van golven denderde nooit een vreemder spelonk binnen.’ Opnieuw indrukwekkend.

Jong was hij, pas twintig, toen hij zich op een augustusdag in 1829 inscheepte naar Fingal’s Cave op Staffa, een van de Schotse Hebrideneilanden. Het regende, het stormde, en zo gek was Felix Mendelssohn nu ook weer niet op al dat water. De met toeristen volgepropte stoomboot ‘Ben Lomond’ slingerde en schokte, het zoute zeewater liep over het dek, de jonge componist werd flink zeeziek. Ze zwalkten soms gevaarlijk dicht langs de kust waar spookkastelen en ingestorte abdijen opdoemden. En toch, ‘al die eilanden en kliffen, pittoresk, griezelig, verschrikkelijk omdat ze op zo’n verwarde manier bij elkaar zijn gegooid’ raakten hem, zó zelfs dat hij in een brief aan zijn zusje Fanny schreef: ‘Opdat je begrijpt hoe buitengewoon de Hebriden me aan­grepen, stuur ik je het volgende dat daar in mijn hoofd opkwam.’ Gevolgd door de eerste 21 maten van een concert­ouverture die in eerste instantie Die einsamen Inseln heette. Een dag later bereikten ze Fingal’s Cave, de grandioze grot met zijn zuilen van zwart basalt: ‘Een groener geraas van golven denderde nooit een vreemder spelonk binnen.’ Opnieuw indrukwekkend.

  • Fanny Mendelssohn

    circa 1847

    Fanny Mendelssohn

    circa 1847

  • Fanny Mendelssohn

    circa 1847

    Fanny Mendelssohn

    circa 1847

Aan die snelle eerste schets van het begin van de ouverture veranderde Mendelssohn amper iets toen hij hem gebruikte voor wat Die Hebriden zou gaan heten. Mendelssohns uitgever publiceerde ook een uitgave met de titel Fingalshöhle, niet helemaal juist, want Mendelssohn vond zijn inspiratie al vóór hij Fingal’s Cave aandeed. Maar terwijl het begin-idee zo spontaan ontstond, moest Mendelssohn het stuk na voltooiing in 1830 nog twee keer reviseren voordat de definitieve versie kon klinken. Dat was op 10 januari 1833 in Berlijn onder zijn eigen leiding. Toen was het echter ook muziek waarover iemand als Johannes Brahms eens zei: ‘Ik geef met plezier alles wat ik heb geschreven om zoiets als de Hebriden-­ouverture te hebben gecomponeerd.’

Aan die snelle eerste schets van het begin van de ouverture veranderde Mendelssohn amper iets toen hij hem gebruikte voor wat Die Hebriden zou gaan heten. Mendelssohns uitgever publiceerde ook een uitgave met de titel Fingalshöhle, niet helemaal juist, want Mendelssohn vond zijn inspiratie al vóór hij Fingal’s Cave aandeed. Maar terwijl het begin-idee zo spontaan ontstond, moest Mendelssohn het stuk na voltooiing in 1830 nog twee keer reviseren voordat de definitieve versie kon klinken. Dat was op 10 januari 1833 in Berlijn onder zijn eigen leiding. Toen was het echter ook muziek waarover iemand als Johannes Brahms eens zei: ‘Ik geef met plezier alles wat ik heb geschreven om zoiets als de Hebriden-­ouverture te hebben gecomponeerd.’

door Stephen Westra

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianoconcert nr. 25

door Martijn Voorvelt

Op 4 december 1786 voltooide Wolfgang Amadeus Mozart zijn Pianoconcert in C groot, KV 503. Twee dagen later volgde zijn ‘Praagse’ symfonie, KV 504. Eerder dat jaar ontstonden onder meer twee andere pianoconcerten, het Pian­otrio is Bes groot en de opera buffa Le nozze di Figaro. Het wonder van Mozart is dat hij niet alleen veel componeerde, maar dat alles wat uit zijn pen vloeide van ongemeen hoge kwaliteit was. In de twaalf pianoconcerten die hij tussen 1784 en 1786 schreef bracht hij emotionele zeggingskracht, operateske melodiek en symfonische vormen tot een unieke synthese, en van die reeks vormt KV 503 de bekroning. 

Al vanaf de eerste maten dwingt Mozarts componeerkunst eerbied af. Een enkel akkoord blijkt de start van een versnellend motief waar als vanzelf de eerste melodieën uit ontspruiten. Sierlijke fagot- en fluitduetten ­wijzen vooruit op de vele passages voor houtblazers die het hele werk extra kleur geven. Ook de pauken nemen een belangrijke positie in. De pianopartij bevat meer dan genoeg materiaal voor een cadens, maar Mozart legde er geen vast – het is aan de solist om iets te bedenken of te kiezen uit een weelde aan later geschreven cadensen.

Op 4 december 1786 voltooide Wolfgang Amadeus Mozart zijn Pianoconcert in C groot, KV 503. Twee dagen later volgde zijn ‘Praagse’ symfonie, KV 504. Eerder dat jaar ontstonden onder meer twee andere pianoconcerten, het Pian­otrio is Bes groot en de opera buffa Le nozze di Figaro. Het wonder van Mozart is dat hij niet alleen veel componeerde, maar dat alles wat uit zijn pen vloeide van ongemeen hoge kwaliteit was. In de twaalf pianoconcerten die hij tussen 1784 en 1786 schreef bracht hij emotionele zeggingskracht, operateske melodiek en symfonische vormen tot een unieke synthese, en van die reeks vormt KV 503 de bekroning. 

Al vanaf de eerste maten dwingt Mozarts componeerkunst eerbied af. Een enkel akkoord blijkt de start van een versnellend motief waar als vanzelf de eerste melodieën uit ontspruiten. Sierlijke fagot- en fluitduetten ­wijzen vooruit op de vele passages voor houtblazers die het hele werk extra kleur geven. Ook de pauken nemen een belangrijke positie in. De pianopartij bevat meer dan genoeg materiaal voor een cadens, maar Mozart legde er geen vast – het is aan de solist om iets te bedenken of te kiezen uit een weelde aan later geschreven cadensen.

  • Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

    Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

  • Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

    Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

Het Andante, het lyrische hart van het werk, schept veel ruimte voor hoorns en houtblazers. Hoewel de solopartij het hele klavier bestrijkt en op onderzoek uit gaat in de hoogste en laagste registers, blijft de muziek een koele, ingehouden kalmte uitstralen. Aan het begin van het derde deel staan de spotlights gericht op het orkest, dat onder meer een thema uit Mozarts opera Idomeneo (1781) laat horen, waarna een contrast- en vindingrijke dialoog met de solist volgt. 

Mogelijk had Mozart de lat iets te hoog gelegd: hoewel hij dit piano­concert zelf graag speelde op tournees, sloeg het in Wenen niet aan. Ook na zijn dood werd KV 503 lange tijd nauwelijks uitgevoerd, in tegenstelling tot ‘showpieces’ als het Twaalfde pianoconcert (KV 414), nummer 21 (KV 467) en het ‘proto-romantische’ concert nummer 26 (KV 537). Pas in de jaren 1960 zijn we nr. 25 gaan erkennen als een meesterwerk.

Het Andante, het lyrische hart van het werk, schept veel ruimte voor hoorns en houtblazers. Hoewel de solopartij het hele klavier bestrijkt en op onderzoek uit gaat in de hoogste en laagste registers, blijft de muziek een koele, ingehouden kalmte uitstralen. Aan het begin van het derde deel staan de spotlights gericht op het orkest, dat onder meer een thema uit Mozarts opera Idomeneo (1781) laat horen, waarna een contrast- en vindingrijke dialoog met de solist volgt. 

Mogelijk had Mozart de lat iets te hoog gelegd: hoewel hij dit piano­concert zelf graag speelde op tournees, sloeg het in Wenen niet aan. Ook na zijn dood werd KV 503 lange tijd nauwelijks uitgevoerd, in tegenstelling tot ‘showpieces’ als het Twaalfde pianoconcert (KV 414), nummer 21 (KV 467) en het ‘proto-romantische’ concert nummer 26 (KV 537). Pas in de jaren 1960 zijn we nr. 25 gaan erkennen als een meesterwerk.

door Martijn Voorvelt

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Symfonie nr. 7

Ludwig van Beethovens Zevende symfonie in A groot was al vanaf het begin populair. De première vond plaats in een gewelddadige tijd: Napoleons legers hadden overal dood en verderf gezaaid, maar werden nu in Rusland zelf in de pan gehakt. Op 8 december 1813 organiseerde Beethoven een benefietconcert voor gewonde militairen. Het concert was daarnaast bedoeld om fondsen te werven voor een tournee naar Londen: daar zou Beethoven samen met de uitvinder ­Johann Nepomuk Maelzel, die hem ook had voorzien van een gehoorapparaat (de ‘oortrompet’), het panharmonicum demonstreren, een ‘mechanisch orkest’. Voor dat vreemde instrument had Beethoven dan ook een compositie geschreven die bij de Engelsen zeker in de smaak zou vallen: Wellingtons Sieg. Tijdens het benefietconcert in ­Wenen werd het gespeeld door een echt orkest. En wat voor een! De beroemde violist Ignaz Schuppanzigh was de concertmeester, met naast hem Louis Spohr, en ook componisten als Antonio Salieri, Giacomo Meyerbeer en Johann Nepomuk Hummel speelden mee. Allen gunden Beethoven zijn tournee.

Ludwig van Beethovens Zevende symfonie in A groot was al vanaf het begin populair. De première vond plaats in een gewelddadige tijd: Napoleons legers hadden overal dood en verderf gezaaid, maar werden nu in Rusland zelf in de pan gehakt. Op 8 december 1813 organiseerde Beethoven een benefietconcert voor gewonde militairen. Het concert was daarnaast bedoeld om fondsen te werven voor een tournee naar Londen: daar zou Beethoven samen met de uitvinder ­Johann Nepomuk Maelzel, die hem ook had voorzien van een gehoorapparaat (de ‘oortrompet’), het panharmonicum demonstreren, een ‘mechanisch orkest’. Voor dat vreemde instrument had Beethoven dan ook een compositie geschreven die bij de Engelsen zeker in de smaak zou vallen: Wellingtons Sieg. Tijdens het benefietconcert in ­Wenen werd het gespeeld door een echt orkest. En wat voor een! De beroemde violist Ignaz Schuppanzigh was de concertmeester, met naast hem Louis Spohr, en ook componisten als Antonio Salieri, Giacomo Meyerbeer en Johann Nepomuk Hummel speelden mee. Allen gunden Beethoven zijn tournee.

  • Ludwig van Beethoven

    anoniem

    Ludwig van Beethoven

    anoniem

  • Ludwig van Beethoven

    anoniem

    Ludwig van Beethoven

    anoniem

Wellingtons Sieg kreeg veel bijval, maar werd nog overschaduwd door het succes van het andere werk op het programma: de Zevende symfonie. Nog meer dan in Beethovens eerdere symfonieën was het ritme de hoofdrolspeler, zodat ze al snel de ‘danssymfonie’ genoemd zou worden. Het hele bouwwerk rust op obsessief herhaalde ritmische motieven, die niet zelden doen denken aan de Ierse en ­Schotse volksmuziek waar Beethoven zich recent mee bezig had gehouden. 

Na een uitgebreide introductie – een reeks akkoorden en opwaartse toonladders, een verwachtingsvolle melodie – start de ritmische motor: een jig-achtig ritme stuwt de muziek vooruit en brengt een vrolijk, ietwat boertig ­thema voort. Er staat geen tweede ­thema tegenover; het wordt herhaald en linea recta een uitgebreide doorwerking in gejaagd, waar het een heel scala aan toonsoorten doorloopt. De wilde coda moet het publiek in 1813 de adem hebben benomen.

In plaats van een langzaam deel volgt een intiem, statig Allegretto, gebouwd op een voortdurend herhaald ritmisch motiefje. De zwaarmoedige schoonheid ervan wordt geleidelijk intenser naarmate meer tegenmelodieën worden toegevoegd. Een episode in majeur zorgt even voor verlichting. In het snelle, swingende scherzo (Presto) – met een gedragen trio voor het contrast – speelt Beethoven met de verwachtingspatronen van het publiek door flitsende spelletjes met dynamiek en instrumentatie. En in het minstens zo snelle slotdeel raken we verwikkeld in een vreugdevolle rondedans waarmee Beethoven alle ellende – zijn doofheid, oorlog, geldzorgen – lijkt te willen trotseren. Niet voor niets verwijst het naar zijn bewerking van het Ierse volkslied Save Me from the Grave and Wise, over het vinden van verlossing en wijsheid in vrolijke dansmuziek.

Het Allegretto raakte onmiddellijk een gevoelige snaar en moest bij de première als toegift herhaald worden. Gedurende de hele negentiende eeuw werd het regelmatig in andere Beethoven-­symfonieën ingevoegd. De tournee naar Londen kwam er helaas niet: na het benefietconcert kregen Beethoven en Maelzel ruzie over de eigendomsrechten van Wellingtons Sieg. De componist klaagde Maelzel aan, maar liet de aanklacht later vallen en zou grif gebruik gaan maken van diens nieuwe product – de metronoom.

Wellingtons Sieg kreeg veel bijval, maar werd nog overschaduwd door het succes van het andere werk op het programma: de Zevende symfonie. Nog meer dan in Beethovens eerdere symfonieën was het ritme de hoofdrolspeler, zodat ze al snel de ‘danssymfonie’ genoemd zou worden. Het hele bouwwerk rust op obsessief herhaalde ritmische motieven, die niet zelden doen denken aan de Ierse en ­Schotse volksmuziek waar Beethoven zich recent mee bezig had gehouden. 

Na een uitgebreide introductie – een reeks akkoorden en opwaartse toonladders, een verwachtingsvolle melodie – start de ritmische motor: een jig-achtig ritme stuwt de muziek vooruit en brengt een vrolijk, ietwat boertig ­thema voort. Er staat geen tweede ­thema tegenover; het wordt herhaald en linea recta een uitgebreide doorwerking in gejaagd, waar het een heel scala aan toonsoorten doorloopt. De wilde coda moet het publiek in 1813 de adem hebben benomen.

In plaats van een langzaam deel volgt een intiem, statig Allegretto, gebouwd op een voortdurend herhaald ritmisch motiefje. De zwaarmoedige schoonheid ervan wordt geleidelijk intenser naarmate meer tegenmelodieën worden toegevoegd. Een episode in majeur zorgt even voor verlichting. In het snelle, swingende scherzo (Presto) – met een gedragen trio voor het contrast – speelt Beethoven met de verwachtingspatronen van het publiek door flitsende spelletjes met dynamiek en instrumentatie. En in het minstens zo snelle slotdeel raken we verwikkeld in een vreugdevolle rondedans waarmee Beethoven alle ellende – zijn doofheid, oorlog, geldzorgen – lijkt te willen trotseren. Niet voor niets verwijst het naar zijn bewerking van het Ierse volkslied Save Me from the Grave and Wise, over het vinden van verlossing en wijsheid in vrolijke dansmuziek.

Het Allegretto raakte onmiddellijk een gevoelige snaar en moest bij de première als toegift herhaald worden. Gedurende de hele negentiende eeuw werd het regelmatig in andere Beethoven-­symfonieën ingevoegd. De tournee naar Londen kwam er helaas niet: na het benefietconcert kregen Beethoven en Maelzel ruzie over de eigendomsrechten van Wellingtons Sieg. De componist klaagde Maelzel aan, maar liet de aanklacht later vallen en zou grif gebruik gaan maken van diens nieuwe product – de metronoom.

Felix Mendelssohn (1809-1847)

Ouverture ‘Die Hebriden’

door Stephen Westra

Jong was hij, pas twintig, toen hij zich op een augustusdag in 1829 inscheepte naar Fingal’s Cave op Staffa, een van de Schotse Hebrideneilanden. Het regende, het stormde, en zo gek was Felix Mendelssohn nu ook weer niet op al dat water. De met toeristen volgepropte stoomboot ‘Ben Lomond’ slingerde en schokte, het zoute zeewater liep over het dek, de jonge componist werd flink zeeziek. Ze zwalkten soms gevaarlijk dicht langs de kust waar spookkastelen en ingestorte abdijen opdoemden. En toch, ‘al die eilanden en kliffen, pittoresk, griezelig, verschrikkelijk omdat ze op zo’n verwarde manier bij elkaar zijn gegooid’ raakten hem, zó zelfs dat hij in een brief aan zijn zusje Fanny schreef: ‘Opdat je begrijpt hoe buitengewoon de Hebriden me aan­grepen, stuur ik je het volgende dat daar in mijn hoofd opkwam.’ Gevolgd door de eerste 21 maten van een concert­ouverture die in eerste instantie Die einsamen Inseln heette. Een dag later bereikten ze Fingal’s Cave, de grandioze grot met zijn zuilen van zwart basalt: ‘Een groener geraas van golven denderde nooit een vreemder spelonk binnen.’ Opnieuw indrukwekkend.

Jong was hij, pas twintig, toen hij zich op een augustusdag in 1829 inscheepte naar Fingal’s Cave op Staffa, een van de Schotse Hebrideneilanden. Het regende, het stormde, en zo gek was Felix Mendelssohn nu ook weer niet op al dat water. De met toeristen volgepropte stoomboot ‘Ben Lomond’ slingerde en schokte, het zoute zeewater liep over het dek, de jonge componist werd flink zeeziek. Ze zwalkten soms gevaarlijk dicht langs de kust waar spookkastelen en ingestorte abdijen opdoemden. En toch, ‘al die eilanden en kliffen, pittoresk, griezelig, verschrikkelijk omdat ze op zo’n verwarde manier bij elkaar zijn gegooid’ raakten hem, zó zelfs dat hij in een brief aan zijn zusje Fanny schreef: ‘Opdat je begrijpt hoe buitengewoon de Hebriden me aan­grepen, stuur ik je het volgende dat daar in mijn hoofd opkwam.’ Gevolgd door de eerste 21 maten van een concert­ouverture die in eerste instantie Die einsamen Inseln heette. Een dag later bereikten ze Fingal’s Cave, de grandioze grot met zijn zuilen van zwart basalt: ‘Een groener geraas van golven denderde nooit een vreemder spelonk binnen.’ Opnieuw indrukwekkend.

  • Fanny Mendelssohn

    circa 1847

    Fanny Mendelssohn

    circa 1847

  • Fanny Mendelssohn

    circa 1847

    Fanny Mendelssohn

    circa 1847

Aan die snelle eerste schets van het begin van de ouverture veranderde Mendelssohn amper iets toen hij hem gebruikte voor wat Die Hebriden zou gaan heten. Mendelssohns uitgever publiceerde ook een uitgave met de titel Fingalshöhle, niet helemaal juist, want Mendelssohn vond zijn inspiratie al vóór hij Fingal’s Cave aandeed. Maar terwijl het begin-idee zo spontaan ontstond, moest Mendelssohn het stuk na voltooiing in 1830 nog twee keer reviseren voordat de definitieve versie kon klinken. Dat was op 10 januari 1833 in Berlijn onder zijn eigen leiding. Toen was het echter ook muziek waarover iemand als Johannes Brahms eens zei: ‘Ik geef met plezier alles wat ik heb geschreven om zoiets als de Hebriden-­ouverture te hebben gecomponeerd.’

Aan die snelle eerste schets van het begin van de ouverture veranderde Mendelssohn amper iets toen hij hem gebruikte voor wat Die Hebriden zou gaan heten. Mendelssohns uitgever publiceerde ook een uitgave met de titel Fingalshöhle, niet helemaal juist, want Mendelssohn vond zijn inspiratie al vóór hij Fingal’s Cave aandeed. Maar terwijl het begin-idee zo spontaan ontstond, moest Mendelssohn het stuk na voltooiing in 1830 nog twee keer reviseren voordat de definitieve versie kon klinken. Dat was op 10 januari 1833 in Berlijn onder zijn eigen leiding. Toen was het echter ook muziek waarover iemand als Johannes Brahms eens zei: ‘Ik geef met plezier alles wat ik heb geschreven om zoiets als de Hebriden-­ouverture te hebben gecomponeerd.’

door Stephen Westra

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianoconcert nr. 25

door Martijn Voorvelt

Op 4 december 1786 voltooide Wolfgang Amadeus Mozart zijn Pianoconcert in C groot, KV 503. Twee dagen later volgde zijn ‘Praagse’ symfonie, KV 504. Eerder dat jaar ontstonden onder meer twee andere pianoconcerten, het Pian­otrio is Bes groot en de opera buffa Le nozze di Figaro. Het wonder van Mozart is dat hij niet alleen veel componeerde, maar dat alles wat uit zijn pen vloeide van ongemeen hoge kwaliteit was. In de twaalf pianoconcerten die hij tussen 1784 en 1786 schreef bracht hij emotionele zeggingskracht, operateske melodiek en symfonische vormen tot een unieke synthese, en van die reeks vormt KV 503 de bekroning. 

Al vanaf de eerste maten dwingt Mozarts componeerkunst eerbied af. Een enkel akkoord blijkt de start van een versnellend motief waar als vanzelf de eerste melodieën uit ontspruiten. Sierlijke fagot- en fluitduetten ­wijzen vooruit op de vele passages voor houtblazers die het hele werk extra kleur geven. Ook de pauken nemen een belangrijke positie in. De pianopartij bevat meer dan genoeg materiaal voor een cadens, maar Mozart legde er geen vast – het is aan de solist om iets te bedenken of te kiezen uit een weelde aan later geschreven cadensen.

Op 4 december 1786 voltooide Wolfgang Amadeus Mozart zijn Pianoconcert in C groot, KV 503. Twee dagen later volgde zijn ‘Praagse’ symfonie, KV 504. Eerder dat jaar ontstonden onder meer twee andere pianoconcerten, het Pian­otrio is Bes groot en de opera buffa Le nozze di Figaro. Het wonder van Mozart is dat hij niet alleen veel componeerde, maar dat alles wat uit zijn pen vloeide van ongemeen hoge kwaliteit was. In de twaalf pianoconcerten die hij tussen 1784 en 1786 schreef bracht hij emotionele zeggingskracht, operateske melodiek en symfonische vormen tot een unieke synthese, en van die reeks vormt KV 503 de bekroning. 

Al vanaf de eerste maten dwingt Mozarts componeerkunst eerbied af. Een enkel akkoord blijkt de start van een versnellend motief waar als vanzelf de eerste melodieën uit ontspruiten. Sierlijke fagot- en fluitduetten ­wijzen vooruit op de vele passages voor houtblazers die het hele werk extra kleur geven. Ook de pauken nemen een belangrijke positie in. De pianopartij bevat meer dan genoeg materiaal voor een cadens, maar Mozart legde er geen vast – het is aan de solist om iets te bedenken of te kiezen uit een weelde aan later geschreven cadensen.

  • Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

    Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

  • Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

    Onvoltooid portret van Wolfgang Amadeus Mozart aan de piano

    Joseph Lange, 1789

Het Andante, het lyrische hart van het werk, schept veel ruimte voor hoorns en houtblazers. Hoewel de solopartij het hele klavier bestrijkt en op onderzoek uit gaat in de hoogste en laagste registers, blijft de muziek een koele, ingehouden kalmte uitstralen. Aan het begin van het derde deel staan de spotlights gericht op het orkest, dat onder meer een thema uit Mozarts opera Idomeneo (1781) laat horen, waarna een contrast- en vindingrijke dialoog met de solist volgt. 

Mogelijk had Mozart de lat iets te hoog gelegd: hoewel hij dit piano­concert zelf graag speelde op tournees, sloeg het in Wenen niet aan. Ook na zijn dood werd KV 503 lange tijd nauwelijks uitgevoerd, in tegenstelling tot ‘showpieces’ als het Twaalfde pianoconcert (KV 414), nummer 21 (KV 467) en het ‘proto-romantische’ concert nummer 26 (KV 537). Pas in de jaren 1960 zijn we nr. 25 gaan erkennen als een meesterwerk.

Het Andante, het lyrische hart van het werk, schept veel ruimte voor hoorns en houtblazers. Hoewel de solopartij het hele klavier bestrijkt en op onderzoek uit gaat in de hoogste en laagste registers, blijft de muziek een koele, ingehouden kalmte uitstralen. Aan het begin van het derde deel staan de spotlights gericht op het orkest, dat onder meer een thema uit Mozarts opera Idomeneo (1781) laat horen, waarna een contrast- en vindingrijke dialoog met de solist volgt. 

Mogelijk had Mozart de lat iets te hoog gelegd: hoewel hij dit piano­concert zelf graag speelde op tournees, sloeg het in Wenen niet aan. Ook na zijn dood werd KV 503 lange tijd nauwelijks uitgevoerd, in tegenstelling tot ‘showpieces’ als het Twaalfde pianoconcert (KV 414), nummer 21 (KV 467) en het ‘proto-romantische’ concert nummer 26 (KV 537). Pas in de jaren 1960 zijn we nr. 25 gaan erkennen als een meesterwerk.

door Martijn Voorvelt

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Symfonie nr. 7

Ludwig van Beethovens Zevende symfonie in A groot was al vanaf het begin populair. De première vond plaats in een gewelddadige tijd: Napoleons legers hadden overal dood en verderf gezaaid, maar werden nu in Rusland zelf in de pan gehakt. Op 8 december 1813 organiseerde Beethoven een benefietconcert voor gewonde militairen. Het concert was daarnaast bedoeld om fondsen te werven voor een tournee naar Londen: daar zou Beethoven samen met de uitvinder ­Johann Nepomuk Maelzel, die hem ook had voorzien van een gehoorapparaat (de ‘oortrompet’), het panharmonicum demonstreren, een ‘mechanisch orkest’. Voor dat vreemde instrument had Beethoven dan ook een compositie geschreven die bij de Engelsen zeker in de smaak zou vallen: Wellingtons Sieg. Tijdens het benefietconcert in ­Wenen werd het gespeeld door een echt orkest. En wat voor een! De beroemde violist Ignaz Schuppanzigh was de concertmeester, met naast hem Louis Spohr, en ook componisten als Antonio Salieri, Giacomo Meyerbeer en Johann Nepomuk Hummel speelden mee. Allen gunden Beethoven zijn tournee.

Ludwig van Beethovens Zevende symfonie in A groot was al vanaf het begin populair. De première vond plaats in een gewelddadige tijd: Napoleons legers hadden overal dood en verderf gezaaid, maar werden nu in Rusland zelf in de pan gehakt. Op 8 december 1813 organiseerde Beethoven een benefietconcert voor gewonde militairen. Het concert was daarnaast bedoeld om fondsen te werven voor een tournee naar Londen: daar zou Beethoven samen met de uitvinder ­Johann Nepomuk Maelzel, die hem ook had voorzien van een gehoorapparaat (de ‘oortrompet’), het panharmonicum demonstreren, een ‘mechanisch orkest’. Voor dat vreemde instrument had Beethoven dan ook een compositie geschreven die bij de Engelsen zeker in de smaak zou vallen: Wellingtons Sieg. Tijdens het benefietconcert in ­Wenen werd het gespeeld door een echt orkest. En wat voor een! De beroemde violist Ignaz Schuppanzigh was de concertmeester, met naast hem Louis Spohr, en ook componisten als Antonio Salieri, Giacomo Meyerbeer en Johann Nepomuk Hummel speelden mee. Allen gunden Beethoven zijn tournee.

  • Ludwig van Beethoven

    anoniem

    Ludwig van Beethoven

    anoniem

  • Ludwig van Beethoven

    anoniem

    Ludwig van Beethoven

    anoniem

Wellingtons Sieg kreeg veel bijval, maar werd nog overschaduwd door het succes van het andere werk op het programma: de Zevende symfonie. Nog meer dan in Beethovens eerdere symfonieën was het ritme de hoofdrolspeler, zodat ze al snel de ‘danssymfonie’ genoemd zou worden. Het hele bouwwerk rust op obsessief herhaalde ritmische motieven, die niet zelden doen denken aan de Ierse en ­Schotse volksmuziek waar Beethoven zich recent mee bezig had gehouden. 

Na een uitgebreide introductie – een reeks akkoorden en opwaartse toonladders, een verwachtingsvolle melodie – start de ritmische motor: een jig-achtig ritme stuwt de muziek vooruit en brengt een vrolijk, ietwat boertig ­thema voort. Er staat geen tweede ­thema tegenover; het wordt herhaald en linea recta een uitgebreide doorwerking in gejaagd, waar het een heel scala aan toonsoorten doorloopt. De wilde coda moet het publiek in 1813 de adem hebben benomen.

In plaats van een langzaam deel volgt een intiem, statig Allegretto, gebouwd op een voortdurend herhaald ritmisch motiefje. De zwaarmoedige schoonheid ervan wordt geleidelijk intenser naarmate meer tegenmelodieën worden toegevoegd. Een episode in majeur zorgt even voor verlichting. In het snelle, swingende scherzo (Presto) – met een gedragen trio voor het contrast – speelt Beethoven met de verwachtingspatronen van het publiek door flitsende spelletjes met dynamiek en instrumentatie. En in het minstens zo snelle slotdeel raken we verwikkeld in een vreugdevolle rondedans waarmee Beethoven alle ellende – zijn doofheid, oorlog, geldzorgen – lijkt te willen trotseren. Niet voor niets verwijst het naar zijn bewerking van het Ierse volkslied Save Me from the Grave and Wise, over het vinden van verlossing en wijsheid in vrolijke dansmuziek.

Het Allegretto raakte onmiddellijk een gevoelige snaar en moest bij de première als toegift herhaald worden. Gedurende de hele negentiende eeuw werd het regelmatig in andere Beethoven-­symfonieën ingevoegd. De tournee naar Londen kwam er helaas niet: na het benefietconcert kregen Beethoven en Maelzel ruzie over de eigendomsrechten van Wellingtons Sieg. De componist klaagde Maelzel aan, maar liet de aanklacht later vallen en zou grif gebruik gaan maken van diens nieuwe product – de metronoom.

Wellingtons Sieg kreeg veel bijval, maar werd nog overschaduwd door het succes van het andere werk op het programma: de Zevende symfonie. Nog meer dan in Beethovens eerdere symfonieën was het ritme de hoofdrolspeler, zodat ze al snel de ‘danssymfonie’ genoemd zou worden. Het hele bouwwerk rust op obsessief herhaalde ritmische motieven, die niet zelden doen denken aan de Ierse en ­Schotse volksmuziek waar Beethoven zich recent mee bezig had gehouden. 

Na een uitgebreide introductie – een reeks akkoorden en opwaartse toonladders, een verwachtingsvolle melodie – start de ritmische motor: een jig-achtig ritme stuwt de muziek vooruit en brengt een vrolijk, ietwat boertig ­thema voort. Er staat geen tweede ­thema tegenover; het wordt herhaald en linea recta een uitgebreide doorwerking in gejaagd, waar het een heel scala aan toonsoorten doorloopt. De wilde coda moet het publiek in 1813 de adem hebben benomen.

In plaats van een langzaam deel volgt een intiem, statig Allegretto, gebouwd op een voortdurend herhaald ritmisch motiefje. De zwaarmoedige schoonheid ervan wordt geleidelijk intenser naarmate meer tegenmelodieën worden toegevoegd. Een episode in majeur zorgt even voor verlichting. In het snelle, swingende scherzo (Presto) – met een gedragen trio voor het contrast – speelt Beethoven met de verwachtingspatronen van het publiek door flitsende spelletjes met dynamiek en instrumentatie. En in het minstens zo snelle slotdeel raken we verwikkeld in een vreugdevolle rondedans waarmee Beethoven alle ellende – zijn doofheid, oorlog, geldzorgen – lijkt te willen trotseren. Niet voor niets verwijst het naar zijn bewerking van het Ierse volkslied Save Me from the Grave and Wise, over het vinden van verlossing en wijsheid in vrolijke dansmuziek.

Het Allegretto raakte onmiddellijk een gevoelige snaar en moest bij de première als toegift herhaald worden. Gedurende de hele negentiende eeuw werd het regelmatig in andere Beethoven-­symfonieën ingevoegd. De tournee naar Londen kwam er helaas niet: na het benefietconcert kregen Beethoven en Maelzel ruzie over de eigendomsrechten van Wellingtons Sieg. De componist klaagde Maelzel aan, maar liet de aanklacht later vallen en zou grif gebruik gaan maken van diens nieuwe product – de metronoom.

Biografie

Scottish Chamber Orchestra, orkest

Het Scottish Chamber Orchestra bestaat sinds 1974. Met steun van de Schotse overheid, de gemeente Edinburgh en een netwerk van filantropische partners brengt het orkest een breed scala aan concerten en projecten, zowel in Schotland als daarbuiten én steeds vaker online. Buiten het concertpodium zet het Scottish Chamber Orchestra zich in voor educatie en participatie.

Via het programma Creative Learning organiseert het projecten en workshops voor mensen van alle leeftijden, waaronder een langdurige residentie in de wijk Craigmillar in Edinburgh. Sinds september 2019 is Maxim Emelyanychev chef-dirigent, een samenwerking die inmiddels verlengd is tot 2028.

Hun eerste gezamenlijke opname (Schuberts Negende symfonie) verscheen in 2019 en werd lovend ontvangen door de internationale pers. Daarna volgden opnames van Mendelssohns Derde en Vijfde symfonie (2023) en Schuberts Vijfde en Achtste symfonie (2024). Het Scottish Chamber Orchestra werkt samen met gerenommeerde gastdirigenten en solisten en onderhoudt nauwe banden met hedendaagse componisten.

Het orkest gaf opdracht voor bijna tweehonderd nieuwe werken aan componisten als Peter Maxwell Davies, James MacMillan, Mark-Anthony Turnage, Anna Clyne, Sally Beamish en Nico Muhly, en speelt daarmee een actieve rol in de ontwikkeling van het moderne orkestrepertoire. De laatste keer dat het Scottish Chamber Orchestra optrad in Het Concertgebouw was in de zomerprogrammering van 2007.

Maxim Emelyanychev, piano

Maxim Emelyanychev, winnaar van de Herbert von Karajan Award 2025, treedt op als dirigent, pianist, klavecinist, organist en cornettist. Na een studie piano en directie in zijn geboortestad Nizjni Novgorod vervolgde hij zijn dirigentenopleiding bij Gennadi Rozjdestvenski in Moskou.

Sinds 2013 leidt het multitalent het oudemuziek­ensemble il Pomo d’Oro, waarmee hij de complete symfonieën van Mozart opneemt, de Grote Zaal aandeed in tournees van mezzosopraan Joyce DiDonato (2022) en van countertenor Jakub Józef Orliński (2023), en eerder dit Spotlight-seizoen in de Kleine Zaal stond.

In 2019 werd Maxim Emelyanychev ook chef-dirigent van het Scottish Chamber Orchestra. Sinds afgelopen september is hij bovendien vaste gastdirigent van het Swedish Radio Symphony Orchestra. Maxim Emelyanychev debuteerde bij onder meer het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Münchner Philharmoniker, de omroeporkesten van Keulen en Stuttgart, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Tokyo Yomiuri Symphony Orchestra en het Orchestre National de France.

Met het Concertgebouworkest werkte hij in 2021, 2023, 2024 en oktober 2025. Ook in de opera maakt Maxim Emelyanychev carrière: hij leidde het Orchestra of the Age of Enlightenment in Händel-producties in Glyndebourne en Covent Garden, en kreeg een Gramophone Award voor zijn opname van Händels Agrippina met Joyce DiDonato.

Als pianist tourde hij met haar in Schuberts Winterreise, en zijn Mozartopnames op fortepiano zijn bekroond met een ICMA en een Choc de Classica. Maxim Emelyanychev gaf afgelopen januari een solorecital in de Grote Zaal, en het concert van vandaag is de afsluiting van zijn Spotlight 2025/2026.