Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Mahlers Symfonie nr. 4 met Gustavo Gimeno & Patricia Kopatchinskaja speelt Bartók

Mahlers Symfonie nr. 4 met Gustavo Gimeno & Patricia Kopatchinskaja speelt Bartók

Grote Zaal
03 februari 2026
20.15 uur

Print dit programma

Patricia Kopatchinskaja viool
Christina Landshamer sopraan
Toronto Symphony Orchestra
Gustavo Gimeno dirigent

Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten, en wordt voorzien van boventiteling.

Ook interessant:
- Muziekland Hongarije

Kelly-Marie Murphy (1964)

Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark (2017)
voor orkest 

Béla Bartók (1881-1945)

Vioolconcert nr. 1, Sz. 36 (1907-08) 
Andante sostenuto
Allegro giocoso

pauze ± 20.50 uur

Gustav Mahler (1860-1911)

Symfonie nr. 4 in G gr.t. (1899-1900)
voor orkest en sopraan 
Bedächtig. Nicht eilen
In gemächlicher Bewegung. Ohne Hast
Ruhevoll
Sehr behaglich (‘Wir geniessen die himmlischen Freuden’ uit ‘Des Knaben Wunderhorn’)

einde ± 22.15 uur

Grote Zaal 03 februari 2026 20.15 uur

Patricia Kopatchinskaja viool
Christina Landshamer sopraan
Toronto Symphony Orchestra
Gustavo Gimeno dirigent

Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten, en wordt voorzien van boventiteling.

Ook interessant:
- Muziekland Hongarije

Kelly-Marie Murphy (1964)

Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark (2017)
voor orkest 

Béla Bartók (1881-1945)

Vioolconcert nr. 1, Sz. 36 (1907-08) 
Andante sostenuto
Allegro giocoso

pauze ± 20.50 uur

Gustav Mahler (1860-1911)

Symfonie nr. 4 in G gr.t. (1899-1900)
voor orkest en sopraan 
Bedächtig. Nicht eilen
In gemächlicher Bewegung. Ohne Hast
Ruhevoll
Sehr behaglich (‘Wir geniessen die himmlischen Freuden’ uit ‘Des Knaben Wunderhorn’)

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Kelly-Marie Murphy (1964)

Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark

door Martijn Voorvelt

  • Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

    Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

  • Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

    Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

Kelly-Marie Murphy werd geboren op de NAVO-basis op Sardinië en groeide op in Canada. Haar compositiestudie begon ze aan de University of Calgary, waarna ze in Engeland aan de University of Leeds bij Philip Wilby studeerde en haar Ph.D. behaalde. Ze woonde vele jaren in Washington D.C., maar werkt de laatste jaren als freelance componist vanuit Ottawa. In ­Canada is Kelly-­Marie Murphy inmiddels een bekende naam; ze schreef onder meer werken voor de symfonieorkesten van Winnipeg en Vancouver, The ­Gryphon Tr­io, celliste Shauna Rolston en het Afiara String Quartet. Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark ontstond in opdracht van het Toronto ­Symphony Orchestra, dat in september 2017 de wereldpremière verzorgde onder leiding van Peter Oundjian. Met deze compositieopdracht vierde het orkest de 85ste verjaardag van de Canadese pianolegende Glenn Gould (1932-1982) en het zeventigjarig jubileum van Goulds eerste optreden als solist bij het orkest van zijn geboortestad Toronto. Glenn Gould had ‘een verbijsterend intellect en was geïnteresseerd in alles’, aldus Murphy, die zich in haar orkestwerk vooral liet inspireren door de grenzeloze nieuwsgierigheid van de pianist. Hij maakte een fascinerende serie radiodocumentaires, waarvan de eerste The Search for Petula Clark heette. Glenn was geïntrigeerd door het volgen van radiostations ­tijdens een lange autorit naar Noord-Ontario. Met bepaalde tussenpozen hoorde hij Petula Clarks hit Who Am I. Puzzelliefhebber Gould wilde de afstanden tussen relaisstations – die het radiosignaal doorgeven – doorgronden en leerde en passant het liedje door en door kennen. ‘Hij spreekt over het popnummer met dezelfde focus, aandacht en intelligentie als hij over Bach spreekt’, aldus Murphy. In haar gedreven, energieke orkestwerk is een belangrijke rol weggelegd voor het slagwerk. Radiosignalen, Hollywood- en bigband-klanken, melodie­fragmenten uit Who Am I, alles wordt met elkaar verweven in de muziek die geleidelijk het karakter krijgt van filmmuziek bij een achtervolgingsscene. Wie Clarks liedje kent, verbindt Goulds obsessieve zoektocht met de tekst ‘I’m chasing rainbows in the rain’.

Kelly-Marie Murphy werd geboren op de NAVO-basis op Sardinië en groeide op in Canada. Haar compositiestudie begon ze aan de University of Calgary, waarna ze in Engeland aan de University of Leeds bij Philip Wilby studeerde en haar Ph.D. behaalde. Ze woonde vele jaren in Washington D.C., maar werkt de laatste jaren als freelance componist vanuit Ottawa. In ­Canada is Kelly-­Marie Murphy inmiddels een bekende naam; ze schreef onder meer werken voor de symfonieorkesten van Winnipeg en Vancouver, The ­Gryphon Tr­io, celliste Shauna Rolston en het Afiara String Quartet. Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark ontstond in opdracht van het Toronto ­Symphony Orchestra, dat in september 2017 de wereldpremière verzorgde onder leiding van Peter Oundjian. Met deze compositieopdracht vierde het orkest de 85ste verjaardag van de Canadese pianolegende Glenn Gould (1932-1982) en het zeventigjarig jubileum van Goulds eerste optreden als solist bij het orkest van zijn geboortestad Toronto. Glenn Gould had ‘een verbijsterend intellect en was geïnteresseerd in alles’, aldus Murphy, die zich in haar orkestwerk vooral liet inspireren door de grenzeloze nieuwsgierigheid van de pianist. Hij maakte een fascinerende serie radiodocumentaires, waarvan de eerste The Search for Petula Clark heette. Glenn was geïntrigeerd door het volgen van radiostations ­tijdens een lange autorit naar Noord-Ontario. Met bepaalde tussenpozen hoorde hij Petula Clarks hit Who Am I. Puzzelliefhebber Gould wilde de afstanden tussen relaisstations – die het radiosignaal doorgeven – doorgronden en leerde en passant het liedje door en door kennen. ‘Hij spreekt over het popnummer met dezelfde focus, aandacht en intelligentie als hij over Bach spreekt’, aldus Murphy. In haar gedreven, energieke orkestwerk is een belangrijke rol weggelegd voor het slagwerk. Radiosignalen, Hollywood- en bigband-klanken, melodie­fragmenten uit Who Am I, alles wordt met elkaar verweven in de muziek die geleidelijk het karakter krijgt van filmmuziek bij een achtervolgingsscene. Wie Clarks liedje kent, verbindt Goulds obsessieve zoektocht met de tekst ‘I’m chasing rainbows in the rain’.

door Martijn Voorvelt

Béla Bartók (1881-1945)

Eerste vioolconcert

door Onno Schoonderwoerd

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

Hoe een enkel muzikaal thema tegengestelde gedaantes kan aannemen, bewees Robert Schumann al in de ­‘karaktervariaties’ van zijn Davidsbündlertänze en Kreisleriana. Franz Liszt legde er nog een schepje bovenop in zijn driedelige Eine Faust-Symphonie. De buitenste delen representeren de tegenpolen Faust en Mephisto – maar de basis van hun muziek is dezelfde.

‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef’

Iets soortgelijks deed de jonge Béla Bartók in zijn Eerste vioolconcert, dat hij schreef voor de violiste Stefi Geyer (1888-1956) – zij was 19, hij 26, en tot over zijn oren verliefd. Aanvankelijk wilde Bartók een driedelig concert voor haar schrijven, dat zou bestaan uit een reeks karaktervariaties op basis van één enkel ‘liefdesakkoord’ van vier tonen – een septiemakkoord met grote terts, kwint en grote septiem. Gezamenlijk zouden die variaties Geyers portret vormen. Na een hemels ideaalbeeld wilde hij haar schetsen in al haar onstuimigheid en humor. Het slotdeel zou haar van haar afstandelijke en stille kant laten zien.

Pas halverwege het compositieproces stelde Bartók vast dat ‘haar’ stuk tweedelig zou moeten worden: ‘Twee contrasterende schetsen – dat is alles. Ik sta er nu versteld van dat ik die waarheid niet eerder ontdekte’, schreef hij op 21 december 1907. De jeugdliefde hield echter geen stand; Geyer verbrak de relatie. Per brief. Op 8 ­februari 1908 schreef Bartók terug: ‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef. Ik heb hem in een lade gestopt. Ik weet niet of ik hem moet vernietigen of daar zal laten liggen, waar hij na mijn dood gevonden kan worden.’ Uiteindelijk stuurde hij Stefi het stuk toch, maar zij zou het nooit in het openbaar spelen. Na haar overlijden bleek de partituur nagelaten aan dirigent Paul Sacher, die in 1958 de première dirigeerde.

Het eerste deel, Andante sostenuto, begint idyllisch licht. Heel geleidelijk wordt een klein contrapuntisch web van tegenstemmen rond­om de solomelodie gesponnen. Slechts zelden wordt de lange vioolmelodie door een orkestraal tussenspel onderbroken. In het coda bereikt de muziek etherische hoogten. De drie tertsen van Geyers liefdesthema vormen ook de basis van het rapsodische Allegro giocoso. Geheel naar Bartóks plan is het karakter van dit deel echter volledig anders. De lyriek is er nog wel, maar de vioolstem klinkt grilliger en breekt soms onverwacht af. De muziek wisselt onophoudelijk tussen bijna duivelse virtuoze uitbarstingen, uitgelaten vrolijkheid en duisterder sferen.

Hoewel het Eerste vioolconcert tot 1958 niet werd uitgevoerd, kreeg de muziek toch enige bekendheid. Het eerste deel werkte Bartók om tot het eerste van zijn eveneens sterk contrasterende orkestwerk Twee portretten. En uit tertsen opgebouwde melodieën bleven in Bartóks muziek terugkeren als symbool voor de liefde: onder andere in het ballet De houten prins en in de opera Hertog Blauwbaards burcht.

Hoe een enkel muzikaal thema tegengestelde gedaantes kan aannemen, bewees Robert Schumann al in de ­‘karaktervariaties’ van zijn Davidsbündlertänze en Kreisleriana. Franz Liszt legde er nog een schepje bovenop in zijn driedelige Eine Faust-Symphonie. De buitenste delen representeren de tegenpolen Faust en Mephisto – maar de basis van hun muziek is dezelfde.

‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef’

Iets soortgelijks deed de jonge Béla Bartók in zijn Eerste vioolconcert, dat hij schreef voor de violiste Stefi Geyer (1888-1956) – zij was 19, hij 26, en tot over zijn oren verliefd. Aanvankelijk wilde Bartók een driedelig concert voor haar schrijven, dat zou bestaan uit een reeks karaktervariaties op basis van één enkel ‘liefdesakkoord’ van vier tonen – een septiemakkoord met grote terts, kwint en grote septiem. Gezamenlijk zouden die variaties Geyers portret vormen. Na een hemels ideaalbeeld wilde hij haar schetsen in al haar onstuimigheid en humor. Het slotdeel zou haar van haar afstandelijke en stille kant laten zien.

Pas halverwege het compositieproces stelde Bartók vast dat ‘haar’ stuk tweedelig zou moeten worden: ‘Twee contrasterende schetsen – dat is alles. Ik sta er nu versteld van dat ik die waarheid niet eerder ontdekte’, schreef hij op 21 december 1907. De jeugdliefde hield echter geen stand; Geyer verbrak de relatie. Per brief. Op 8 ­februari 1908 schreef Bartók terug: ‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef. Ik heb hem in een lade gestopt. Ik weet niet of ik hem moet vernietigen of daar zal laten liggen, waar hij na mijn dood gevonden kan worden.’ Uiteindelijk stuurde hij Stefi het stuk toch, maar zij zou het nooit in het openbaar spelen. Na haar overlijden bleek de partituur nagelaten aan dirigent Paul Sacher, die in 1958 de première dirigeerde.

Het eerste deel, Andante sostenuto, begint idyllisch licht. Heel geleidelijk wordt een klein contrapuntisch web van tegenstemmen rond­om de solomelodie gesponnen. Slechts zelden wordt de lange vioolmelodie door een orkestraal tussenspel onderbroken. In het coda bereikt de muziek etherische hoogten. De drie tertsen van Geyers liefdesthema vormen ook de basis van het rapsodische Allegro giocoso. Geheel naar Bartóks plan is het karakter van dit deel echter volledig anders. De lyriek is er nog wel, maar de vioolstem klinkt grilliger en breekt soms onverwacht af. De muziek wisselt onophoudelijk tussen bijna duivelse virtuoze uitbarstingen, uitgelaten vrolijkheid en duisterder sferen.

Hoewel het Eerste vioolconcert tot 1958 niet werd uitgevoerd, kreeg de muziek toch enige bekendheid. Het eerste deel werkte Bartók om tot het eerste van zijn eveneens sterk contrasterende orkestwerk Twee portretten. En uit tertsen opgebouwde melodieën bleven in Bartóks muziek terugkeren als symbool voor de liefde: onder andere in het ballet De houten prins en in de opera Hertog Blauwbaards burcht.

door Onno Schoonderwoerd

Gustav Mahler (1860-1911)

Vierde symfonie

door Hugo Bouma

  • Gustav Mahler in 1886

    Gustav Mahler in 1886

  • Gustav Mahler in 1886

    Gustav Mahler in 1886

Der Himmel hängt voller Geigen! Zo begint een gedicht dat ­Gustav Mahler in 1892 op muziek zette; een onschuldige, naïeve beschrijving van het leven na de dood, als ware het door een kind verteld. Het betekent zoveel als: er is geen vuiltje aan de lucht. De tekst komt uit Des Knaben Wunderhorn, een verzameling romantische (en geromantiseerde) volkspoëzie waar Mahler nog vaker uit zou putten. Pas jaren later componeerde hij de rest van zijn Vierde symfonie als het ware achterstevoren, zodat dit lied er als slotdeel achteraan kon passen.

De Vierde is, in lengte en bezetting, de kleinste van Mahlers symfonieën, en de enige die kalm begint in plaats van stormachtig en dramatisch. In het eerste deel toont de componist zich aanvankelijk van zijn meest opgewekte kant, tegen het sentimentele aan. Na twee reprises van de sleebelletjes slaat echter de stemming om: dezelfde naïeve melodieën worden steeds verder gefragmenteerd en gepijnigd, met groteske instrumentatie. En dan klaart plots de hemel weer op, alsof er niets gebeurd is.
In het tweede deel krast magere Hein een dodendans op zijn ontstemde viool. We horen een naargeestig walsje, afgewisseld met meer vredige momen­ten waarin Mahler op het slotdeel vooruitblikt. Echter, ook hierin klinkt een grimmige ondertoon. De laatste keer dat het walsje terugkeert blijft er weinig meer van over, en het deel eindigt met een snauw.

De serene strijkersmuziek aan het begin van het derde deel doet vermoeden dat de hemelpoort toch echt nabij moet zijn. Maar Mahler leidt ons eerst nog langs meer aardse emoties, ingeluid door een klaaglijke hobo. Een tweede poging tot blijmoedige muziek bereikt een hogere top, maar daarna ook een dieper dal. Om hier weer uit te klimmen schroeft Mahler in enkele abrupte stappen het tempo op. Een Weense wals, een geschifte polka, opnieuw ­totale rust. En dan breekt hij met ­pauken en hoorns de hemelpoort open.

Als dan toch de rust definitief terugkeert, is de luisteraar eindelijk genoeg voorbereid om de hemel van het vierde deel te betreden. Alle aardse kwellingen van de voorgaande delen zijn vergeven en vergeten; hierboven is het leven goed. Na elk couplet horen we een kort koraal, hierna keren dan abrupt de sleebelletjes uit deel één terug, als de schrik van een kind dat vervolgens getroost moet worden door verder te vertellen over het hemelse leven. Bij het vierde en laatste couplet horen we dan eindelijk de hemelse muziek waar we de hele symfonie – en ons hele ­leven – op hebben gewacht. Na het laatste woord van het gedicht (‘ontwaakt’) slaapt de muziek langzaam in.

Der Himmel hängt voller Geigen! Zo begint een gedicht dat ­Gustav Mahler in 1892 op muziek zette; een onschuldige, naïeve beschrijving van het leven na de dood, als ware het door een kind verteld. Het betekent zoveel als: er is geen vuiltje aan de lucht. De tekst komt uit Des Knaben Wunderhorn, een verzameling romantische (en geromantiseerde) volkspoëzie waar Mahler nog vaker uit zou putten. Pas jaren later componeerde hij de rest van zijn Vierde symfonie als het ware achterstevoren, zodat dit lied er als slotdeel achteraan kon passen.

De Vierde is, in lengte en bezetting, de kleinste van Mahlers symfonieën, en de enige die kalm begint in plaats van stormachtig en dramatisch. In het eerste deel toont de componist zich aanvankelijk van zijn meest opgewekte kant, tegen het sentimentele aan. Na twee reprises van de sleebelletjes slaat echter de stemming om: dezelfde naïeve melodieën worden steeds verder gefragmenteerd en gepijnigd, met groteske instrumentatie. En dan klaart plots de hemel weer op, alsof er niets gebeurd is.
In het tweede deel krast magere Hein een dodendans op zijn ontstemde viool. We horen een naargeestig walsje, afgewisseld met meer vredige momen­ten waarin Mahler op het slotdeel vooruitblikt. Echter, ook hierin klinkt een grimmige ondertoon. De laatste keer dat het walsje terugkeert blijft er weinig meer van over, en het deel eindigt met een snauw.

De serene strijkersmuziek aan het begin van het derde deel doet vermoeden dat de hemelpoort toch echt nabij moet zijn. Maar Mahler leidt ons eerst nog langs meer aardse emoties, ingeluid door een klaaglijke hobo. Een tweede poging tot blijmoedige muziek bereikt een hogere top, maar daarna ook een dieper dal. Om hier weer uit te klimmen schroeft Mahler in enkele abrupte stappen het tempo op. Een Weense wals, een geschifte polka, opnieuw ­totale rust. En dan breekt hij met ­pauken en hoorns de hemelpoort open.

Als dan toch de rust definitief terugkeert, is de luisteraar eindelijk genoeg voorbereid om de hemel van het vierde deel te betreden. Alle aardse kwellingen van de voorgaande delen zijn vergeven en vergeten; hierboven is het leven goed. Na elk couplet horen we een kort koraal, hierna keren dan abrupt de sleebelletjes uit deel één terug, als de schrik van een kind dat vervolgens getroost moet worden door verder te vertellen over het hemelse leven. Bij het vierde en laatste couplet horen we dan eindelijk de hemelse muziek waar we de hele symfonie – en ons hele ­leven – op hebben gewacht. Na het laatste woord van het gedicht (‘ontwaakt’) slaapt de muziek langzaam in.

door Hugo Bouma

Kelly-Marie Murphy (1964)

Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark

door Martijn Voorvelt

  • Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

    Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

  • Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

    Kelly-Marie Murphy

    Foto: Kamara Morozuk

Kelly-Marie Murphy werd geboren op de NAVO-basis op Sardinië en groeide op in Canada. Haar compositiestudie begon ze aan de University of Calgary, waarna ze in Engeland aan de University of Leeds bij Philip Wilby studeerde en haar Ph.D. behaalde. Ze woonde vele jaren in Washington D.C., maar werkt de laatste jaren als freelance componist vanuit Ottawa. In ­Canada is Kelly-­Marie Murphy inmiddels een bekende naam; ze schreef onder meer werken voor de symfonieorkesten van Winnipeg en Vancouver, The ­Gryphon Tr­io, celliste Shauna Rolston en het Afiara String Quartet. Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark ontstond in opdracht van het Toronto ­Symphony Orchestra, dat in september 2017 de wereldpremière verzorgde onder leiding van Peter Oundjian. Met deze compositieopdracht vierde het orkest de 85ste verjaardag van de Canadese pianolegende Glenn Gould (1932-1982) en het zeventigjarig jubileum van Goulds eerste optreden als solist bij het orkest van zijn geboortestad Toronto. Glenn Gould had ‘een verbijsterend intellect en was geïnteresseerd in alles’, aldus Murphy, die zich in haar orkestwerk vooral liet inspireren door de grenzeloze nieuwsgierigheid van de pianist. Hij maakte een fascinerende serie radiodocumentaires, waarvan de eerste The Search for Petula Clark heette. Glenn was geïntrigeerd door het volgen van radiostations ­tijdens een lange autorit naar Noord-Ontario. Met bepaalde tussenpozen hoorde hij Petula Clarks hit Who Am I. Puzzelliefhebber Gould wilde de afstanden tussen relaisstations – die het radiosignaal doorgeven – doorgronden en leerde en passant het liedje door en door kennen. ‘Hij spreekt over het popnummer met dezelfde focus, aandacht en intelligentie als hij over Bach spreekt’, aldus Murphy. In haar gedreven, energieke orkestwerk is een belangrijke rol weggelegd voor het slagwerk. Radiosignalen, Hollywood- en bigband-klanken, melodie­fragmenten uit Who Am I, alles wordt met elkaar verweven in de muziek die geleidelijk het karakter krijgt van filmmuziek bij een achtervolgingsscene. Wie Clarks liedje kent, verbindt Goulds obsessieve zoektocht met de tekst ‘I’m chasing rainbows in the rain’.

Kelly-Marie Murphy werd geboren op de NAVO-basis op Sardinië en groeide op in Canada. Haar compositiestudie begon ze aan de University of Calgary, waarna ze in Engeland aan de University of Leeds bij Philip Wilby studeerde en haar Ph.D. behaalde. Ze woonde vele jaren in Washington D.C., maar werkt de laatste jaren als freelance componist vanuit Ottawa. In ­Canada is Kelly-­Marie Murphy inmiddels een bekende naam; ze schreef onder meer werken voor de symfonieorkesten van Winnipeg en Vancouver, The ­Gryphon Tr­io, celliste Shauna Rolston en het Afiara String Quartet. Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark ontstond in opdracht van het Toronto ­Symphony Orchestra, dat in september 2017 de wereldpremière verzorgde onder leiding van Peter Oundjian. Met deze compositieopdracht vierde het orkest de 85ste verjaardag van de Canadese pianolegende Glenn Gould (1932-1982) en het zeventigjarig jubileum van Goulds eerste optreden als solist bij het orkest van zijn geboortestad Toronto. Glenn Gould had ‘een verbijsterend intellect en was geïnteresseerd in alles’, aldus Murphy, die zich in haar orkestwerk vooral liet inspireren door de grenzeloze nieuwsgierigheid van de pianist. Hij maakte een fascinerende serie radiodocumentaires, waarvan de eerste The Search for Petula Clark heette. Glenn was geïntrigeerd door het volgen van radiostations ­tijdens een lange autorit naar Noord-Ontario. Met bepaalde tussenpozen hoorde hij Petula Clarks hit Who Am I. Puzzelliefhebber Gould wilde de afstanden tussen relaisstations – die het radiosignaal doorgeven – doorgronden en leerde en passant het liedje door en door kennen. ‘Hij spreekt over het popnummer met dezelfde focus, aandacht en intelligentie als hij over Bach spreekt’, aldus Murphy. In haar gedreven, energieke orkestwerk is een belangrijke rol weggelegd voor het slagwerk. Radiosignalen, Hollywood- en bigband-klanken, melodie­fragmenten uit Who Am I, alles wordt met elkaar verweven in de muziek die geleidelijk het karakter krijgt van filmmuziek bij een achtervolgingsscene. Wie Clarks liedje kent, verbindt Goulds obsessieve zoektocht met de tekst ‘I’m chasing rainbows in the rain’.

door Martijn Voorvelt

Béla Bartók (1881-1945)

Eerste vioolconcert

door Onno Schoonderwoerd

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

Hoe een enkel muzikaal thema tegengestelde gedaantes kan aannemen, bewees Robert Schumann al in de ­‘karaktervariaties’ van zijn Davidsbündlertänze en Kreisleriana. Franz Liszt legde er nog een schepje bovenop in zijn driedelige Eine Faust-Symphonie. De buitenste delen representeren de tegenpolen Faust en Mephisto – maar de basis van hun muziek is dezelfde.

‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef’

Iets soortgelijks deed de jonge Béla Bartók in zijn Eerste vioolconcert, dat hij schreef voor de violiste Stefi Geyer (1888-1956) – zij was 19, hij 26, en tot over zijn oren verliefd. Aanvankelijk wilde Bartók een driedelig concert voor haar schrijven, dat zou bestaan uit een reeks karaktervariaties op basis van één enkel ‘liefdesakkoord’ van vier tonen – een septiemakkoord met grote terts, kwint en grote septiem. Gezamenlijk zouden die variaties Geyers portret vormen. Na een hemels ideaalbeeld wilde hij haar schetsen in al haar onstuimigheid en humor. Het slotdeel zou haar van haar afstandelijke en stille kant laten zien.

Pas halverwege het compositieproces stelde Bartók vast dat ‘haar’ stuk tweedelig zou moeten worden: ‘Twee contrasterende schetsen – dat is alles. Ik sta er nu versteld van dat ik die waarheid niet eerder ontdekte’, schreef hij op 21 december 1907. De jeugdliefde hield echter geen stand; Geyer verbrak de relatie. Per brief. Op 8 ­februari 1908 schreef Bartók terug: ‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef. Ik heb hem in een lade gestopt. Ik weet niet of ik hem moet vernietigen of daar zal laten liggen, waar hij na mijn dood gevonden kan worden.’ Uiteindelijk stuurde hij Stefi het stuk toch, maar zij zou het nooit in het openbaar spelen. Na haar overlijden bleek de partituur nagelaten aan dirigent Paul Sacher, die in 1958 de première dirigeerde.

Het eerste deel, Andante sostenuto, begint idyllisch licht. Heel geleidelijk wordt een klein contrapuntisch web van tegenstemmen rond­om de solomelodie gesponnen. Slechts zelden wordt de lange vioolmelodie door een orkestraal tussenspel onderbroken. In het coda bereikt de muziek etherische hoogten. De drie tertsen van Geyers liefdesthema vormen ook de basis van het rapsodische Allegro giocoso. Geheel naar Bartóks plan is het karakter van dit deel echter volledig anders. De lyriek is er nog wel, maar de vioolstem klinkt grilliger en breekt soms onverwacht af. De muziek wisselt onophoudelijk tussen bijna duivelse virtuoze uitbarstingen, uitgelaten vrolijkheid en duisterder sferen.

Hoewel het Eerste vioolconcert tot 1958 niet werd uitgevoerd, kreeg de muziek toch enige bekendheid. Het eerste deel werkte Bartók om tot het eerste van zijn eveneens sterk contrasterende orkestwerk Twee portretten. En uit tertsen opgebouwde melodieën bleven in Bartóks muziek terugkeren als symbool voor de liefde: onder andere in het ballet De houten prins en in de opera Hertog Blauwbaards burcht.

Hoe een enkel muzikaal thema tegengestelde gedaantes kan aannemen, bewees Robert Schumann al in de ­‘karaktervariaties’ van zijn Davidsbündlertänze en Kreisleriana. Franz Liszt legde er nog een schepje bovenop in zijn driedelige Eine Faust-Symphonie. De buitenste delen representeren de tegenpolen Faust en Mephisto – maar de basis van hun muziek is dezelfde.

‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef’

Iets soortgelijks deed de jonge Béla Bartók in zijn Eerste vioolconcert, dat hij schreef voor de violiste Stefi Geyer (1888-1956) – zij was 19, hij 26, en tot over zijn oren verliefd. Aanvankelijk wilde Bartók een driedelig concert voor haar schrijven, dat zou bestaan uit een reeks karaktervariaties op basis van één enkel ‘liefdesakkoord’ van vier tonen – een septiemakkoord met grote terts, kwint en grote septiem. Gezamenlijk zouden die variaties Geyers portret vormen. Na een hemels ideaalbeeld wilde hij haar schetsen in al haar onstuimigheid en humor. Het slotdeel zou haar van haar afstandelijke en stille kant laten zien.

Pas halverwege het compositieproces stelde Bartók vast dat ‘haar’ stuk tweedelig zou moeten worden: ‘Twee contrasterende schetsen – dat is alles. Ik sta er nu versteld van dat ik die waarheid niet eerder ontdekte’, schreef hij op 21 december 1907. De jeugdliefde hield echter geen stand; Geyer verbrak de relatie. Per brief. Op 8 ­februari 1908 schreef Bartók terug: ‘De partituur van het Vioolconcert was op 5 februari klaar, op de dag waarop jij mijn doodvonnis schreef. Ik heb hem in een lade gestopt. Ik weet niet of ik hem moet vernietigen of daar zal laten liggen, waar hij na mijn dood gevonden kan worden.’ Uiteindelijk stuurde hij Stefi het stuk toch, maar zij zou het nooit in het openbaar spelen. Na haar overlijden bleek de partituur nagelaten aan dirigent Paul Sacher, die in 1958 de première dirigeerde.

Het eerste deel, Andante sostenuto, begint idyllisch licht. Heel geleidelijk wordt een klein contrapuntisch web van tegenstemmen rond­om de solomelodie gesponnen. Slechts zelden wordt de lange vioolmelodie door een orkestraal tussenspel onderbroken. In het coda bereikt de muziek etherische hoogten. De drie tertsen van Geyers liefdesthema vormen ook de basis van het rapsodische Allegro giocoso. Geheel naar Bartóks plan is het karakter van dit deel echter volledig anders. De lyriek is er nog wel, maar de vioolstem klinkt grilliger en breekt soms onverwacht af. De muziek wisselt onophoudelijk tussen bijna duivelse virtuoze uitbarstingen, uitgelaten vrolijkheid en duisterder sferen.

Hoewel het Eerste vioolconcert tot 1958 niet werd uitgevoerd, kreeg de muziek toch enige bekendheid. Het eerste deel werkte Bartók om tot het eerste van zijn eveneens sterk contrasterende orkestwerk Twee portretten. En uit tertsen opgebouwde melodieën bleven in Bartóks muziek terugkeren als symbool voor de liefde: onder andere in het ballet De houten prins en in de opera Hertog Blauwbaards burcht.

door Onno Schoonderwoerd

Gustav Mahler (1860-1911)

Vierde symfonie

door Hugo Bouma

  • Gustav Mahler in 1886

    Gustav Mahler in 1886

  • Gustav Mahler in 1886

    Gustav Mahler in 1886

Der Himmel hängt voller Geigen! Zo begint een gedicht dat ­Gustav Mahler in 1892 op muziek zette; een onschuldige, naïeve beschrijving van het leven na de dood, als ware het door een kind verteld. Het betekent zoveel als: er is geen vuiltje aan de lucht. De tekst komt uit Des Knaben Wunderhorn, een verzameling romantische (en geromantiseerde) volkspoëzie waar Mahler nog vaker uit zou putten. Pas jaren later componeerde hij de rest van zijn Vierde symfonie als het ware achterstevoren, zodat dit lied er als slotdeel achteraan kon passen.

De Vierde is, in lengte en bezetting, de kleinste van Mahlers symfonieën, en de enige die kalm begint in plaats van stormachtig en dramatisch. In het eerste deel toont de componist zich aanvankelijk van zijn meest opgewekte kant, tegen het sentimentele aan. Na twee reprises van de sleebelletjes slaat echter de stemming om: dezelfde naïeve melodieën worden steeds verder gefragmenteerd en gepijnigd, met groteske instrumentatie. En dan klaart plots de hemel weer op, alsof er niets gebeurd is.
In het tweede deel krast magere Hein een dodendans op zijn ontstemde viool. We horen een naargeestig walsje, afgewisseld met meer vredige momen­ten waarin Mahler op het slotdeel vooruitblikt. Echter, ook hierin klinkt een grimmige ondertoon. De laatste keer dat het walsje terugkeert blijft er weinig meer van over, en het deel eindigt met een snauw.

De serene strijkersmuziek aan het begin van het derde deel doet vermoeden dat de hemelpoort toch echt nabij moet zijn. Maar Mahler leidt ons eerst nog langs meer aardse emoties, ingeluid door een klaaglijke hobo. Een tweede poging tot blijmoedige muziek bereikt een hogere top, maar daarna ook een dieper dal. Om hier weer uit te klimmen schroeft Mahler in enkele abrupte stappen het tempo op. Een Weense wals, een geschifte polka, opnieuw ­totale rust. En dan breekt hij met ­pauken en hoorns de hemelpoort open.

Als dan toch de rust definitief terugkeert, is de luisteraar eindelijk genoeg voorbereid om de hemel van het vierde deel te betreden. Alle aardse kwellingen van de voorgaande delen zijn vergeven en vergeten; hierboven is het leven goed. Na elk couplet horen we een kort koraal, hierna keren dan abrupt de sleebelletjes uit deel één terug, als de schrik van een kind dat vervolgens getroost moet worden door verder te vertellen over het hemelse leven. Bij het vierde en laatste couplet horen we dan eindelijk de hemelse muziek waar we de hele symfonie – en ons hele ­leven – op hebben gewacht. Na het laatste woord van het gedicht (‘ontwaakt’) slaapt de muziek langzaam in.

Der Himmel hängt voller Geigen! Zo begint een gedicht dat ­Gustav Mahler in 1892 op muziek zette; een onschuldige, naïeve beschrijving van het leven na de dood, als ware het door een kind verteld. Het betekent zoveel als: er is geen vuiltje aan de lucht. De tekst komt uit Des Knaben Wunderhorn, een verzameling romantische (en geromantiseerde) volkspoëzie waar Mahler nog vaker uit zou putten. Pas jaren later componeerde hij de rest van zijn Vierde symfonie als het ware achterstevoren, zodat dit lied er als slotdeel achteraan kon passen.

De Vierde is, in lengte en bezetting, de kleinste van Mahlers symfonieën, en de enige die kalm begint in plaats van stormachtig en dramatisch. In het eerste deel toont de componist zich aanvankelijk van zijn meest opgewekte kant, tegen het sentimentele aan. Na twee reprises van de sleebelletjes slaat echter de stemming om: dezelfde naïeve melodieën worden steeds verder gefragmenteerd en gepijnigd, met groteske instrumentatie. En dan klaart plots de hemel weer op, alsof er niets gebeurd is.
In het tweede deel krast magere Hein een dodendans op zijn ontstemde viool. We horen een naargeestig walsje, afgewisseld met meer vredige momen­ten waarin Mahler op het slotdeel vooruitblikt. Echter, ook hierin klinkt een grimmige ondertoon. De laatste keer dat het walsje terugkeert blijft er weinig meer van over, en het deel eindigt met een snauw.

De serene strijkersmuziek aan het begin van het derde deel doet vermoeden dat de hemelpoort toch echt nabij moet zijn. Maar Mahler leidt ons eerst nog langs meer aardse emoties, ingeluid door een klaaglijke hobo. Een tweede poging tot blijmoedige muziek bereikt een hogere top, maar daarna ook een dieper dal. Om hier weer uit te klimmen schroeft Mahler in enkele abrupte stappen het tempo op. Een Weense wals, een geschifte polka, opnieuw ­totale rust. En dan breekt hij met ­pauken en hoorns de hemelpoort open.

Als dan toch de rust definitief terugkeert, is de luisteraar eindelijk genoeg voorbereid om de hemel van het vierde deel te betreden. Alle aardse kwellingen van de voorgaande delen zijn vergeven en vergeten; hierboven is het leven goed. Na elk couplet horen we een kort koraal, hierna keren dan abrupt de sleebelletjes uit deel één terug, als de schrik van een kind dat vervolgens getroost moet worden door verder te vertellen over het hemelse leven. Bij het vierde en laatste couplet horen we dan eindelijk de hemelse muziek waar we de hele symfonie – en ons hele ­leven – op hebben gewacht. Na het laatste woord van het gedicht (‘ontwaakt’) slaapt de muziek langzaam in.

door Hugo Bouma

Biografie

Patricia ­Kopatchinskaja, viool

Patricia Kopatchinskaja werd geboren in Moldavië en studeerde aan de Universität für Musik und darstellende Kunst in Wenen. De veelzijdige violiste gebruikt ook regelmatig haar stem, verwerkt theatrale elementen in haar optredens en componeert onder de naam PatKop. Naast solorecitals speelt ze kamermuziek met bijvoorbeeld cellist Nicolas Altstaedt, pianiste Polina Leschenko en gambist Laurence Dreyfus.

Bij zowel Camerata Bern als het SWR Symphonieorchester is ze artistiek partner, en in 2025 was ze artist in residence bij het Klarafestival. Patricia Kopatchinskaja ondernam tournees met het Orchestre Philharmonique du Luxembourg en dirigent Gustavo Gimeno en met de Wiener Symphoniker en music­Aeterna, beide onder leiding van Teodor Currentzis.

Eerder dit seizoen was ze in de Verenigde Staten met de New York Philharmonic en het London Philharmonic Orchestra. Nieuwe muziek noemt ze haar ‘levensader’: ze verzorgt premières van vele hedendaagse componisten en werkte samen met Peter Eötvös, Heinz Holliger, György Kurtág en Esa-Pekka Salonen.

Bij haar Concertgebouworkestdebuut in mei 2019 voerde ze Van der Aa’s dubbelconcert akin uit met celliste Sol Gabetta. Bij haar vorige optreden in de Grote Zaal, op 30 april 2023, speelde Patricia Kopatchinskaja met het Concertgebouworkest Ligeti’s Vioolconcert (inclusief een eigen cadens), dat ze eerder opnam met de Berliner Phiharmoniker. Actueel is haar The Peace Project, dat met muziek van de Barok tot heden reflecteert op eeuwen van existentieel lijden en angst veroorzaakt door oorlog.

Christina Landshamer, sopraan

Christina Landshamer studeerde in haar geboortestad München en in Stuttgart bij Angelica Vogel, Konrad Richter en Dunja Vejzović. Ze debuteerde in 2011 op de Salzburger Festspiele en een jaar later bij De Nationale Opera in Mozarts Die Zauberflöte onder leiding van Marc Albrecht.

Naast rollen in opera’s van Mozart, Puccini en Bizet vertolkt Christina Landshamer graag hedendaagse operapersonages, zoals in de wereldpremière van Hans Zenders Chief Josef bij de Staatsoper Berlin.

Haar carrière concentreert zich echter vooral op oratoria en concertrepertoire. Ze zong met onder meer de Berliner Philharmoniker, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het ­Gewandhausorchester Leipzig, het Tonhalle-Orchester Zürich, het Orchestre de Paris en The Cleveland Orchestra, en werkte samen met dirigenten als Herbert Blomstedt, Kirill Petrenko, Simon Rattle, Alan Gilbert, Manfred Honeck en Gustavo Dudamel.

Liedrecitals geeft de Duitse sopraan met haar vaste ­pianopartner Gerold Huber in gerenommeerde concertzalen en op festivals, zoals de Schube­rtiade Schwarzenberg, de Wigmore Hall in Londen en de Weill Recital Hall van Carnegie Hall in New York. Sinds 2024 doceert ze aan de Hochschule für Musik und darstellende Kunst Stuttgart. In Het Concertgebouw was Christina Landshamer meermaals te gast in de NTR ZaterdagMatinee, en bij het ­Concertgebouworkest soleerde ze in het Requiem van Fauré (2015; Stéphane Denève) en in de ­Matthäus-Passion van Bach (2018; Ton Koopman).

Toronto Symphony Orchestra, orkest

Sinds de oprichting in 1922 speelt het Toronto Symphony Orchestra een belangrijke rol in het ontwikkelen en uitdragen van de Canadese muziekcultuur. De thuisbasis is de Roy Thomson Hall. Met een rijke geschiedenis van concerten en opnames, nationale en internationale tournees en duurzame samenwerkingen wil het orkest zowel lokale als nationale gemeenschappen inspireren en verrijken met ­levendige muzikale ervaringen.

Sinds 2020/2021 is Gustavo Gimeno chef-dirigent van het 93-koppige orkest. Het repertoire omvat zowel klassieke meesterwerken als hedendaagse composities, film- en popmuziek. Van de meer dan 150 opnames zijn er veel bekroond; in 2025 won het album Messiaen. Turangalîla-­Symphonie, onder leiding van Gustavo Gimeno, de JUNO Award voor Classical Album of the Year (Large Ensemble).

Het Toronto Symphony Orchestra betrekt jong en oud bij uiteenlopende initiatieven op het gebied van educatie, welzijn en toegankelijkheid, waaronder het Toronto Symphony Youth Orchestra, een gratis opleidingsprogramma dat zich richt op het ontwikkelen van de volgende generatie Canadese musici. Hoogtepunt van het lopende seizoen is de ­huidige ­Europese tournee, die ook Madrid, Zaragoza, ­Barcelona, Luxemburg, ­Hamburg, Antwerpen en Wenen aandoet.

In Het Concertgebouw was het Toronto ­Symphony Orchestra één keer eerder te gast, in de zomerprogrammering van 2014 onder leiding van Peter Oundjian met violist James Ehnes. A­ir Canada is de officiële a­irline voor de huidige Europese tournee.

Gustavo Gimeno, dirigent

Gustavo Gimeno is chef-dirigent van het Toronto Symphony Orchestra (sinds 2020) en het Teatro Real in Madrid (sinds oktober 2025), en van 2015 tot 2025 was hij chef-dirigent van het Orchestre Philharmonique du Luxembourg. Tussen 2001 en 2013 was Gustavo Gimeno solo­slagwerker van het Concertgebouworkest. Orkestdirectie studeerde hij aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij lessen en masterclasses volgde bij Ed Spanjaard, Hans Vonk en Iván Fischer.

Hij assisteerde Claudio Abbado bij het Orchestra Mozart, het Lucerne Festival Orchestra en het Mahler Chamber Orchestra, Bernard Haitink bij het Orchestra Mozart en Mariss Jansons bij het Concertgebouworkest. Toen hij in februari 2014 lastminute voor Mariss Jansons inviel, leidde dat tot een stroomversnelling in zijn dirigentencarrière: in mei viel hij in voor Lorin Maazel bij de Münchner Philharmoniker en vervolgens leidde hij onder meer het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Gewandhausorchester Leipzig, het London Philharmonic Orchestra, de Los Angeles Philharmonic, The Cleveland Orchestra en de symfonieorkesten van Boston en Chicago.

Als operadirigent behaalde hij successen met Verdi’s Aida in Barcelona, Verdi’s Rigoletto in Zürich en Bellini’s Norma in zijn geboorteplaats Valencia. In 2025 ontving hij de ­Spaanse onderscheiding Commandeur in de Orde van Burgerlijke Verdienste. Bij het Concertgebouworkest wordt Gustavo Gimeno sinds zijn debuut op de bok regelmatig teruggevraagd, meest recent met onder meer Stravinsky’s Le Sacre du printemps en Murphy’s Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark in maart 2024.