Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
luistergids

Mahler: Tweede symfonie

door Christiane Schima
27 apr. 2020 27 april 2020

Deze maand publiceren we een Mahler-luistergids: historisch mooie opnamen van alle Mahler-symfonieën. Bij iedere symfonie schreef een van onze auteurs een toelichting. Dit is de toelichting op Mahlers Tweede symfonie, een werk voor gigantisch orkest, inclusief ‘Fernorchester’, apocalyptische trompetten, orgel, zang en koor.

Zijn grote thema’s en vondsten en het inzetten van koren en vocale solisten, alles wat hem als symfonicus kenmerkt, heeft Gustav Mahler voor het eerst samengebracht en uitgewerkt in zijn Tweede symfonie in c klein, ‘Auferstehung’. Net als in Ludwig van Beethovens Negende symfonie laat de menselijke stem zich hier in een symfonie horen.

Vanaf nu zou de verbinding van symfonie en lied typerend voor deze laatromanticus blijven. Zijn ‘Auferstehungs-symfonie’ is een appèl aan de mensheid en een grote stap in de richting van zijn Achtste symfonie, de ‘Symphonie der Tausend’. Een gigantisch orkest, inclusief een ‘Fernorchester’ in het laatste deel, apocalyptische trompetten, orgel, klokken, zangsolisten en een groot koor verkondigen Mahlers metafysische en religieus getinte boodschap.

‘Der Mensch liegt in tiefster Not!’ Maar een vast geloof en de liefde kunnen hem verlossen, hij zal uiteindelijk herrijzen en het eeuwige leven ontvangen. Wanneer na het angstaanjagende Laatste Oordeel het koor zijn intrede doet en de muziek in jubel uitbreekt, heeft Mahler het hele leven omarmd. Bij de première in 1895 in Berlijn schaamde het publiek zich niet voor zijn tranen, aldus een krantenbericht. Anders dan zo vaak bij Mahler is het paradijs niet louter een illusie. Zijn Tweede symfonie is een ontstellende oproep aan de mensheid, een met religieuze symboliek doordrenkte utopie van een verloste wereld.

In het donkere en dramatische eerste deel Allegro maestoso wordt een dode ten grave gedragen. ­Marsritmes en trommelslagen onderstrepen het onontkoombare menselijke noodlot, roepen het beeld van de dood op. Daarentegen geeft de componist zich in het zonnige met volksachtige Ländler-motieven doorspekte tweede deel Andante moderato over aan nostalgische herinneringen. Maar de zonnige stemming is in het daaropvolgende deel plots vervlogen.

Mahler over dit spookachtige deel in een brief aan een Berlijnse recensent: ‘Wanneer u dan uit deze droom wakker wordt en naar het verwarrende leven terugkeert, dan kan het gebeuren dat u van dit nooit tot rust komende en in zijn drukte nooit begrijpelijke afgrijselijke leven walgt... – een afgrijselijk spookbeeld, waaruit u met een kreet van afschuw opschrikt.’

Op dit spookbeeld volgt in het vierde deel ‘Urlicht’ de rouw. Nu verheft zich een menselijke stem, een diepe vrouwenstem neemt het woord. De tekst is afkomstig uit de volksgedichtenbundel Des Knaben Wunderhorn: ‘O Röschen rot. Der Mensch liegt in tiefster Not!’ Een aangrijpend deel dat op het woord ‘ewig’ wegsterft.

Wat vervolgens in het slotdeel met monumentaal instrumentaal geweld binnenbreekt is het visioen van het Laatste Oordeel. Met pauken, orgel en veel koper laat Mahler de aarde beven. De componist: ‘Het einde van al het levende is gekomen (…) De doden staan op en vormen een eindeloze rouwstoet. Allen, groot en klein, koningen en bedelaars, de rechtvaardigen en de goddelozen – willen daarheen (…) De trompetten van de apocalyps roepen...’

Wanneer het tumult plotseling ophoudt, treedt een grote stilte in. Een fluit – voor Mahler een ‘nachtegaal’ – doorbreekt de stilte, uit de verte klinkend bazuingeschal en offstage geplaatste slagwerkinstrumenten bereiden de apotheose voor. Zachtjes en ‘misterioso’ klinken in het koor de vrome, op een geestelijk lied van Friedrich Gottlob Klopstock (1724-1803) gebaseerde woorden: ‘Aufersteh’n, ja ­aufersteh’n wirst du, mein Staub nach kurzer Ruh’.

Sopraan en alt solo stijgen er als jube­lende engelen boven uit. Vanaf de altsolo (‘O glaube, mein Herz, o glaube, es geht dir nichts verloren!’) is de tekst afkomstig van Mahler zelf. De bescheiden vroomheid van Klopstock verandert bij Mahler in een visionaire heilsverwachting. De componist: ‘Er is geen oordeel, er is geen zondaar, geen rechtvaardige, groot noch klein, er is geen straf en geen loon.

Een almachtig liefdesgevoel doordringt ons met een gezegend Weten en Zijn.’ Wanneer de muziek aanzwelt (‘Sterben werd ich um zu leben!’) nadert de symfonie haar hoogtepunt. Reusachtig en torenhoog stapelen de koor- en orkestklanken zich op totdat het triomfantelijke einde bereikt is: ‘Was du geschlagen, zu Gott wird es dich tragen!’

Gustav Mahler

Voor de Weense Hofopera, 1907

Gustav Mahler

Voor de Weense Hofopera, 1907

Gustav Mahler

Voor de Weense Hofopera, 1907

Gustav Mahler

Voor de Weense Hofopera, 1907

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.