Klaus Mäkelä & Orchestre de Paris: Rachmaninoff & Franck
Grote Zaal 18 maart 2026 20.15 uur
Orchestre de Paris
Klaus Mäkelä dirigent
Anna Vinnitskaya piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Lees ook:
- Klaus Mäkelä over zijn vier orkesten (februari 2025)
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Pianoconcert nr. 2 in c kl.t., op. 18 (1900-01)
Moderato
Adagio sostenuto
Allegro scherzando
pauze ± 20.50 uur
César Franck (1822-1890)
Symfonie in d kl.t. (1886-88)
Lento – Allegro ma non troppo
Allegretto
Allegretto non troppo
einde ± 22.00 uur
Met dank aan het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Orchestre de Paris
Klaus Mäkelä dirigent
Anna Vinnitskaya piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Lees ook:
- Klaus Mäkelä over zijn vier orkesten (februari 2025)
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Pianoconcert nr. 2 in c kl.t., op. 18 (1900-01)
Moderato
Adagio sostenuto
Allegro scherzando
pauze ± 20.50 uur
César Franck (1822-1890)
Symfonie in d kl.t. (1886-88)
Lento – Allegro ma non troppo
Allegretto
Allegretto non troppo
einde ± 22.00 uur
Met dank aan het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Toelichting
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Tweede pianoconcert
Alsof tijdens het componeren de vingers zelfstandig op zoek zijn gegaan naar de juiste toetsen. Zo natuurlijk, instrumentaal geconcipieerd is de pianomuziek van Serge Rachmaninoff. Hij schreef naar verluidt vrijwel al zijn muziek terwijl hij aan het klavier zat. Wat verwacht men anders van iemand die ook tot de grootste pianisten van zijn tijd behoorde? Opvallende elementen van zijn rijke en subtiele schrijfwijze zijn in het Tweede pianoconcert in c klein in overvloed te vinden, vooral in decoratieve passages waar chromatische lijnen, contrapuntische details en krioelende toonladderfiguren melodieën omgeven die oprijzen als machtige, door de wind voortgedreven schepen. Want melodieën schrijven, dat kon Rachmaninoff als weinig anderen. Na de acht herhaalde, in sterkte toenemende, mysterieuze beginakkoorden, klinkend als de klokken van een eeuwenoude kathedraal, verheft zich zo’n fraai gewelfde melodie waaraan maar geen einde lijkt te komen, meer dan veertig maten lang. Het is een talent dat Rachmaninoff gemeen had met Pjotr Tsjaikovski, van wie hij veel geleerd heeft. Wanneer het laatste deel zijn apotheose nadert, rijst weer zo’n melodie op, nog grandiozer dan dat eerste thema van het openingsdeel. De componist werd daarmee op slag wereldberoemd, zeker nadat ook de filmindustrie er zich van meester had gemaakt.
Alsof tijdens het componeren de vingers zelfstandig op zoek zijn gegaan naar de juiste toetsen. Zo natuurlijk, instrumentaal geconcipieerd is de pianomuziek van Serge Rachmaninoff. Hij schreef naar verluidt vrijwel al zijn muziek terwijl hij aan het klavier zat. Wat verwacht men anders van iemand die ook tot de grootste pianisten van zijn tijd behoorde? Opvallende elementen van zijn rijke en subtiele schrijfwijze zijn in het Tweede pianoconcert in c klein in overvloed te vinden, vooral in decoratieve passages waar chromatische lijnen, contrapuntische details en krioelende toonladderfiguren melodieën omgeven die oprijzen als machtige, door de wind voortgedreven schepen. Want melodieën schrijven, dat kon Rachmaninoff als weinig anderen. Na de acht herhaalde, in sterkte toenemende, mysterieuze beginakkoorden, klinkend als de klokken van een eeuwenoude kathedraal, verheft zich zo’n fraai gewelfde melodie waaraan maar geen einde lijkt te komen, meer dan veertig maten lang. Het is een talent dat Rachmaninoff gemeen had met Pjotr Tsjaikovski, van wie hij veel geleerd heeft. Wanneer het laatste deel zijn apotheose nadert, rijst weer zo’n melodie op, nog grandiozer dan dat eerste thema van het openingsdeel. De componist werd daarmee op slag wereldberoemd, zeker nadat ook de filmindustrie er zich van meester had gemaakt.
Al die aantrekkelijke, rijk geornamenteerde melodieën kwamen de maker allesbehalve aanwaaien. Componeren ging bij Rachmaninoff gepaard met veel twijfels en wanhoop. De schok als gevolg van zijn weggehoonde Eerste symfonie (1895) kon hij slechts dankzij langdurige psychiatrische behandeling te boven komen. Het Eerste pianoconcert (1890-91) was wel een succes, maar de componist was er zelf zo ontevreden over dat hij de partituur vele jaren later grondig reviseerde. Ook nummer twee kent een problematische voorgeschiedenis. In 1900 ontstonden het tweede en derde deel, en pas nadat die in het openbaar waren uitgevoerd durfde Rachmaninoff een jaar later het openingsdeel eraan toe te voegen. De triomfantelijke première betekende een keerpunt in zijn carrière.
De uiteenlopende kanten van Rachmaninoff als componist komen hier duidelijk naar voren. Enerzijds in de gloed en de virtuositeit van de snelle delen, met martiale motieven tegenover breed uitwaaierende melodieën. Aan de andere kant is er het introverte Adagio sostenuto met rustig om hun as draaiende, Bach-achtige passages waarvan het zwevende effect het gevolg is van steeds verschuivende, de maatsoort verhullende accenten. Dit alles gedrenkt in de nostalgie die inherent is aan Rachmaninoff. In 1918, na de Russische Revolutie, week hij uit naar de Verenigde Staten, waar hij altijd een buitenstaander zou blijven.
Al die aantrekkelijke, rijk geornamenteerde melodieën kwamen de maker allesbehalve aanwaaien. Componeren ging bij Rachmaninoff gepaard met veel twijfels en wanhoop. De schok als gevolg van zijn weggehoonde Eerste symfonie (1895) kon hij slechts dankzij langdurige psychiatrische behandeling te boven komen. Het Eerste pianoconcert (1890-91) was wel een succes, maar de componist was er zelf zo ontevreden over dat hij de partituur vele jaren later grondig reviseerde. Ook nummer twee kent een problematische voorgeschiedenis. In 1900 ontstonden het tweede en derde deel, en pas nadat die in het openbaar waren uitgevoerd durfde Rachmaninoff een jaar later het openingsdeel eraan toe te voegen. De triomfantelijke première betekende een keerpunt in zijn carrière.
De uiteenlopende kanten van Rachmaninoff als componist komen hier duidelijk naar voren. Enerzijds in de gloed en de virtuositeit van de snelle delen, met martiale motieven tegenover breed uitwaaierende melodieën. Aan de andere kant is er het introverte Adagio sostenuto met rustig om hun as draaiende, Bach-achtige passages waarvan het zwevende effect het gevolg is van steeds verschuivende, de maatsoort verhullende accenten. Dit alles gedrenkt in de nostalgie die inherent is aan Rachmaninoff. In 1918, na de Russische Revolutie, week hij uit naar de Verenigde Staten, waar hij altijd een buitenstaander zou blijven.
César Franck (1822-1890)
Symfonie
Als Luikenaar was en bleef César Franck een relatieve buitenstaander in Parijs, zelfs al was hij sinds 1871 officieel Fransman, omdat hij anders aan het Conservatoire geen orgelles mocht geven. Toen aan het eind van zijn leven zijn Symfonie in d klein het licht zag, weigerde de beroemde dirigent Charles Lamoureux die domweg op het programma te zetten.
Franck bracht in zijn enige symfonie twee werelden samen, die van Wagner en van Berlioz
De oude componist moest het met het Parijse conservatoriumorkest doen, en ook daar was het gemopper niet van de lucht. Symfonieën schrijven deed men niet in Frankrijk, vond men, zeker na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. Juist in zijn symfonie bracht Franck echter de twee werelden samen: de wagneriaanse, met zijn lange melodieën, rijke instrumentatie en dubbelzinnige harmonieën, en Berlioz’ idée fixe: een motief dat steeds in andere contexten terugkeert. Alleen vond dat idee dit keer dus niet zijn weg in een verhalende symfonische vorm, zoals in Berlioz’ Symphonie fantastique of Harold en Italie, maar in een abstracte compositie: een niet-programmatische symfonie.
Als Luikenaar was en bleef César Franck een relatieve buitenstaander in Parijs, zelfs al was hij sinds 1871 officieel Fransman, omdat hij anders aan het Conservatoire geen orgelles mocht geven. Toen aan het eind van zijn leven zijn Symfonie in d klein het licht zag, weigerde de beroemde dirigent Charles Lamoureux die domweg op het programma te zetten.
Franck bracht in zijn enige symfonie twee werelden samen, die van Wagner en van Berlioz
De oude componist moest het met het Parijse conservatoriumorkest doen, en ook daar was het gemopper niet van de lucht. Symfonieën schrijven deed men niet in Frankrijk, vond men, zeker na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. Juist in zijn symfonie bracht Franck echter de twee werelden samen: de wagneriaanse, met zijn lange melodieën, rijke instrumentatie en dubbelzinnige harmonieën, en Berlioz’ idée fixe: een motief dat steeds in andere contexten terugkeert. Alleen vond dat idee dit keer dus niet zijn weg in een verhalende symfonische vorm, zoals in Berlioz’ Symphonie fantastique of Harold en Italie, maar in een abstracte compositie: een niet-programmatische symfonie.
Francks enige symfonie suggereert een continue metamorfose. Het openingsmotief, zachtjes in cello’s en contrabassen en fortissimo herhaald in de finale, vormt de loot waar de hele symfonie uit ontspruit. Op zijn beurt lijkt het motief te zijn voortgekomen uit Franz Liszts meest geslaagde symfonische gedicht, Les Préludes, en het tweede deel van Francks eigen Pièce symphonique voor orgel. Steeds in iets gewijzigde gedaante, en voortdurend in een andere omgeving, duikt het motief op; als basis voor het tweede thema bijvoorbeeld. Het lange openingsdeel in d klein en de finale in D groot vormen elkaars tegenpolen. Franck lardeert het robuuste Allegro non troppo met duistere, dikwijls wagneriaanse chromatiek, voortkomend uit de langzame inleiding. Prachtige meerstemmigheid – inclusief een langzaam fugato – en lang liggende bastonen lijken Francks orgelervaring te verraden. Tussen beide delen in: een versmelting van een zangerig langzaam deel en een lichtvoetige scherzobeweging. Opgewektere, opgeruimdere muziek dan deze finale heeft Franck eigenlijk niet geschreven. De reis ‘per aspera ad astra’ (door tegenspoed naar de sterren) werd zelden zo mooi verteld.
Francks enige symfonie suggereert een continue metamorfose. Het openingsmotief, zachtjes in cello’s en contrabassen en fortissimo herhaald in de finale, vormt de loot waar de hele symfonie uit ontspruit. Op zijn beurt lijkt het motief te zijn voortgekomen uit Franz Liszts meest geslaagde symfonische gedicht, Les Préludes, en het tweede deel van Francks eigen Pièce symphonique voor orgel. Steeds in iets gewijzigde gedaante, en voortdurend in een andere omgeving, duikt het motief op; als basis voor het tweede thema bijvoorbeeld. Het lange openingsdeel in d klein en de finale in D groot vormen elkaars tegenpolen. Franck lardeert het robuuste Allegro non troppo met duistere, dikwijls wagneriaanse chromatiek, voortkomend uit de langzame inleiding. Prachtige meerstemmigheid – inclusief een langzaam fugato – en lang liggende bastonen lijken Francks orgelervaring te verraden. Tussen beide delen in: een versmelting van een zangerig langzaam deel en een lichtvoetige scherzobeweging. Opgewektere, opgeruimdere muziek dan deze finale heeft Franck eigenlijk niet geschreven. De reis ‘per aspera ad astra’ (door tegenspoed naar de sterren) werd zelden zo mooi verteld.
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Tweede pianoconcert
Alsof tijdens het componeren de vingers zelfstandig op zoek zijn gegaan naar de juiste toetsen. Zo natuurlijk, instrumentaal geconcipieerd is de pianomuziek van Serge Rachmaninoff. Hij schreef naar verluidt vrijwel al zijn muziek terwijl hij aan het klavier zat. Wat verwacht men anders van iemand die ook tot de grootste pianisten van zijn tijd behoorde? Opvallende elementen van zijn rijke en subtiele schrijfwijze zijn in het Tweede pianoconcert in c klein in overvloed te vinden, vooral in decoratieve passages waar chromatische lijnen, contrapuntische details en krioelende toonladderfiguren melodieën omgeven die oprijzen als machtige, door de wind voortgedreven schepen. Want melodieën schrijven, dat kon Rachmaninoff als weinig anderen. Na de acht herhaalde, in sterkte toenemende, mysterieuze beginakkoorden, klinkend als de klokken van een eeuwenoude kathedraal, verheft zich zo’n fraai gewelfde melodie waaraan maar geen einde lijkt te komen, meer dan veertig maten lang. Het is een talent dat Rachmaninoff gemeen had met Pjotr Tsjaikovski, van wie hij veel geleerd heeft. Wanneer het laatste deel zijn apotheose nadert, rijst weer zo’n melodie op, nog grandiozer dan dat eerste thema van het openingsdeel. De componist werd daarmee op slag wereldberoemd, zeker nadat ook de filmindustrie er zich van meester had gemaakt.
Alsof tijdens het componeren de vingers zelfstandig op zoek zijn gegaan naar de juiste toetsen. Zo natuurlijk, instrumentaal geconcipieerd is de pianomuziek van Serge Rachmaninoff. Hij schreef naar verluidt vrijwel al zijn muziek terwijl hij aan het klavier zat. Wat verwacht men anders van iemand die ook tot de grootste pianisten van zijn tijd behoorde? Opvallende elementen van zijn rijke en subtiele schrijfwijze zijn in het Tweede pianoconcert in c klein in overvloed te vinden, vooral in decoratieve passages waar chromatische lijnen, contrapuntische details en krioelende toonladderfiguren melodieën omgeven die oprijzen als machtige, door de wind voortgedreven schepen. Want melodieën schrijven, dat kon Rachmaninoff als weinig anderen. Na de acht herhaalde, in sterkte toenemende, mysterieuze beginakkoorden, klinkend als de klokken van een eeuwenoude kathedraal, verheft zich zo’n fraai gewelfde melodie waaraan maar geen einde lijkt te komen, meer dan veertig maten lang. Het is een talent dat Rachmaninoff gemeen had met Pjotr Tsjaikovski, van wie hij veel geleerd heeft. Wanneer het laatste deel zijn apotheose nadert, rijst weer zo’n melodie op, nog grandiozer dan dat eerste thema van het openingsdeel. De componist werd daarmee op slag wereldberoemd, zeker nadat ook de filmindustrie er zich van meester had gemaakt.
Al die aantrekkelijke, rijk geornamenteerde melodieën kwamen de maker allesbehalve aanwaaien. Componeren ging bij Rachmaninoff gepaard met veel twijfels en wanhoop. De schok als gevolg van zijn weggehoonde Eerste symfonie (1895) kon hij slechts dankzij langdurige psychiatrische behandeling te boven komen. Het Eerste pianoconcert (1890-91) was wel een succes, maar de componist was er zelf zo ontevreden over dat hij de partituur vele jaren later grondig reviseerde. Ook nummer twee kent een problematische voorgeschiedenis. In 1900 ontstonden het tweede en derde deel, en pas nadat die in het openbaar waren uitgevoerd durfde Rachmaninoff een jaar later het openingsdeel eraan toe te voegen. De triomfantelijke première betekende een keerpunt in zijn carrière.
De uiteenlopende kanten van Rachmaninoff als componist komen hier duidelijk naar voren. Enerzijds in de gloed en de virtuositeit van de snelle delen, met martiale motieven tegenover breed uitwaaierende melodieën. Aan de andere kant is er het introverte Adagio sostenuto met rustig om hun as draaiende, Bach-achtige passages waarvan het zwevende effect het gevolg is van steeds verschuivende, de maatsoort verhullende accenten. Dit alles gedrenkt in de nostalgie die inherent is aan Rachmaninoff. In 1918, na de Russische Revolutie, week hij uit naar de Verenigde Staten, waar hij altijd een buitenstaander zou blijven.
Al die aantrekkelijke, rijk geornamenteerde melodieën kwamen de maker allesbehalve aanwaaien. Componeren ging bij Rachmaninoff gepaard met veel twijfels en wanhoop. De schok als gevolg van zijn weggehoonde Eerste symfonie (1895) kon hij slechts dankzij langdurige psychiatrische behandeling te boven komen. Het Eerste pianoconcert (1890-91) was wel een succes, maar de componist was er zelf zo ontevreden over dat hij de partituur vele jaren later grondig reviseerde. Ook nummer twee kent een problematische voorgeschiedenis. In 1900 ontstonden het tweede en derde deel, en pas nadat die in het openbaar waren uitgevoerd durfde Rachmaninoff een jaar later het openingsdeel eraan toe te voegen. De triomfantelijke première betekende een keerpunt in zijn carrière.
De uiteenlopende kanten van Rachmaninoff als componist komen hier duidelijk naar voren. Enerzijds in de gloed en de virtuositeit van de snelle delen, met martiale motieven tegenover breed uitwaaierende melodieën. Aan de andere kant is er het introverte Adagio sostenuto met rustig om hun as draaiende, Bach-achtige passages waarvan het zwevende effect het gevolg is van steeds verschuivende, de maatsoort verhullende accenten. Dit alles gedrenkt in de nostalgie die inherent is aan Rachmaninoff. In 1918, na de Russische Revolutie, week hij uit naar de Verenigde Staten, waar hij altijd een buitenstaander zou blijven.
César Franck (1822-1890)
Symfonie
Als Luikenaar was en bleef César Franck een relatieve buitenstaander in Parijs, zelfs al was hij sinds 1871 officieel Fransman, omdat hij anders aan het Conservatoire geen orgelles mocht geven. Toen aan het eind van zijn leven zijn Symfonie in d klein het licht zag, weigerde de beroemde dirigent Charles Lamoureux die domweg op het programma te zetten.
Franck bracht in zijn enige symfonie twee werelden samen, die van Wagner en van Berlioz
De oude componist moest het met het Parijse conservatoriumorkest doen, en ook daar was het gemopper niet van de lucht. Symfonieën schrijven deed men niet in Frankrijk, vond men, zeker na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. Juist in zijn symfonie bracht Franck echter de twee werelden samen: de wagneriaanse, met zijn lange melodieën, rijke instrumentatie en dubbelzinnige harmonieën, en Berlioz’ idée fixe: een motief dat steeds in andere contexten terugkeert. Alleen vond dat idee dit keer dus niet zijn weg in een verhalende symfonische vorm, zoals in Berlioz’ Symphonie fantastique of Harold en Italie, maar in een abstracte compositie: een niet-programmatische symfonie.
Als Luikenaar was en bleef César Franck een relatieve buitenstaander in Parijs, zelfs al was hij sinds 1871 officieel Fransman, omdat hij anders aan het Conservatoire geen orgelles mocht geven. Toen aan het eind van zijn leven zijn Symfonie in d klein het licht zag, weigerde de beroemde dirigent Charles Lamoureux die domweg op het programma te zetten.
Franck bracht in zijn enige symfonie twee werelden samen, die van Wagner en van Berlioz
De oude componist moest het met het Parijse conservatoriumorkest doen, en ook daar was het gemopper niet van de lucht. Symfonieën schrijven deed men niet in Frankrijk, vond men, zeker na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. Juist in zijn symfonie bracht Franck echter de twee werelden samen: de wagneriaanse, met zijn lange melodieën, rijke instrumentatie en dubbelzinnige harmonieën, en Berlioz’ idée fixe: een motief dat steeds in andere contexten terugkeert. Alleen vond dat idee dit keer dus niet zijn weg in een verhalende symfonische vorm, zoals in Berlioz’ Symphonie fantastique of Harold en Italie, maar in een abstracte compositie: een niet-programmatische symfonie.
Francks enige symfonie suggereert een continue metamorfose. Het openingsmotief, zachtjes in cello’s en contrabassen en fortissimo herhaald in de finale, vormt de loot waar de hele symfonie uit ontspruit. Op zijn beurt lijkt het motief te zijn voortgekomen uit Franz Liszts meest geslaagde symfonische gedicht, Les Préludes, en het tweede deel van Francks eigen Pièce symphonique voor orgel. Steeds in iets gewijzigde gedaante, en voortdurend in een andere omgeving, duikt het motief op; als basis voor het tweede thema bijvoorbeeld. Het lange openingsdeel in d klein en de finale in D groot vormen elkaars tegenpolen. Franck lardeert het robuuste Allegro non troppo met duistere, dikwijls wagneriaanse chromatiek, voortkomend uit de langzame inleiding. Prachtige meerstemmigheid – inclusief een langzaam fugato – en lang liggende bastonen lijken Francks orgelervaring te verraden. Tussen beide delen in: een versmelting van een zangerig langzaam deel en een lichtvoetige scherzobeweging. Opgewektere, opgeruimdere muziek dan deze finale heeft Franck eigenlijk niet geschreven. De reis ‘per aspera ad astra’ (door tegenspoed naar de sterren) werd zelden zo mooi verteld.
Francks enige symfonie suggereert een continue metamorfose. Het openingsmotief, zachtjes in cello’s en contrabassen en fortissimo herhaald in de finale, vormt de loot waar de hele symfonie uit ontspruit. Op zijn beurt lijkt het motief te zijn voortgekomen uit Franz Liszts meest geslaagde symfonische gedicht, Les Préludes, en het tweede deel van Francks eigen Pièce symphonique voor orgel. Steeds in iets gewijzigde gedaante, en voortdurend in een andere omgeving, duikt het motief op; als basis voor het tweede thema bijvoorbeeld. Het lange openingsdeel in d klein en de finale in D groot vormen elkaars tegenpolen. Franck lardeert het robuuste Allegro non troppo met duistere, dikwijls wagneriaanse chromatiek, voortkomend uit de langzame inleiding. Prachtige meerstemmigheid – inclusief een langzaam fugato – en lang liggende bastonen lijken Francks orgelervaring te verraden. Tussen beide delen in: een versmelting van een zangerig langzaam deel en een lichtvoetige scherzobeweging. Opgewektere, opgeruimdere muziek dan deze finale heeft Franck eigenlijk niet geschreven. De reis ‘per aspera ad astra’ (door tegenspoed naar de sterren) werd zelden zo mooi verteld.
Biografie
Orchestre de Paris, orkest
Het Orchestre de Paris, huisorkest van de Philharmonie de Paris, was pas drie keer eerder in Het Concertgebouw te gast.
In maart 2007 bracht het met toenmalig chef-dirigent Christoph Eschenbach Berlioz’ Symphonie fantastique en Beethovens Vioolconcert met solist Frank Peter Zimmermann, op 7 maart 2023 leidde de huidige chef-dirigent Klaus Mäkelä de Symphonie fantastique en het Vioolconcert van Sibelius met Janine Jansen, en op 4 maart 2025 dirigeerde Klaus Mäkelä een programma met Ravel, Stravinsky en Moesorgski.
Het orkest kwam in 1967 voort uit de in 1828 opgerichte Société des Concerts du Conservatoire. Op het inauguratieconcert van 14 november 1967 in het Théâtre des Champs-Elysées stond onder andere Berlioz’ Symphonie fantastique op de lessenaars. De eerste muzikaal leider was Charles Munch, en tot het aantreden van Klaus Mäkelä in 2022 bekleedden Herbert von Karajan, Georg Solti, Daniel Barenboim, Semyon Bychkov, Christoph von Dohnányi, Christoph Eschenbach, Paavo Järvi en Daniel Harding die positie.
Met ingang van september 2027 wordt Esa-Pekka Salonen de nieuwe chef-dirigent. Sinds de eerste tournees naar de Sovjet-Unie en Noord-Amerika in 1967-68 en naar Japan in 1970 is het Orchestre de Paris met regelmaat te gast op de grote internationale podia. Op het Festival d’Aix-en-Provence debuteerde het al in 1968, en op de Salzburger Festspiele in 1969. De eerste tournee naar China was in 2004. Sinds de opening van de Philharmonie de Paris in januari 2015 is het Orchestre de Paris van die zaal de hoofdbespeler.
Voor zijn discografie won het gezelschap in 2013 een Grammy Award (Elektra van Richard Strauss onder leiding van Esa-Pekka Salonen). De meest recente release met Klaus Mäkelä, uit najaar 2025, bevat La Valse van Ravel en de Symphonie fantastique van Berlioz.
Klaus Mäkelä, dirigent
Klaus Mäkelä is chef-dirigent van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.
Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de dirigent met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.
Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.
Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en cello bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.
Anna Vinnitskaya, piano
In 2007 gaf de eerste prijs van de Koningin Elisabethwedstrijd een krachtige impuls aan Anna Vinnitskaya’s internationale carrière. Haar optredens met toonaangevende orkesten als de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Dresden, de Münchner Philharmoniker, het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Orchestre Philharmonique de Radio France en het Boston Symphony Orchestra zijn met veel enthousiasme ontvangen.
Met haar cd-opnames won ze onder meer de Diapason d’Or en werd ze Gramophone Editor’s Choice. De Russische pianiste voert in het huidige seizoen Rachmaninoffs pianoconcerten uit met het Orchestre de Paris met Klaus Mäkelä, het London Philharmonic Orchestra met Vladimir Jurowski en het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin met Eva Ollikainen.
Met het Berner Symphonie-Orchester speelt ze alle vier pianoconcerten van Rachmaninoff op twee opeenvolgende avonden. Daarnaast vertolkt zij Ravels Pianoconcert voor de linkerhand tijdens het 125-jarig jubileum van de Wiener Symphoniker, gevolgd door een internationale tournee.
De pianiste geeft dit seizoen ook recitals in onder meer Bordeaux, Tokio, Parijs, Luxemburg, Madrid en Hamburg. Anna Vinnitskaya studeerde bij Evgeni Koroliov aan de Hochschule für Musik und Theater Hamburg, waar ze sinds 2009 zelf les geeft. Haar Concertgebouwdebuut vond plaats in september 2022 met het Nederlands Philharmonisch Orkest, in het Eerste pianoconcert van Tsjaikovski.