Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Klaus Mäkelä leidt Bruckner bij het Concertgebouworkest

Klaus Mäkelä leidt Bruckner bij het Concertgebouworkest

Grote Zaal
04 februari 2026
20.15 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent

Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag en B donderdag.

Ook interessant:
- De cellokoffer van Klaus Mäkelä
- Bruckner: van miskenning naar aanzien
- Bruckner in facts & figures

ANTON BRUCKNER (1824-1896)

Symfonie nr. 8 in c kl.t. (1884-87, revisie 1890, editie Nowak)
Allegro moderato 
Scherzo: Allegro moderato 
Adagio: Feierlich langsam, doch nicht schleppend 
Finale: Feierlich, nicht schnell 

er is geen pauze
einde ± 21.30 uur

 

Grote Zaal 04 februari 2026 20.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent

Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag en B donderdag.

Ook interessant:
- De cellokoffer van Klaus Mäkelä
- Bruckner: van miskenning naar aanzien
- Bruckner in facts & figures

ANTON BRUCKNER (1824-1896)

Symfonie nr. 8 in c kl.t. (1884-87, revisie 1890, editie Nowak)
Allegro moderato 
Scherzo: Allegro moderato 
Adagio: Feierlich langsam, doch nicht schleppend 
Finale: Feierlich, nicht schnell 

er is geen pauze
einde ± 21.30 uur

 

Toelichting

Anton Brucker (1824-1896)

Achtste symfonie

door Aad van der Ven

Aan vijanden had Anton Bruckner geen gebrek. Geen persoonlijke vijanden weliswaar, want hij was de bescheidenheid en onderdanigheid zelve. Maar hij had de pech in Wenen, zonder dat hij daar iets aan kon doen, tot het kamp van de wagnerianen te behoren. Zijn tegenstanders werden aangevoerd door Eduard Hanslick, de beruchte muziek­criticus, die door Richard Wagner belachelijk was gemaakt in de figuur van Beckmesser (‘immer besser’) in Die Meistersinger von Nürnberg. Hanslick was een formalist pur sang, die zich te weer stelde tegen iedereen die in zijn ogen een loopje nam met de traditionele vormen. Johannes Brahms was dan ook zijn grote voorbeeld, Wagner zijn schrikbeeld. En in Bruckner hoorde Hanslick meer Wagner dan Brahms.

Anton Bruckner had echter nog meer last van zijn vrienden dan van zijn vijanden. Altijd wisten zij het beter, die goedbedoelende, betuttelende vrienden met hun eeuwige adviezen. Zij zagen in Bruckner wel iets geniaals, maar vonden hem buitengewoon onhandig. Regelmatig werd de componist op het hart gedrukt iets aan zijn partituren te veranderen. Een raad die Bruckner vaak opvolgde, met ingrijpende gevolgen. Goed dat hij zich wél begrepen voelde door een kleine kring van intimi. Tot die groep rekende hij de dirigent Hermann Levi, die hij eens ‘mein künst­lerischer Vater’ noemde. Maar ook die zou de componist ernstig teleurstellen.

Aan vijanden had Anton Bruckner geen gebrek. Geen persoonlijke vijanden weliswaar, want hij was de bescheidenheid en onderdanigheid zelve. Maar hij had de pech in Wenen, zonder dat hij daar iets aan kon doen, tot het kamp van de wagnerianen te behoren. Zijn tegenstanders werden aangevoerd door Eduard Hanslick, de beruchte muziek­criticus, die door Richard Wagner belachelijk was gemaakt in de figuur van Beckmesser (‘immer besser’) in Die Meistersinger von Nürnberg. Hanslick was een formalist pur sang, die zich te weer stelde tegen iedereen die in zijn ogen een loopje nam met de traditionele vormen. Johannes Brahms was dan ook zijn grote voorbeeld, Wagner zijn schrikbeeld. En in Bruckner hoorde Hanslick meer Wagner dan Brahms.

Anton Bruckner had echter nog meer last van zijn vrienden dan van zijn vijanden. Altijd wisten zij het beter, die goedbedoelende, betuttelende vrienden met hun eeuwige adviezen. Zij zagen in Bruckner wel iets geniaals, maar vonden hem buitengewoon onhandig. Regelmatig werd de componist op het hart gedrukt iets aan zijn partituren te veranderen. Een raad die Bruckner vaak opvolgde, met ingrijpende gevolgen. Goed dat hij zich wél begrepen voelde door een kleine kring van intimi. Tot die groep rekende hij de dirigent Hermann Levi, die hij eens ‘mein künst­lerischer Vater’ noemde. Maar ook die zou de componist ernstig teleurstellen.

  • Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

    Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

  • Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

    Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

Het was Levi die rond 1885 enkele buitengewoon succesvolle uitvoeringen van Bruckners Zevende symfonie leidde, een partituur die destijds meer dan welke ook bijdroeg aan zijn reputatie in Oostenrijk en Duitsland. De dirigent overlaadde de innig tevreden, zestig­jarige componist met complimenten. Vol vertrouwen begon deze dan ook kort daarna aan zijn Achtste ­symfonie, zijn omvangrijkste partituur, en waarover hij later zei dat het zijn beste compositie was. Hij schreef de symfonie voor het grootste deel in Steyr, een kleine, schilderachtige stad midden in Oostenrijk, waar Bruckner in de pastorie van een bevriende geestelijke de ideale plek had gevonden om rustig te componeren. Daar, in een klein, bescheiden gemeubileerd kamertje, ontstond de Mount Everest onder de negentiende-eeuwse symfonieën. Na het voltooien van de partituur in juli 1887 stuurde hij deze onmiddellijk naar Levi. Er zat een briefje bij, dat begon met: ‘Halleluja. Eindelijk is hier de Achtste symfonie.’ 

Het ‘halleluja’ was van korte duur. Hoe teleurgesteld en verbitterd was Bruckner, toen hij vernam dat Levi de symfonie had afgewezen omdat hij haar werk onevenwichtig vond en zich ergerde aan het ‘sjabloonachtige van de vorm’. De dirigent besefte hoe pijnlijk zijn oordeel voor Bruckner zou zijn en durfde hem niet rechtstreeks te benaderen. Dat liet hij over aan een gemeenschappelijke vriend, de dirigent Franz Schalk, nota bene een leerling van Bruckner. Levi liet wel door­schemeren dat hij de partituur nog wel eens wilde bekijken nadat die op diverse punten gereviseerd was. Bruckner – altijd twijfelend – volgde dat advies op. Zo hard kwam het oordeel aan van degene aan wiens mening Bruckner zoveel waarde hechtte dat hij ook enkele andere symfonieën opnieuw onder handen nam. De tweede versie van de Achtste, met drastische veranderingen, voltooide hij in 1890. In die vorm werd het werk gepubliceerd en gespeeld.

Hanslick schreef over Bruckners ‘abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’

Een van de meest in het oog springende veranderingen betreft de instrumentatie. De houtblazersbezetting veranderde van tweevoudig naar drievoudig. Bruckner meende daarmee bij nader inzien een betere balans te kunnen bereiken. Velen hebben hem daarin gelijk gegeven. Ook werden drie harpen – ‘drei womöglich’, schreef de componist er voorzichtig bij – aan de bezetting toegevoegd, die op enkele van de meest verheven plaatsen in het Adagio met ruisende drieklankbrekingen de lange hoge noten van de strijkers verdichten. Verder componeerde Bruckner voor het Scherzo een geheel nieuw, zachtmoedig romantisch Trio. Detailveranderingen zijn er te veel om op te noemen. Vrijwel geen bladzijde bleef ongewijzigd. Het was een lang en moeizaam proces, dat de componist geheel in beslag nam. 

Maar zijn moeite werd beloond. De première op 18 december 1892 in Wenen, niet door Levi maar door Hans Richter gedirigeerd, was een groot succes. Er was niet alleen bijval van de kant van het publiek, maar ook van de meeste critici. Collegacomponist Hugo Wolf schreef: ‘Deze symfonie is de schepping van een gigant en overtreft qua geestelijke dimensie, oorspronkelijkheid en grootsheid alle andere symfonieën van de meester.’ Zelfs notoire Bruckner-haters als Richard Heuberger en Max Kalbeck vielen stil na afloop van de overweldigende Finale. Alleen Hanslick volhardde in zijn kritiek. Hij schreef over ‘de abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’. Latere generaties hebben hard geoordeeld over de halsstarrige Hanslick. Toch valt veel in hem te prijzen. Zijn standpunt was altijd duidelijk en van marchanderen hield hij niet. Iemand met een voorkeur voor strakke vormen en perfect evenwicht moest in die tijd wel moeite hebben met muziek die zozeer buiten haar oevers treedt. Bruckners Achtste symfonie staat ver af van de traditie waarmee componisten als Brahms en Max Reger zich verbonden bleven voelen, meesters voor wie Hanslick een fervent pleitbezorger was.

Het was Levi die rond 1885 enkele buitengewoon succesvolle uitvoeringen van Bruckners Zevende symfonie leidde, een partituur die destijds meer dan welke ook bijdroeg aan zijn reputatie in Oostenrijk en Duitsland. De dirigent overlaadde de innig tevreden, zestig­jarige componist met complimenten. Vol vertrouwen begon deze dan ook kort daarna aan zijn Achtste ­symfonie, zijn omvangrijkste partituur, en waarover hij later zei dat het zijn beste compositie was. Hij schreef de symfonie voor het grootste deel in Steyr, een kleine, schilderachtige stad midden in Oostenrijk, waar Bruckner in de pastorie van een bevriende geestelijke de ideale plek had gevonden om rustig te componeren. Daar, in een klein, bescheiden gemeubileerd kamertje, ontstond de Mount Everest onder de negentiende-eeuwse symfonieën. Na het voltooien van de partituur in juli 1887 stuurde hij deze onmiddellijk naar Levi. Er zat een briefje bij, dat begon met: ‘Halleluja. Eindelijk is hier de Achtste symfonie.’ 

Het ‘halleluja’ was van korte duur. Hoe teleurgesteld en verbitterd was Bruckner, toen hij vernam dat Levi de symfonie had afgewezen omdat hij haar werk onevenwichtig vond en zich ergerde aan het ‘sjabloonachtige van de vorm’. De dirigent besefte hoe pijnlijk zijn oordeel voor Bruckner zou zijn en durfde hem niet rechtstreeks te benaderen. Dat liet hij over aan een gemeenschappelijke vriend, de dirigent Franz Schalk, nota bene een leerling van Bruckner. Levi liet wel door­schemeren dat hij de partituur nog wel eens wilde bekijken nadat die op diverse punten gereviseerd was. Bruckner – altijd twijfelend – volgde dat advies op. Zo hard kwam het oordeel aan van degene aan wiens mening Bruckner zoveel waarde hechtte dat hij ook enkele andere symfonieën opnieuw onder handen nam. De tweede versie van de Achtste, met drastische veranderingen, voltooide hij in 1890. In die vorm werd het werk gepubliceerd en gespeeld.

Hanslick schreef over Bruckners ‘abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’

Een van de meest in het oog springende veranderingen betreft de instrumentatie. De houtblazersbezetting veranderde van tweevoudig naar drievoudig. Bruckner meende daarmee bij nader inzien een betere balans te kunnen bereiken. Velen hebben hem daarin gelijk gegeven. Ook werden drie harpen – ‘drei womöglich’, schreef de componist er voorzichtig bij – aan de bezetting toegevoegd, die op enkele van de meest verheven plaatsen in het Adagio met ruisende drieklankbrekingen de lange hoge noten van de strijkers verdichten. Verder componeerde Bruckner voor het Scherzo een geheel nieuw, zachtmoedig romantisch Trio. Detailveranderingen zijn er te veel om op te noemen. Vrijwel geen bladzijde bleef ongewijzigd. Het was een lang en moeizaam proces, dat de componist geheel in beslag nam. 

Maar zijn moeite werd beloond. De première op 18 december 1892 in Wenen, niet door Levi maar door Hans Richter gedirigeerd, was een groot succes. Er was niet alleen bijval van de kant van het publiek, maar ook van de meeste critici. Collegacomponist Hugo Wolf schreef: ‘Deze symfonie is de schepping van een gigant en overtreft qua geestelijke dimensie, oorspronkelijkheid en grootsheid alle andere symfonieën van de meester.’ Zelfs notoire Bruckner-haters als Richard Heuberger en Max Kalbeck vielen stil na afloop van de overweldigende Finale. Alleen Hanslick volhardde in zijn kritiek. Hij schreef over ‘de abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’. Latere generaties hebben hard geoordeeld over de halsstarrige Hanslick. Toch valt veel in hem te prijzen. Zijn standpunt was altijd duidelijk en van marchanderen hield hij niet. Iemand met een voorkeur voor strakke vormen en perfect evenwicht moest in die tijd wel moeite hebben met muziek die zozeer buiten haar oevers treedt. Bruckners Achtste symfonie staat ver af van de traditie waarmee componisten als Brahms en Max Reger zich verbonden bleven voelen, meesters voor wie Hanslick een fervent pleitbezorger was.

door Aad van der Ven

Anton Brucker (1824-1896)

Achtste symfonie

door Aad van der Ven

Aan vijanden had Anton Bruckner geen gebrek. Geen persoonlijke vijanden weliswaar, want hij was de bescheidenheid en onderdanigheid zelve. Maar hij had de pech in Wenen, zonder dat hij daar iets aan kon doen, tot het kamp van de wagnerianen te behoren. Zijn tegenstanders werden aangevoerd door Eduard Hanslick, de beruchte muziek­criticus, die door Richard Wagner belachelijk was gemaakt in de figuur van Beckmesser (‘immer besser’) in Die Meistersinger von Nürnberg. Hanslick was een formalist pur sang, die zich te weer stelde tegen iedereen die in zijn ogen een loopje nam met de traditionele vormen. Johannes Brahms was dan ook zijn grote voorbeeld, Wagner zijn schrikbeeld. En in Bruckner hoorde Hanslick meer Wagner dan Brahms.

Anton Bruckner had echter nog meer last van zijn vrienden dan van zijn vijanden. Altijd wisten zij het beter, die goedbedoelende, betuttelende vrienden met hun eeuwige adviezen. Zij zagen in Bruckner wel iets geniaals, maar vonden hem buitengewoon onhandig. Regelmatig werd de componist op het hart gedrukt iets aan zijn partituren te veranderen. Een raad die Bruckner vaak opvolgde, met ingrijpende gevolgen. Goed dat hij zich wél begrepen voelde door een kleine kring van intimi. Tot die groep rekende hij de dirigent Hermann Levi, die hij eens ‘mein künst­lerischer Vater’ noemde. Maar ook die zou de componist ernstig teleurstellen.

Aan vijanden had Anton Bruckner geen gebrek. Geen persoonlijke vijanden weliswaar, want hij was de bescheidenheid en onderdanigheid zelve. Maar hij had de pech in Wenen, zonder dat hij daar iets aan kon doen, tot het kamp van de wagnerianen te behoren. Zijn tegenstanders werden aangevoerd door Eduard Hanslick, de beruchte muziek­criticus, die door Richard Wagner belachelijk was gemaakt in de figuur van Beckmesser (‘immer besser’) in Die Meistersinger von Nürnberg. Hanslick was een formalist pur sang, die zich te weer stelde tegen iedereen die in zijn ogen een loopje nam met de traditionele vormen. Johannes Brahms was dan ook zijn grote voorbeeld, Wagner zijn schrikbeeld. En in Bruckner hoorde Hanslick meer Wagner dan Brahms.

Anton Bruckner had echter nog meer last van zijn vrienden dan van zijn vijanden. Altijd wisten zij het beter, die goedbedoelende, betuttelende vrienden met hun eeuwige adviezen. Zij zagen in Bruckner wel iets geniaals, maar vonden hem buitengewoon onhandig. Regelmatig werd de componist op het hart gedrukt iets aan zijn partituren te veranderen. Een raad die Bruckner vaak opvolgde, met ingrijpende gevolgen. Goed dat hij zich wél begrepen voelde door een kleine kring van intimi. Tot die groep rekende hij de dirigent Hermann Levi, die hij eens ‘mein künst­lerischer Vater’ noemde. Maar ook die zou de componist ernstig teleurstellen.

  • Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

    Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

  • Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

    Anton Bruckner

    geportretteerd in 1890 door Ferry Bératon

Het was Levi die rond 1885 enkele buitengewoon succesvolle uitvoeringen van Bruckners Zevende symfonie leidde, een partituur die destijds meer dan welke ook bijdroeg aan zijn reputatie in Oostenrijk en Duitsland. De dirigent overlaadde de innig tevreden, zestig­jarige componist met complimenten. Vol vertrouwen begon deze dan ook kort daarna aan zijn Achtste ­symfonie, zijn omvangrijkste partituur, en waarover hij later zei dat het zijn beste compositie was. Hij schreef de symfonie voor het grootste deel in Steyr, een kleine, schilderachtige stad midden in Oostenrijk, waar Bruckner in de pastorie van een bevriende geestelijke de ideale plek had gevonden om rustig te componeren. Daar, in een klein, bescheiden gemeubileerd kamertje, ontstond de Mount Everest onder de negentiende-eeuwse symfonieën. Na het voltooien van de partituur in juli 1887 stuurde hij deze onmiddellijk naar Levi. Er zat een briefje bij, dat begon met: ‘Halleluja. Eindelijk is hier de Achtste symfonie.’ 

Het ‘halleluja’ was van korte duur. Hoe teleurgesteld en verbitterd was Bruckner, toen hij vernam dat Levi de symfonie had afgewezen omdat hij haar werk onevenwichtig vond en zich ergerde aan het ‘sjabloonachtige van de vorm’. De dirigent besefte hoe pijnlijk zijn oordeel voor Bruckner zou zijn en durfde hem niet rechtstreeks te benaderen. Dat liet hij over aan een gemeenschappelijke vriend, de dirigent Franz Schalk, nota bene een leerling van Bruckner. Levi liet wel door­schemeren dat hij de partituur nog wel eens wilde bekijken nadat die op diverse punten gereviseerd was. Bruckner – altijd twijfelend – volgde dat advies op. Zo hard kwam het oordeel aan van degene aan wiens mening Bruckner zoveel waarde hechtte dat hij ook enkele andere symfonieën opnieuw onder handen nam. De tweede versie van de Achtste, met drastische veranderingen, voltooide hij in 1890. In die vorm werd het werk gepubliceerd en gespeeld.

Hanslick schreef over Bruckners ‘abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’

Een van de meest in het oog springende veranderingen betreft de instrumentatie. De houtblazersbezetting veranderde van tweevoudig naar drievoudig. Bruckner meende daarmee bij nader inzien een betere balans te kunnen bereiken. Velen hebben hem daarin gelijk gegeven. Ook werden drie harpen – ‘drei womöglich’, schreef de componist er voorzichtig bij – aan de bezetting toegevoegd, die op enkele van de meest verheven plaatsen in het Adagio met ruisende drieklankbrekingen de lange hoge noten van de strijkers verdichten. Verder componeerde Bruckner voor het Scherzo een geheel nieuw, zachtmoedig romantisch Trio. Detailveranderingen zijn er te veel om op te noemen. Vrijwel geen bladzijde bleef ongewijzigd. Het was een lang en moeizaam proces, dat de componist geheel in beslag nam. 

Maar zijn moeite werd beloond. De première op 18 december 1892 in Wenen, niet door Levi maar door Hans Richter gedirigeerd, was een groot succes. Er was niet alleen bijval van de kant van het publiek, maar ook van de meeste critici. Collegacomponist Hugo Wolf schreef: ‘Deze symfonie is de schepping van een gigant en overtreft qua geestelijke dimensie, oorspronkelijkheid en grootsheid alle andere symfonieën van de meester.’ Zelfs notoire Bruckner-haters als Richard Heuberger en Max Kalbeck vielen stil na afloop van de overweldigende Finale. Alleen Hanslick volhardde in zijn kritiek. Hij schreef over ‘de abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’. Latere generaties hebben hard geoordeeld over de halsstarrige Hanslick. Toch valt veel in hem te prijzen. Zijn standpunt was altijd duidelijk en van marchanderen hield hij niet. Iemand met een voorkeur voor strakke vormen en perfect evenwicht moest in die tijd wel moeite hebben met muziek die zozeer buiten haar oevers treedt. Bruckners Achtste symfonie staat ver af van de traditie waarmee componisten als Brahms en Max Reger zich verbonden bleven voelen, meesters voor wie Hanslick een fervent pleitbezorger was.

Het was Levi die rond 1885 enkele buitengewoon succesvolle uitvoeringen van Bruckners Zevende symfonie leidde, een partituur die destijds meer dan welke ook bijdroeg aan zijn reputatie in Oostenrijk en Duitsland. De dirigent overlaadde de innig tevreden, zestig­jarige componist met complimenten. Vol vertrouwen begon deze dan ook kort daarna aan zijn Achtste ­symfonie, zijn omvangrijkste partituur, en waarover hij later zei dat het zijn beste compositie was. Hij schreef de symfonie voor het grootste deel in Steyr, een kleine, schilderachtige stad midden in Oostenrijk, waar Bruckner in de pastorie van een bevriende geestelijke de ideale plek had gevonden om rustig te componeren. Daar, in een klein, bescheiden gemeubileerd kamertje, ontstond de Mount Everest onder de negentiende-eeuwse symfonieën. Na het voltooien van de partituur in juli 1887 stuurde hij deze onmiddellijk naar Levi. Er zat een briefje bij, dat begon met: ‘Halleluja. Eindelijk is hier de Achtste symfonie.’ 

Het ‘halleluja’ was van korte duur. Hoe teleurgesteld en verbitterd was Bruckner, toen hij vernam dat Levi de symfonie had afgewezen omdat hij haar werk onevenwichtig vond en zich ergerde aan het ‘sjabloonachtige van de vorm’. De dirigent besefte hoe pijnlijk zijn oordeel voor Bruckner zou zijn en durfde hem niet rechtstreeks te benaderen. Dat liet hij over aan een gemeenschappelijke vriend, de dirigent Franz Schalk, nota bene een leerling van Bruckner. Levi liet wel door­schemeren dat hij de partituur nog wel eens wilde bekijken nadat die op diverse punten gereviseerd was. Bruckner – altijd twijfelend – volgde dat advies op. Zo hard kwam het oordeel aan van degene aan wiens mening Bruckner zoveel waarde hechtte dat hij ook enkele andere symfonieën opnieuw onder handen nam. De tweede versie van de Achtste, met drastische veranderingen, voltooide hij in 1890. In die vorm werd het werk gepubliceerd en gespeeld.

Hanslick schreef over Bruckners ‘abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’

Een van de meest in het oog springende veranderingen betreft de instrumentatie. De houtblazersbezetting veranderde van tweevoudig naar drievoudig. Bruckner meende daarmee bij nader inzien een betere balans te kunnen bereiken. Velen hebben hem daarin gelijk gegeven. Ook werden drie harpen – ‘drei womöglich’, schreef de componist er voorzichtig bij – aan de bezetting toegevoegd, die op enkele van de meest verheven plaatsen in het Adagio met ruisende drieklankbrekingen de lange hoge noten van de strijkers verdichten. Verder componeerde Bruckner voor het Scherzo een geheel nieuw, zachtmoedig romantisch Trio. Detailveranderingen zijn er te veel om op te noemen. Vrijwel geen bladzijde bleef ongewijzigd. Het was een lang en moeizaam proces, dat de componist geheel in beslag nam. 

Maar zijn moeite werd beloond. De première op 18 december 1892 in Wenen, niet door Levi maar door Hans Richter gedirigeerd, was een groot succes. Er was niet alleen bijval van de kant van het publiek, maar ook van de meeste critici. Collegacomponist Hugo Wolf schreef: ‘Deze symfonie is de schepping van een gigant en overtreft qua geestelijke dimensie, oorspronkelijkheid en grootsheid alle andere symfonieën van de meester.’ Zelfs notoire Bruckner-haters als Richard Heuberger en Max Kalbeck vielen stil na afloop van de overweldigende Finale. Alleen Hanslick volhardde in zijn kritiek. Hij schreef over ‘de abrupte tegenstelling tussen een droge contrapuntische schoolmeesterstijl en mateloze geëxalteerdheid’. Latere generaties hebben hard geoordeeld over de halsstarrige Hanslick. Toch valt veel in hem te prijzen. Zijn standpunt was altijd duidelijk en van marchanderen hield hij niet. Iemand met een voorkeur voor strakke vormen en perfect evenwicht moest in die tijd wel moeite hebben met muziek die zozeer buiten haar oevers treedt. Bruckners Achtste symfonie staat ver af van de traditie waarmee componisten als Brahms en Max Reger zich verbonden bleven voelen, meesters voor wie Hanslick een fervent pleitbezorger was.

door Aad van der Ven

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Klaus Mäkelä, dirigent

Klaus Mäkelä is chef-dirigent van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.

Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de dirigent met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.

Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.

Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het ­Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en cello bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.

Actuele concerten met Klaus Mäkelä