Klaus Mäkelä dirigeert de Matthäus-Passion bij het Concertgebouworkest
Grote Zaal 29 maart 2026 12.00 uur
Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Nederlands Kamerkoor instudering Boudewijn Jansen
Nationaal Kinderkoor instudering Irene Verburg
Maximilian Schmitt tenor
Matthew Brook bas
Julia Lezhneva sopraan
Tim Mead countertenor
Laurence Kilsby tenor
Krešimir Stražanac bas
solisten coro 1:
Elise van Es sopraan (Pilatus’ vrouw)
Elma Dekker sopraan (dienstmeisje I)
Joris Derder bas (Judas, Petrus, hogepriester I)
Emily Beynon, Julie Moulin fluit
Thera de Clerck, Saskia Coolen blokfluit
Alexei Ogrintchouk hobo, oboe d’amore
Miriam Pastor Burgos hobo, oboe da caccia
Gustavo Núnez fagot
Matthew Truscott viool
Gregor Horsch cello
Théotime Voisin contrabas
Stefan Woudenberg viola da gamba
Leo van Doeselaar orgel (continuo)
solisten coro 2:
Franske van der Wiel sopraan (dienstmeisje II)
Maria Chiara Gallo alt (valse getuige I)
Ambro Golachowski tenor (valse getuige II)
Gilad Nezer bas (hogepriester II)
Jouke Wijmenga bas (hogepriester II, Pilatus)
Kersten McCall, Mariya Semotyuk-Schlaffke fluit
Ivan Podyomov hobo, oboe d’amore
Pietro Bodini hobo, oboe da caccia
Javier Sanz Pascual fagot
Erwin Wiersinga orgel
Tjeerd Top viool
Johan van Iersel cello
Dit concert wordt voorzien van boventiteling in het Nederlands en Engels.
De (Duitstalige) zangteksten vindt u hier.
Ook interessant:
- Klaus Mäkelä over 'zijn' 'Matthäus'
- De 'Matthäus' in facts & figures
- Bachs rekenwerk: het bouwplan van de Matthäus
JOHANN SEBASTIAN BACH (1685-1750)
Matthäus-Passion, BWV 244 (ca. 1727, revisies 1736, 1743-46)
Passio Domini Nostri J.C. secundum Matthaeum
met teksten van Christian Friedrich Henrici, alias Picander
pauze na het eerste deel, ± 13.20 uur
einde ± 15.20 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Nederlands Kamerkoor instudering Boudewijn Jansen
Nationaal Kinderkoor instudering Irene Verburg
Maximilian Schmitt tenor
Matthew Brook bas
Julia Lezhneva sopraan
Tim Mead countertenor
Laurence Kilsby tenor
Krešimir Stražanac bas
solisten coro 1:
Elise van Es sopraan (Pilatus’ vrouw)
Elma Dekker sopraan (dienstmeisje I)
Joris Derder bas (Judas, Petrus, hogepriester I)
Emily Beynon, Julie Moulin fluit
Thera de Clerck, Saskia Coolen blokfluit
Alexei Ogrintchouk hobo, oboe d’amore
Miriam Pastor Burgos hobo, oboe da caccia
Gustavo Núnez fagot
Matthew Truscott viool
Gregor Horsch cello
Théotime Voisin contrabas
Stefan Woudenberg viola da gamba
Leo van Doeselaar orgel (continuo)
solisten coro 2:
Franske van der Wiel sopraan (dienstmeisje II)
Maria Chiara Gallo alt (valse getuige I)
Ambro Golachowski tenor (valse getuige II)
Gilad Nezer bas (hogepriester II)
Jouke Wijmenga bas (hogepriester II, Pilatus)
Kersten McCall, Mariya Semotyuk-Schlaffke fluit
Ivan Podyomov hobo, oboe d’amore
Pietro Bodini hobo, oboe da caccia
Javier Sanz Pascual fagot
Erwin Wiersinga orgel
Tjeerd Top viool
Johan van Iersel cello
Dit concert wordt voorzien van boventiteling in het Nederlands en Engels.
De (Duitstalige) zangteksten vindt u hier.
Ook interessant:
- Klaus Mäkelä over 'zijn' 'Matthäus'
- De 'Matthäus' in facts & figures
- Bachs rekenwerk: het bouwplan van de Matthäus
JOHANN SEBASTIAN BACH (1685-1750)
Matthäus-Passion, BWV 244 (ca. 1727, revisies 1736, 1743-46)
Passio Domini Nostri J.C. secundum Matthaeum
met teksten van Christian Friedrich Henrici, alias Picander
pauze na het eerste deel, ± 13.20 uur
einde ± 15.20 uur

Toelichting
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Matthäus-Passion
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Matthäus-Passion
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest
Lees de biografie
Klaus Mäkelä
Lees de biografie
Nederlands Kamerkoor
Lees de biografie
Maximilian Schmitt
Lees de biografie
Nationaal Kinderkoor
Lees de biografie
Matthew Brook
Lees de biografie
Julia Lezhneva
Lees de biografie
Tim Mead
Lees de biografie
Laurence Kilsby
Lees de biografie
Kresimir Stražanac
Lees de biografieKoninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä, dirigent
Klaus Mäkelä is chef-dirigent van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.
Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de dirigent met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.
Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.
Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en cello bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.
Nederlands Kamerkoor, koor
Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse Operadagen Award.
Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zingdagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef-dirigent van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.
Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.
Maximilian Schmitt, tenor
De Duitse tenor Maximilian Schmitt ontdekte zijn liefde voor zang toen hij als kind zong bij de Regensburger Domspatzen. Hij volgde zijn opleiding aan de Universität der Künste Berlin. Verdere ervaring deed hij op in de opleidingsklas van de Bayerische Staatsoper, waar hij zijn debuut als Tamino maakte in Mozarts Die Zauberflöte.
Van 2008 tot 2012 maakte hij deel uit van het gezelschap van het Nationaltheater Mannheim. Buiten het operapodium treedt Maximilian Schmitt veel op als zanger van liederen en oratoria, waaronder ook in Nederland. In oktober 2012 debuteerde hij in de Kleine Zaal met Schuberts Die schöne Müllerin, in december van datzelfde jaar trad hij bij De Nationale Opera op als Tamino in Mozarts Die Zauberflöte.
De tenor wordt veel gevraagd voor de evangelistenrol in Bachs Matthäus-Passion, zoals ook in 2014 bij het Concertgebouworkest met Philippe Herreweghe. In april 2022 zong hij in Bachs Johannes-Passion onder leiding van Andrew Manze.
Nationaal Kinderkoor, koor
Het Nationaal Kinderkoor, het Nationaal Jongenskoor, het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor en het Nationaal Gemengd Jeugdkoor worden georganiseerd door Vocaal Talent Nederland. In het Nationaal Kinderkoor zingen talentvolle kinderen van 10 tot en met 15 jaar uit heel Nederland.
Van 2001 tot 2023 was Wilma ten Wolde artistiek leider, sinds 2023 is de artistieke leiding van het Nationaal Kinderkoor en het Nationaal Jongenskoor in handen van Irene Verburg en László Norbert Nemes. Het Nationaal Kinderkoor wordt vaak uitgenodigd voor concerten met orkesten, in Nederland en daarbuiten.
Het zong onder leiding van onder anderen Bernard Haitink, Nikolaus Harnoncourt, Mariss Jansons, Simon Rattle, Jordi Savall, Markus Stenz en Jaap van Zweden. Bij het Concertgebouworkest zijn de koren van Vocaal Talent Nederland met grote regelmaat te gast; de laatste keer was in mei 2025, toen het Nationaal Kinderkoor en het Nationaal Jongenskoor samenwerkten met het orkest in Mahlers Achtste symfonie, onder leiding van Klaus Mäkelä.
Matthew Brook, bas-bariton
Matthew Brook studeerde aan het Royal College of Music in Londen en heeft een grote reputatie in muziek van Händel en Bach. De Britse bas-bariton werd uitgenodigd door onder meer Philharmonia, het London Symphony Orchestra, het Royal Philharmonic Orchestra, het Freiburger Barockorchester, de Staatskapelle Dresden, het Chamber Orchestra of Europe, het Dunedin Consort en het Gabrieli Consort.
In de opera vertolkte Matthew Brook rollen als Aeneas in Purcells Dido and Aeneas, Ned Keene in Brittens Peter Grimes, Young Sam in Bernsteins A Quiet Place, Zuniga in Bizets Carmen en de Mozartpartijen Papageno, Figaro en Leporello. Hij was te beluisteren in het Royal Opera House Covent Garden, het Theater an der Wien, het Staatstheater Stuttgart, Carnegie Hall in New York en de Opéra National de Paris.
In Het Concertgebouw trad Matthew Brook op met het Monteverdi Choir en de English Baroque Soloists (2006, 2008 en 2018), de Nederlandse Bachvereniging (2009), Il Complesso Barocco (2012), Britten Sinfonia (2014), het Orchestra of the Age of Enlightenment (2015 en 2018) en in december 2021 en 2024 met The Academy of Ancient Music. Bij het Concertgebouworkest maakt hij zijn debuut.
Julia Lezhneva, sopraan
Julia Lezhneva brak in 2010 door nadat ze door Kiri te Kanawa was uitgenodigd Rossini te zingen bij de Brit Awards in de Royal Albert Hall in Londen. Na haar zang- en piano-opleiding in Moskou won ze op haar zeventiende het Elena Obrasztsova Concours.
Een jaar later opende ze aan de zijde van Juan Diego Flórez het Rossini Festival in Pesaro. Onder haar leraren en mentoren waren Yvonne Kenny, Dennis O’Neill, Alberto Zedda, Richard Bonynge en Thomas Quasthoff. Voor haar eerste solo-cd (Rossini) won Julia Lezhneva in 2011 een Diapason d’Or.
De sopraan zong bij de Berliner Philharmoniker en Concerto Köln, tourde met het Freiburger Barockorchester, stond in de Wiener Musikverein en in de operahuizen van Hamburg, Brussel en Barcelona en was te gast in de Verenigde Staten en Japan. In Het Concertgebouw trad Julia Lezhneva sinds 2013 op in concertante opera’s van Händel, Hasse, Porpora en Scarlatti in de NTR ZaterdagMatinee. Nu maakt ze haar debuut bij het Concertgebouworkest.
Tim Mead, countertenor
De Engelse countertenor Tim Mead studeerde cello, piano en muziekwetenschappen aan Trinity College of Music in Londen en King’s College in Cambridge. Daarna studeerde hij zang aan het Royal College of Music bij Robin Blaze. Op operagebied legt hij zich toe op het barokrepertoire, maar hij was ook te horen in uitvoeringen van hedendaagse componisten als George Benjamin, Harrison Birtwistle en Philip Glass.
Tim Mead zong in verschillende operahuizen waaronder English National Opera, The Royal Opera Covent Garden, de Opéra National de Paris en de Bayerische Staatsoper en was meermaals te gast op het Glyndebourne Festival.
Bij De Nationale Opera was hij te horen in Cavalli’s Ercole amante (2009), Brittens Death in Venice (2013) en Händels Agrippina (2024). Met het Nederlands Kamerkoor stond hij de laatste tijd regelmatig in de Grote Zaal: in maart 2024 met Bachs Matthäus-Passion, in oktober van dat jaar in Pergolesi’s Stabat Mater en in december 2025 in Bachs Weihnachtsoratorium. Tim Mead werkt voor het eerst samen met het Concertgebouworkest.
Laurence Kilsby, tenor
Laurence Kilsby werd genomineerd in de categorie ‘Young Singer’ tijdens de International Opera Awards 2023 en won eerste prijzen op drie internationale concoursen: de Wettbewerb ‘Das Lied’ tijdens de Heidelberger Frühling, de Wigmore Hall/Bollinger International Song Competition en de Cesti Competition tijdens de Innsbrucker Festwochen der Alten Musik.
Met pianiste Ella O’Neill bracht hij onlangs zijn debuutalbum Awakenings uit.
Laurence Kilsby begon zijn zangcarrière als jongenssopraan bij de Tewkesbury Abbey Schola Cantorum. Later studeerde hij aan het Royal College of Music in Londen en aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Inmiddels maakt de Britse tenor furore op zowel het opera- en concertpodium als in de liedkunst.
Sinds zijn Concertgebouwdebuut in 2022 in Bachs Johannes-Passion met het Orchestra and Choir of the Age of Enlightenment keerde hij er al drie keer terug, de laatste keer in mei 2025, toen hij tijdens het Mahler Festival in de Kleine Zaal liederen van Mahler zong met pianist Julius Drake. Laurence Kilsby debuteert bij het Concertgebouworkest.
Kresimir Stražanac, bas
Krešimir Stražanac studeerde zang bij Dunja Vejzović en liedinterpretatie bij Cornelis Witthoefft aan de Staatliche Hochschule für Musik und darstellende Kunst Stuttgart en privé bij Jane Thorner Mengedoht en Hanns-Friedrich Kunz. Hij won prijzen op de Cantilena Gesangswettbewerb in Bayreuth en het Internationale Hugo Wolf Concours in Slovenië.
Als vast ensemblelid van het Opernhaus Zürich verscheen de Kroatische zanger in opera’s van onder anderen Eötvös, Puccini en Richard Strauss. Als gastzanger werd hij geëngageerd door de Bayerische Staatsoper in München en de Oper Frankfurt.
Krešimir Stražanac soleerde bij een groot aantal orkesten in bijvoorbeeld de Passionen en vele andere werken van Bach, de requiems van Mozart, Brahms, Dvořák en Fauré en de oratoria van Mendelssohn. Onder de gespecialiseerde barokgezelschappen die hem uitnodigden zijn bijvoorbeeld Concerto Köln, Collegium 1704 en de Akademie für alte Musik Berlin (Bachs Weihnachtsoratorium op 16 december jongstleden in de Grote Zaal).
In december 2017 debuteerde hij bij het Concertgebouworkest in Bachs ‘Hohe Messe’ onder leiding van Philippe Herreweghe.