Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl

Concertprogramma

Concertprogramma

Nielsen, Strauss en Rachmaninoff bij het Concertgebouworkest

Nielsen, Strauss en Rachmaninoff bij het Concertgebouworkest

Grote Zaal
22 september 2021
20.15 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Alan Gilbert dirigent
Kirill Gerstein piano


Lees ook het achtergrondverhaal over Carl Nielsen
Lees ook het artikel over Rachmaninoffs Rapsodie

 

Carl Nielsen (1865-1931)

Ouverture ‘Helios’, op 17 (1903)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Richard Strauss (1864-1949)

Burleske in d kl.t. (1885-86)
voor piano en orkest

Serge Rachmaninoff (1873-1943)

Rapsodie op een thema van Paganini,
op. 43
(1934)
voor piano en orkest

pauze ca. 21.15 uur

Carl Nielsen

Symfonie nr. 5, op. 50 (1921-22)
Tempo giusto – Adagio non troppo
Allegro – Presto – Andante un poco tranquillo – Allegro

einde ca. 22.20 uur

Grote Zaal 22 september 2021 20.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Alan Gilbert dirigent
Kirill Gerstein piano


Lees ook het achtergrondverhaal over Carl Nielsen
Lees ook het artikel over Rachmaninoffs Rapsodie

 

Carl Nielsen (1865-1931)

Ouverture ‘Helios’, op 17 (1903)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Richard Strauss (1864-1949)

Burleske in d kl.t. (1885-86)
voor piano en orkest

Serge Rachmaninoff (1873-1943)

Rapsodie op een thema van Paganini,
op. 43
(1934)
voor piano en orkest

pauze ca. 21.15 uur

Carl Nielsen

Symfonie nr. 5, op. 50 (1921-22)
Tempo giusto – Adagio non troppo
Allegro – Presto – Andante un poco tranquillo – Allegro

einde ca. 22.20 uur

Toelichting

Nielsen, Strauss, Rachmaninoff

door Martijn Voorvelt

Het Concertgebouworkest heeft altijd samengewerkt met levende componisten. Gedurende de halve eeuw dat Willem Mengelberg chef-dirigent was, tussen 1895 en 1945, werden jaarlijks componisten uitgenodigd. Sommigen van hen traden met het orkest op als dirigent of solist. Drie van zulke dubbeltalenten staan vanavond op het programma. Vooral met Richard Strauss had het orkest al vroeg een speciale band. Tussen 1897 en 1934 stond hij tientallen keren bij het Concertgebouworkest op de bok en zijn oeuvre raakte al snel verankerd in het repertoire. De Burleske in d klein, die vanavond op het programma staat, dirigeerde hij in 1903 en 1907. Serge Rachmaninoff was vijftien keer als solist bij het orkest te horen; bij zijn laatste bezoek in 1938 nam hij zijn Rapsodie op een thema van Paganini mee, die nu wordt uitgevoerd met Kirill Gerstein. Carl Nielsen stond in 1912 en in 1920 op de bok in Amsterdam.

Nielsen: Ouverture ‘Helios’

Carl Nielsen was een nationale held. Hij behoorde tot de Deense muziekelite, die iedere zomer naar het kasteel Fuglsang trok om te converseren en te musiceren in de prachtige concertzaal. Onder de vaste bezoekers – al sinds 1892 - was ook de Nederlands-Duitse pianist, componist en dirigent Julius Röntgen. Nielsen en Röntgen werden vrienden; de Deen droeg zijn Ouverture ‘Helios’ aan Röntgen op.

Het Concertgebouworkest heeft altijd samengewerkt met levende componisten. Gedurende de halve eeuw dat Willem Mengelberg chef-dirigent was, tussen 1895 en 1945, werden jaarlijks componisten uitgenodigd. Sommigen van hen traden met het orkest op als dirigent of solist. Drie van zulke dubbeltalenten staan vanavond op het programma. Vooral met Richard Strauss had het orkest al vroeg een speciale band. Tussen 1897 en 1934 stond hij tientallen keren bij het Concertgebouworkest op de bok en zijn oeuvre raakte al snel verankerd in het repertoire. De Burleske in d klein, die vanavond op het programma staat, dirigeerde hij in 1903 en 1907. Serge Rachmaninoff was vijftien keer als solist bij het orkest te horen; bij zijn laatste bezoek in 1938 nam hij zijn Rapsodie op een thema van Paganini mee, die nu wordt uitgevoerd met Kirill Gerstein. Carl Nielsen stond in 1912 en in 1920 op de bok in Amsterdam.

Nielsen: Ouverture ‘Helios’

Carl Nielsen was een nationale held. Hij behoorde tot de Deense muziekelite, die iedere zomer naar het kasteel Fuglsang trok om te converseren en te musiceren in de prachtige concertzaal. Onder de vaste bezoekers – al sinds 1892 - was ook de Nederlands-Duitse pianist, componist en dirigent Julius Röntgen. Nielsen en Röntgen werden vrienden; de Deen droeg zijn Ouverture ‘Helios’ aan Röntgen op.

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Hij schreef de concertouverture in Athene, waar hij enige maanden verbleef met zijn vrouw, de beeldhouwster Anne Marie Carl-Nielsen. De opkomende en ondergaande zon boven de Egeïsche Zee inspireerde Nielsen tot een warmbloedig, naar de zonnegod Helios genoemd werk. Op de partituur schreef hij een programma: ‘Stilte en duisternis / de zon komt op met een vreugdevol loflied / het legt zijn gouden weg af / en gaat zachtjes onder in de zee.’ De concertouverture is kenmerkend voor Nielsens vroege werk, dat nog met één been in de Romantiek stond. Het zou een van zijn populairdere werken worden, maar stond nog niet eerder op het programma bij het Concertgebouworkest.

Geleidelijk werd Nielsens muziek krachtiger, complexer, moderner. In 1912 gaf Nielsen zijn ambities vorm in zijn Derde symfonie,‘Sinfonia espansiva’, die met zijn woordloze sopraan- en baritonsolo’s de hele mensheid moest aanspreken. Julius Röntgen was overtuigd, en regelde in allerijl dat zijn vriend het in Amsterdam kon dirigeren. Nog geen twee maanden na de Deense première stond Nielsen op de bok bij het Concertgebouworkest. Het was een succes, maar ondanks de bemoeienissen van Röntgen bleef de verwachte internationale doorbraak uit. Toen Nielsen acht jaar later terugkeerde naar Amsterdam, was hij een ander mens. Daarover straks meer.

Strauss: Burleske

De Duitser Richard Strauss was in 1903 al aan zijn vierde bezoek aan het Concertgebouworkest toe. Deze keer niet in Amsterdam, maar voor een heus Strauss-festival in Londen. Onder leiding van de componist klonken vijf verschillende concerten met een dwarsdoorsnede uit zijn oeuvre: liederen, symfonische gedichten en concertante werken, waaronder de Burleske in d klein voor piano en orkest met de nog piepjonge Wilhelm Backhaus als solist. Het is een sterk door Brahms beïnvloed eendelig minipianoconcert, dat begint met een thema in de pauken en daar na enkele opwindende episodes ook weer mee eindigt.

Hij schreef de concertouverture in Athene, waar hij enige maanden verbleef met zijn vrouw, de beeldhouwster Anne Marie Carl-Nielsen. De opkomende en ondergaande zon boven de Egeïsche Zee inspireerde Nielsen tot een warmbloedig, naar de zonnegod Helios genoemd werk. Op de partituur schreef hij een programma: ‘Stilte en duisternis / de zon komt op met een vreugdevol loflied / het legt zijn gouden weg af / en gaat zachtjes onder in de zee.’ De concertouverture is kenmerkend voor Nielsens vroege werk, dat nog met één been in de Romantiek stond. Het zou een van zijn populairdere werken worden, maar stond nog niet eerder op het programma bij het Concertgebouworkest.

Geleidelijk werd Nielsens muziek krachtiger, complexer, moderner. In 1912 gaf Nielsen zijn ambities vorm in zijn Derde symfonie,‘Sinfonia espansiva’, die met zijn woordloze sopraan- en baritonsolo’s de hele mensheid moest aanspreken. Julius Röntgen was overtuigd, en regelde in allerijl dat zijn vriend het in Amsterdam kon dirigeren. Nog geen twee maanden na de Deense première stond Nielsen op de bok bij het Concertgebouworkest. Het was een succes, maar ondanks de bemoeienissen van Röntgen bleef de verwachte internationale doorbraak uit. Toen Nielsen acht jaar later terugkeerde naar Amsterdam, was hij een ander mens. Daarover straks meer.

Strauss: Burleske

De Duitser Richard Strauss was in 1903 al aan zijn vierde bezoek aan het Concertgebouworkest toe. Deze keer niet in Amsterdam, maar voor een heus Strauss-festival in Londen. Onder leiding van de componist klonken vijf verschillende concerten met een dwarsdoorsnede uit zijn oeuvre: liederen, symfonische gedichten en concertante werken, waaronder de Burleske in d klein voor piano en orkest met de nog piepjonge Wilhelm Backhaus als solist. Het is een sterk door Brahms beïnvloed eendelig minipianoconcert, dat begint met een thema in de pauken en daar na enkele opwindende episodes ook weer mee eindigt.

Richard Strauss

Richard Strauss

Richard Strauss

Richard Strauss

Strauss was zelf nog een jonkie toen hij de Burleske schreef: 21 jaar. Hij noemde het oorspronkelijk Scherzo in d klein en droeg het op aan de beroemde (en beruchte) Hans von Bülow, die de jonge musicus net had aangesteld als assistent-dirigent van het orkest van Meiningen. Maar de meester weigerde het ‘ingewikkelde stuk onzin’ met zijn ‘onspeelbare’ pianopartij op het programma te zetten. Tweeënhalf jaar later ontmoette Strauss de pianist Eugen d’Albert, die enkele revisies voorstelde en in juni 1890 het werk in première bracht onder de nieuwe naam Burleske. Hoewel Von Bülow nog altijd niet overtuigd was, dirigeerde hij toch de Berlijnse première met D’Albert aan de piano.

Rachmaninoff: Rapsodie op een thema van Paganini

Ook de gastoptredens van Serge Rachmaninoff droegen enorm bij aan het prestige van het Concertgebouworkest. De kennismaking dateert van 1908, toen de wereldberoemde componist/pianist bij het orkest soleerde in zijn Tweede pianoconcert. In 1911 keerde hij terug voor de uitvoering van het Derde pianoconcert, en in 1929 en 1930 soleerde hij in respectievelijk zijn Tweede en Vierde pianoconcert. Zijn populariteit bleek in 1938 nog onverminderd, toen het publiek en masse naar de Van Baerlestraat kwam voor Rachmaninoffs optreden met het Concertgebouworkest in zijn ‘Paganini-rapsodie’. Men werd niet teleurgesteld. Pers en publiek waren extatisch. Rachmaninoffs pianotechniek werd in recensies omschreven als ‘overrompelend’ en ‘volmaakt’, en ook als componist maakte de Rus indruk.

Strauss was zelf nog een jonkie toen hij de Burleske schreef: 21 jaar. Hij noemde het oorspronkelijk Scherzo in d klein en droeg het op aan de beroemde (en beruchte) Hans von Bülow, die de jonge musicus net had aangesteld als assistent-dirigent van het orkest van Meiningen. Maar de meester weigerde het ‘ingewikkelde stuk onzin’ met zijn ‘onspeelbare’ pianopartij op het programma te zetten. Tweeënhalf jaar later ontmoette Strauss de pianist Eugen d’Albert, die enkele revisies voorstelde en in juni 1890 het werk in première bracht onder de nieuwe naam Burleske. Hoewel Von Bülow nog altijd niet overtuigd was, dirigeerde hij toch de Berlijnse première met D’Albert aan de piano.

Rachmaninoff: Rapsodie op een thema van Paganini

Ook de gastoptredens van Serge Rachmaninoff droegen enorm bij aan het prestige van het Concertgebouworkest. De kennismaking dateert van 1908, toen de wereldberoemde componist/pianist bij het orkest soleerde in zijn Tweede pianoconcert. In 1911 keerde hij terug voor de uitvoering van het Derde pianoconcert, en in 1929 en 1930 soleerde hij in respectievelijk zijn Tweede en Vierde pianoconcert. Zijn populariteit bleek in 1938 nog onverminderd, toen het publiek en masse naar de Van Baerlestraat kwam voor Rachmaninoffs optreden met het Concertgebouworkest in zijn ‘Paganini-rapsodie’. Men werd niet teleurgesteld. Pers en publiek waren extatisch. Rachmaninoffs pianotechniek werd in recensies omschreven als ‘overrompelend’ en ‘volmaakt’, en ook als componist maakte de Rus indruk.

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Rachmaninoffs Rapsodie bestaat uit 24 variaties op de 24ste capriccio van Niccolò Paganini, dezelfde die onder anderen Brahms tot inspiratie diende. Hoewel alle variaties zonder onderbreking op elkaar volgen en één compositorisch geheel vormen, is het werk ook op te vatten als een traditioneel pianoconcert in drie delen. Het eerste begint met een korte introductie en een eerste, inleidende variatie, gevolgd door het eigenlijke thema en de variaties 2 tot en met 10. De zesde variatie markeert een omslag naar een plechtstatiger muziek, waarna Rachmaninoff het Dies irae-motief introduceert. Het uit de middeleeuwse dodenmis afkomstige motief duikt vaker op in zijn muziek. Begeleid door een vertraagde versie van het begin van Paganini’s thema kan het hier een toespeling zijn op de bekende mythe dat de vioolvirtuoos Paganini bezeten was van de duivel.

De variaties 11 tot en met 18 vormen het tweede deel. De bekende melodie van de achttiende variatie bereikt Rachmaninoff door het thema om te keren (wat omlaag ging gaat nu om hoog en vice versa).

Het slotdeel wordt gevormd door de laatste zes variaties en bevat de meeste acrobatische toeren voor de solist. Met name de laatste variatie is zo moeilijk dat het Rachmaninoff zelf angst aanjoeg. Bij de wereldpremière brak hij met zijn eigen regel nooit alcohol te drinken voor een optreden. Voortaan dronk Rachmaninoff een glaasje crème de menthe voorafgaand aan iedere uitvoering van het werk. Ook in Amsterdam. Het zou Rachmaninoffs laatste optreden met het Concertgebouworkest blijken, maar zijn Rapsodie bleef op het repertoire.

Nielsen: Vijfde symfonie

In 1920 werd Carl Nielsen als dirigent bij het Concertgebouworkest teruggevraagd voor een compleet Scandinavisch programma. Naast muziek van Grieg, Rangström, Sibelius (Finlandia) en Stenhammar leidde hij drie eigen werken: de natuurscène Pan en Syrinx, de Hanendans uit zijn opera Maskarade en de Vierde symfonie - een krachtig pleidooi voor menselijke veerkracht. De ontvangst was koeltjes. De tragiek van Nielsen is dat de wereld buiten Denemarken zijn werk pas na zijn dood echt op waarde zou gaan schatten. De sagenwereld en pastorale melodiek die van Scandinavische componisten werden verwacht, waren bij hem ver te zoeken. Nielsens vreemde dissonanten, polytonale passages en sterke, hoekige ritmiek werkten vervreemdend.

Het gebrek aan internationale erkenning vrat aan hem. Dat hij een nationale held was, zei hem niet veel. Nielsen had weinig op met patriottisme, zeker niet vlak na de verwoestende Eerste Wereldoorlog. Daarbij was hij ook getekend door een slepende huwelijkscrisis, die in 1919 eindelijk op een scheiding uitdraaiden. Ondertussen leidde zijn tomeloze expressiedrang tot muziek die de verwachtingen van het internationale publiek nog verder onderuit haalde. Eind 1920 begon hij aan zijn Vijfde symfonie: grillige muziek vol contrasten en dramatische conflicten, die zich voltrekken binnen twee uitgesponnen delen. Hoewel de oorlog geen directe inspiratiebron vormde, zei Nielsen: ‘Geen van ons is dezelfde gebleven als hij was voor de oorlog.’

Het eerste deel begint met een zachte pendelbeweging in de altviolen en een golvend thema in de fagotten. Binnen het bedrieglijk vriendelijke klankbeeld blijken de thema’s al gauw onderworpen te zijn aan destructieve krachten. Ze ontsporen, doven uit, worden onderbroken, bewegen doelloos langs elkaar. Wanneer een muitende slagwerker dreigende snaredrumsalvo’s begint af te vuren worden we definitief in een kille, kale klankwereld geworpen. Hoopvolle episodes leiden onherroepelijk tot niets, en na een muzikale strijd tussen de snaredrum en het orkest is de verslagenheid voelbaar in een tragische klarinetsolo.

Het tweede deel werd door componist/musicoloog Robert Simpson beschreven als een oprijzen uit de as en de ruïnes die het eerste deel heeft achtergelaten. Opnieuw is er sprake van conflicten tussen instrumentgroepen en hysterische solo’s, maar hiermee wordt nu een nieuwe klankwereld opgebouwd die zich openbaart in een langzame fuga. Tijdens het triomfantelijke slot lijken alle puzzelstukken in elkaar te vallen.
Jaren later trachtte Nielsen uit te leggen wat de symfonie wil uitdrukken: ‘Ik rol een steen de heuvel op en gebruik alle krachten binnenin mij om de steen naar de top te brengen. De steen ligt daar zo stil, krachten zijn erin samengebald, totdat ik hem een schop geef en die krachten bevrijd worden, en de steen weer omlaag rolt. Maar je moet dat niet opvatten als een programma!’

Rachmaninoffs Rapsodie bestaat uit 24 variaties op de 24ste capriccio van Niccolò Paganini, dezelfde die onder anderen Brahms tot inspiratie diende. Hoewel alle variaties zonder onderbreking op elkaar volgen en één compositorisch geheel vormen, is het werk ook op te vatten als een traditioneel pianoconcert in drie delen. Het eerste begint met een korte introductie en een eerste, inleidende variatie, gevolgd door het eigenlijke thema en de variaties 2 tot en met 10. De zesde variatie markeert een omslag naar een plechtstatiger muziek, waarna Rachmaninoff het Dies irae-motief introduceert. Het uit de middeleeuwse dodenmis afkomstige motief duikt vaker op in zijn muziek. Begeleid door een vertraagde versie van het begin van Paganini’s thema kan het hier een toespeling zijn op de bekende mythe dat de vioolvirtuoos Paganini bezeten was van de duivel.

De variaties 11 tot en met 18 vormen het tweede deel. De bekende melodie van de achttiende variatie bereikt Rachmaninoff door het thema om te keren (wat omlaag ging gaat nu om hoog en vice versa).

Het slotdeel wordt gevormd door de laatste zes variaties en bevat de meeste acrobatische toeren voor de solist. Met name de laatste variatie is zo moeilijk dat het Rachmaninoff zelf angst aanjoeg. Bij de wereldpremière brak hij met zijn eigen regel nooit alcohol te drinken voor een optreden. Voortaan dronk Rachmaninoff een glaasje crème de menthe voorafgaand aan iedere uitvoering van het werk. Ook in Amsterdam. Het zou Rachmaninoffs laatste optreden met het Concertgebouworkest blijken, maar zijn Rapsodie bleef op het repertoire.

Nielsen: Vijfde symfonie

In 1920 werd Carl Nielsen als dirigent bij het Concertgebouworkest teruggevraagd voor een compleet Scandinavisch programma. Naast muziek van Grieg, Rangström, Sibelius (Finlandia) en Stenhammar leidde hij drie eigen werken: de natuurscène Pan en Syrinx, de Hanendans uit zijn opera Maskarade en de Vierde symfonie - een krachtig pleidooi voor menselijke veerkracht. De ontvangst was koeltjes. De tragiek van Nielsen is dat de wereld buiten Denemarken zijn werk pas na zijn dood echt op waarde zou gaan schatten. De sagenwereld en pastorale melodiek die van Scandinavische componisten werden verwacht, waren bij hem ver te zoeken. Nielsens vreemde dissonanten, polytonale passages en sterke, hoekige ritmiek werkten vervreemdend.

Het gebrek aan internationale erkenning vrat aan hem. Dat hij een nationale held was, zei hem niet veel. Nielsen had weinig op met patriottisme, zeker niet vlak na de verwoestende Eerste Wereldoorlog. Daarbij was hij ook getekend door een slepende huwelijkscrisis, die in 1919 eindelijk op een scheiding uitdraaiden. Ondertussen leidde zijn tomeloze expressiedrang tot muziek die de verwachtingen van het internationale publiek nog verder onderuit haalde. Eind 1920 begon hij aan zijn Vijfde symfonie: grillige muziek vol contrasten en dramatische conflicten, die zich voltrekken binnen twee uitgesponnen delen. Hoewel de oorlog geen directe inspiratiebron vormde, zei Nielsen: ‘Geen van ons is dezelfde gebleven als hij was voor de oorlog.’

Het eerste deel begint met een zachte pendelbeweging in de altviolen en een golvend thema in de fagotten. Binnen het bedrieglijk vriendelijke klankbeeld blijken de thema’s al gauw onderworpen te zijn aan destructieve krachten. Ze ontsporen, doven uit, worden onderbroken, bewegen doelloos langs elkaar. Wanneer een muitende slagwerker dreigende snaredrumsalvo’s begint af te vuren worden we definitief in een kille, kale klankwereld geworpen. Hoopvolle episodes leiden onherroepelijk tot niets, en na een muzikale strijd tussen de snaredrum en het orkest is de verslagenheid voelbaar in een tragische klarinetsolo.

Het tweede deel werd door componist/musicoloog Robert Simpson beschreven als een oprijzen uit de as en de ruïnes die het eerste deel heeft achtergelaten. Opnieuw is er sprake van conflicten tussen instrumentgroepen en hysterische solo’s, maar hiermee wordt nu een nieuwe klankwereld opgebouwd die zich openbaart in een langzame fuga. Tijdens het triomfantelijke slot lijken alle puzzelstukken in elkaar te vallen.
Jaren later trachtte Nielsen uit te leggen wat de symfonie wil uitdrukken: ‘Ik rol een steen de heuvel op en gebruik alle krachten binnenin mij om de steen naar de top te brengen. De steen ligt daar zo stil, krachten zijn erin samengebald, totdat ik hem een schop geef en die krachten bevrijd worden, en de steen weer omlaag rolt. Maar je moet dat niet opvatten als een programma!’

door Martijn Voorvelt

Nielsen, Strauss, Rachmaninoff

door Martijn Voorvelt

Het Concertgebouworkest heeft altijd samengewerkt met levende componisten. Gedurende de halve eeuw dat Willem Mengelberg chef-dirigent was, tussen 1895 en 1945, werden jaarlijks componisten uitgenodigd. Sommigen van hen traden met het orkest op als dirigent of solist. Drie van zulke dubbeltalenten staan vanavond op het programma. Vooral met Richard Strauss had het orkest al vroeg een speciale band. Tussen 1897 en 1934 stond hij tientallen keren bij het Concertgebouworkest op de bok en zijn oeuvre raakte al snel verankerd in het repertoire. De Burleske in d klein, die vanavond op het programma staat, dirigeerde hij in 1903 en 1907. Serge Rachmaninoff was vijftien keer als solist bij het orkest te horen; bij zijn laatste bezoek in 1938 nam hij zijn Rapsodie op een thema van Paganini mee, die nu wordt uitgevoerd met Kirill Gerstein. Carl Nielsen stond in 1912 en in 1920 op de bok in Amsterdam.

Nielsen: Ouverture ‘Helios’

Carl Nielsen was een nationale held. Hij behoorde tot de Deense muziekelite, die iedere zomer naar het kasteel Fuglsang trok om te converseren en te musiceren in de prachtige concertzaal. Onder de vaste bezoekers – al sinds 1892 - was ook de Nederlands-Duitse pianist, componist en dirigent Julius Röntgen. Nielsen en Röntgen werden vrienden; de Deen droeg zijn Ouverture ‘Helios’ aan Röntgen op.

Het Concertgebouworkest heeft altijd samengewerkt met levende componisten. Gedurende de halve eeuw dat Willem Mengelberg chef-dirigent was, tussen 1895 en 1945, werden jaarlijks componisten uitgenodigd. Sommigen van hen traden met het orkest op als dirigent of solist. Drie van zulke dubbeltalenten staan vanavond op het programma. Vooral met Richard Strauss had het orkest al vroeg een speciale band. Tussen 1897 en 1934 stond hij tientallen keren bij het Concertgebouworkest op de bok en zijn oeuvre raakte al snel verankerd in het repertoire. De Burleske in d klein, die vanavond op het programma staat, dirigeerde hij in 1903 en 1907. Serge Rachmaninoff was vijftien keer als solist bij het orkest te horen; bij zijn laatste bezoek in 1938 nam hij zijn Rapsodie op een thema van Paganini mee, die nu wordt uitgevoerd met Kirill Gerstein. Carl Nielsen stond in 1912 en in 1920 op de bok in Amsterdam.

Nielsen: Ouverture ‘Helios’

Carl Nielsen was een nationale held. Hij behoorde tot de Deense muziekelite, die iedere zomer naar het kasteel Fuglsang trok om te converseren en te musiceren in de prachtige concertzaal. Onder de vaste bezoekers – al sinds 1892 - was ook de Nederlands-Duitse pianist, componist en dirigent Julius Röntgen. Nielsen en Röntgen werden vrienden; de Deen droeg zijn Ouverture ‘Helios’ aan Röntgen op.

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Carl Nielsen

Detail van een gerestaureerde foto, ca. 1908

Hij schreef de concertouverture in Athene, waar hij enige maanden verbleef met zijn vrouw, de beeldhouwster Anne Marie Carl-Nielsen. De opkomende en ondergaande zon boven de Egeïsche Zee inspireerde Nielsen tot een warmbloedig, naar de zonnegod Helios genoemd werk. Op de partituur schreef hij een programma: ‘Stilte en duisternis / de zon komt op met een vreugdevol loflied / het legt zijn gouden weg af / en gaat zachtjes onder in de zee.’ De concertouverture is kenmerkend voor Nielsens vroege werk, dat nog met één been in de Romantiek stond. Het zou een van zijn populairdere werken worden, maar stond nog niet eerder op het programma bij het Concertgebouworkest.

Geleidelijk werd Nielsens muziek krachtiger, complexer, moderner. In 1912 gaf Nielsen zijn ambities vorm in zijn Derde symfonie,‘Sinfonia espansiva’, die met zijn woordloze sopraan- en baritonsolo’s de hele mensheid moest aanspreken. Julius Röntgen was overtuigd, en regelde in allerijl dat zijn vriend het in Amsterdam kon dirigeren. Nog geen twee maanden na de Deense première stond Nielsen op de bok bij het Concertgebouworkest. Het was een succes, maar ondanks de bemoeienissen van Röntgen bleef de verwachte internationale doorbraak uit. Toen Nielsen acht jaar later terugkeerde naar Amsterdam, was hij een ander mens. Daarover straks meer.

Strauss: Burleske

De Duitser Richard Strauss was in 1903 al aan zijn vierde bezoek aan het Concertgebouworkest toe. Deze keer niet in Amsterdam, maar voor een heus Strauss-festival in Londen. Onder leiding van de componist klonken vijf verschillende concerten met een dwarsdoorsnede uit zijn oeuvre: liederen, symfonische gedichten en concertante werken, waaronder de Burleske in d klein voor piano en orkest met de nog piepjonge Wilhelm Backhaus als solist. Het is een sterk door Brahms beïnvloed eendelig minipianoconcert, dat begint met een thema in de pauken en daar na enkele opwindende episodes ook weer mee eindigt.

Hij schreef de concertouverture in Athene, waar hij enige maanden verbleef met zijn vrouw, de beeldhouwster Anne Marie Carl-Nielsen. De opkomende en ondergaande zon boven de Egeïsche Zee inspireerde Nielsen tot een warmbloedig, naar de zonnegod Helios genoemd werk. Op de partituur schreef hij een programma: ‘Stilte en duisternis / de zon komt op met een vreugdevol loflied / het legt zijn gouden weg af / en gaat zachtjes onder in de zee.’ De concertouverture is kenmerkend voor Nielsens vroege werk, dat nog met één been in de Romantiek stond. Het zou een van zijn populairdere werken worden, maar stond nog niet eerder op het programma bij het Concertgebouworkest.

Geleidelijk werd Nielsens muziek krachtiger, complexer, moderner. In 1912 gaf Nielsen zijn ambities vorm in zijn Derde symfonie,‘Sinfonia espansiva’, die met zijn woordloze sopraan- en baritonsolo’s de hele mensheid moest aanspreken. Julius Röntgen was overtuigd, en regelde in allerijl dat zijn vriend het in Amsterdam kon dirigeren. Nog geen twee maanden na de Deense première stond Nielsen op de bok bij het Concertgebouworkest. Het was een succes, maar ondanks de bemoeienissen van Röntgen bleef de verwachte internationale doorbraak uit. Toen Nielsen acht jaar later terugkeerde naar Amsterdam, was hij een ander mens. Daarover straks meer.

Strauss: Burleske

De Duitser Richard Strauss was in 1903 al aan zijn vierde bezoek aan het Concertgebouworkest toe. Deze keer niet in Amsterdam, maar voor een heus Strauss-festival in Londen. Onder leiding van de componist klonken vijf verschillende concerten met een dwarsdoorsnede uit zijn oeuvre: liederen, symfonische gedichten en concertante werken, waaronder de Burleske in d klein voor piano en orkest met de nog piepjonge Wilhelm Backhaus als solist. Het is een sterk door Brahms beïnvloed eendelig minipianoconcert, dat begint met een thema in de pauken en daar na enkele opwindende episodes ook weer mee eindigt.

Richard Strauss

Richard Strauss

Richard Strauss

Richard Strauss

Strauss was zelf nog een jonkie toen hij de Burleske schreef: 21 jaar. Hij noemde het oorspronkelijk Scherzo in d klein en droeg het op aan de beroemde (en beruchte) Hans von Bülow, die de jonge musicus net had aangesteld als assistent-dirigent van het orkest van Meiningen. Maar de meester weigerde het ‘ingewikkelde stuk onzin’ met zijn ‘onspeelbare’ pianopartij op het programma te zetten. Tweeënhalf jaar later ontmoette Strauss de pianist Eugen d’Albert, die enkele revisies voorstelde en in juni 1890 het werk in première bracht onder de nieuwe naam Burleske. Hoewel Von Bülow nog altijd niet overtuigd was, dirigeerde hij toch de Berlijnse première met D’Albert aan de piano.

Rachmaninoff: Rapsodie op een thema van Paganini

Ook de gastoptredens van Serge Rachmaninoff droegen enorm bij aan het prestige van het Concertgebouworkest. De kennismaking dateert van 1908, toen de wereldberoemde componist/pianist bij het orkest soleerde in zijn Tweede pianoconcert. In 1911 keerde hij terug voor de uitvoering van het Derde pianoconcert, en in 1929 en 1930 soleerde hij in respectievelijk zijn Tweede en Vierde pianoconcert. Zijn populariteit bleek in 1938 nog onverminderd, toen het publiek en masse naar de Van Baerlestraat kwam voor Rachmaninoffs optreden met het Concertgebouworkest in zijn ‘Paganini-rapsodie’. Men werd niet teleurgesteld. Pers en publiek waren extatisch. Rachmaninoffs pianotechniek werd in recensies omschreven als ‘overrompelend’ en ‘volmaakt’, en ook als componist maakte de Rus indruk.

Strauss was zelf nog een jonkie toen hij de Burleske schreef: 21 jaar. Hij noemde het oorspronkelijk Scherzo in d klein en droeg het op aan de beroemde (en beruchte) Hans von Bülow, die de jonge musicus net had aangesteld als assistent-dirigent van het orkest van Meiningen. Maar de meester weigerde het ‘ingewikkelde stuk onzin’ met zijn ‘onspeelbare’ pianopartij op het programma te zetten. Tweeënhalf jaar later ontmoette Strauss de pianist Eugen d’Albert, die enkele revisies voorstelde en in juni 1890 het werk in première bracht onder de nieuwe naam Burleske. Hoewel Von Bülow nog altijd niet overtuigd was, dirigeerde hij toch de Berlijnse première met D’Albert aan de piano.

Rachmaninoff: Rapsodie op een thema van Paganini

Ook de gastoptredens van Serge Rachmaninoff droegen enorm bij aan het prestige van het Concertgebouworkest. De kennismaking dateert van 1908, toen de wereldberoemde componist/pianist bij het orkest soleerde in zijn Tweede pianoconcert. In 1911 keerde hij terug voor de uitvoering van het Derde pianoconcert, en in 1929 en 1930 soleerde hij in respectievelijk zijn Tweede en Vierde pianoconcert. Zijn populariteit bleek in 1938 nog onverminderd, toen het publiek en masse naar de Van Baerlestraat kwam voor Rachmaninoffs optreden met het Concertgebouworkest in zijn ‘Paganini-rapsodie’. Men werd niet teleurgesteld. Pers en publiek waren extatisch. Rachmaninoffs pianotechniek werd in recensies omschreven als ‘overrompelend’ en ‘volmaakt’, en ook als componist maakte de Rus indruk.

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Serge Rachmaninoff

op latere leeftijd

Rachmaninoffs Rapsodie bestaat uit 24 variaties op de 24ste capriccio van Niccolò Paganini, dezelfde die onder anderen Brahms tot inspiratie diende. Hoewel alle variaties zonder onderbreking op elkaar volgen en één compositorisch geheel vormen, is het werk ook op te vatten als een traditioneel pianoconcert in drie delen. Het eerste begint met een korte introductie en een eerste, inleidende variatie, gevolgd door het eigenlijke thema en de variaties 2 tot en met 10. De zesde variatie markeert een omslag naar een plechtstatiger muziek, waarna Rachmaninoff het Dies irae-motief introduceert. Het uit de middeleeuwse dodenmis afkomstige motief duikt vaker op in zijn muziek. Begeleid door een vertraagde versie van het begin van Paganini’s thema kan het hier een toespeling zijn op de bekende mythe dat de vioolvirtuoos Paganini bezeten was van de duivel.

De variaties 11 tot en met 18 vormen het tweede deel. De bekende melodie van de achttiende variatie bereikt Rachmaninoff door het thema om te keren (wat omlaag ging gaat nu om hoog en vice versa).

Het slotdeel wordt gevormd door de laatste zes variaties en bevat de meeste acrobatische toeren voor de solist. Met name de laatste variatie is zo moeilijk dat het Rachmaninoff zelf angst aanjoeg. Bij de wereldpremière brak hij met zijn eigen regel nooit alcohol te drinken voor een optreden. Voortaan dronk Rachmaninoff een glaasje crème de menthe voorafgaand aan iedere uitvoering van het werk. Ook in Amsterdam. Het zou Rachmaninoffs laatste optreden met het Concertgebouworkest blijken, maar zijn Rapsodie bleef op het repertoire.

Nielsen: Vijfde symfonie

In 1920 werd Carl Nielsen als dirigent bij het Concertgebouworkest teruggevraagd voor een compleet Scandinavisch programma. Naast muziek van Grieg, Rangström, Sibelius (Finlandia) en Stenhammar leidde hij drie eigen werken: de natuurscène Pan en Syrinx, de Hanendans uit zijn opera Maskarade en de Vierde symfonie - een krachtig pleidooi voor menselijke veerkracht. De ontvangst was koeltjes. De tragiek van Nielsen is dat de wereld buiten Denemarken zijn werk pas na zijn dood echt op waarde zou gaan schatten. De sagenwereld en pastorale melodiek die van Scandinavische componisten werden verwacht, waren bij hem ver te zoeken. Nielsens vreemde dissonanten, polytonale passages en sterke, hoekige ritmiek werkten vervreemdend.

Het gebrek aan internationale erkenning vrat aan hem. Dat hij een nationale held was, zei hem niet veel. Nielsen had weinig op met patriottisme, zeker niet vlak na de verwoestende Eerste Wereldoorlog. Daarbij was hij ook getekend door een slepende huwelijkscrisis, die in 1919 eindelijk op een scheiding uitdraaiden. Ondertussen leidde zijn tomeloze expressiedrang tot muziek die de verwachtingen van het internationale publiek nog verder onderuit haalde. Eind 1920 begon hij aan zijn Vijfde symfonie: grillige muziek vol contrasten en dramatische conflicten, die zich voltrekken binnen twee uitgesponnen delen. Hoewel de oorlog geen directe inspiratiebron vormde, zei Nielsen: ‘Geen van ons is dezelfde gebleven als hij was voor de oorlog.’

Het eerste deel begint met een zachte pendelbeweging in de altviolen en een golvend thema in de fagotten. Binnen het bedrieglijk vriendelijke klankbeeld blijken de thema’s al gauw onderworpen te zijn aan destructieve krachten. Ze ontsporen, doven uit, worden onderbroken, bewegen doelloos langs elkaar. Wanneer een muitende slagwerker dreigende snaredrumsalvo’s begint af te vuren worden we definitief in een kille, kale klankwereld geworpen. Hoopvolle episodes leiden onherroepelijk tot niets, en na een muzikale strijd tussen de snaredrum en het orkest is de verslagenheid voelbaar in een tragische klarinetsolo.

Het tweede deel werd door componist/musicoloog Robert Simpson beschreven als een oprijzen uit de as en de ruïnes die het eerste deel heeft achtergelaten. Opnieuw is er sprake van conflicten tussen instrumentgroepen en hysterische solo’s, maar hiermee wordt nu een nieuwe klankwereld opgebouwd die zich openbaart in een langzame fuga. Tijdens het triomfantelijke slot lijken alle puzzelstukken in elkaar te vallen.
Jaren later trachtte Nielsen uit te leggen wat de symfonie wil uitdrukken: ‘Ik rol een steen de heuvel op en gebruik alle krachten binnenin mij om de steen naar de top te brengen. De steen ligt daar zo stil, krachten zijn erin samengebald, totdat ik hem een schop geef en die krachten bevrijd worden, en de steen weer omlaag rolt. Maar je moet dat niet opvatten als een programma!’

Rachmaninoffs Rapsodie bestaat uit 24 variaties op de 24ste capriccio van Niccolò Paganini, dezelfde die onder anderen Brahms tot inspiratie diende. Hoewel alle variaties zonder onderbreking op elkaar volgen en één compositorisch geheel vormen, is het werk ook op te vatten als een traditioneel pianoconcert in drie delen. Het eerste begint met een korte introductie en een eerste, inleidende variatie, gevolgd door het eigenlijke thema en de variaties 2 tot en met 10. De zesde variatie markeert een omslag naar een plechtstatiger muziek, waarna Rachmaninoff het Dies irae-motief introduceert. Het uit de middeleeuwse dodenmis afkomstige motief duikt vaker op in zijn muziek. Begeleid door een vertraagde versie van het begin van Paganini’s thema kan het hier een toespeling zijn op de bekende mythe dat de vioolvirtuoos Paganini bezeten was van de duivel.

De variaties 11 tot en met 18 vormen het tweede deel. De bekende melodie van de achttiende variatie bereikt Rachmaninoff door het thema om te keren (wat omlaag ging gaat nu om hoog en vice versa).

Het slotdeel wordt gevormd door de laatste zes variaties en bevat de meeste acrobatische toeren voor de solist. Met name de laatste variatie is zo moeilijk dat het Rachmaninoff zelf angst aanjoeg. Bij de wereldpremière brak hij met zijn eigen regel nooit alcohol te drinken voor een optreden. Voortaan dronk Rachmaninoff een glaasje crème de menthe voorafgaand aan iedere uitvoering van het werk. Ook in Amsterdam. Het zou Rachmaninoffs laatste optreden met het Concertgebouworkest blijken, maar zijn Rapsodie bleef op het repertoire.

Nielsen: Vijfde symfonie

In 1920 werd Carl Nielsen als dirigent bij het Concertgebouworkest teruggevraagd voor een compleet Scandinavisch programma. Naast muziek van Grieg, Rangström, Sibelius (Finlandia) en Stenhammar leidde hij drie eigen werken: de natuurscène Pan en Syrinx, de Hanendans uit zijn opera Maskarade en de Vierde symfonie - een krachtig pleidooi voor menselijke veerkracht. De ontvangst was koeltjes. De tragiek van Nielsen is dat de wereld buiten Denemarken zijn werk pas na zijn dood echt op waarde zou gaan schatten. De sagenwereld en pastorale melodiek die van Scandinavische componisten werden verwacht, waren bij hem ver te zoeken. Nielsens vreemde dissonanten, polytonale passages en sterke, hoekige ritmiek werkten vervreemdend.

Het gebrek aan internationale erkenning vrat aan hem. Dat hij een nationale held was, zei hem niet veel. Nielsen had weinig op met patriottisme, zeker niet vlak na de verwoestende Eerste Wereldoorlog. Daarbij was hij ook getekend door een slepende huwelijkscrisis, die in 1919 eindelijk op een scheiding uitdraaiden. Ondertussen leidde zijn tomeloze expressiedrang tot muziek die de verwachtingen van het internationale publiek nog verder onderuit haalde. Eind 1920 begon hij aan zijn Vijfde symfonie: grillige muziek vol contrasten en dramatische conflicten, die zich voltrekken binnen twee uitgesponnen delen. Hoewel de oorlog geen directe inspiratiebron vormde, zei Nielsen: ‘Geen van ons is dezelfde gebleven als hij was voor de oorlog.’

Het eerste deel begint met een zachte pendelbeweging in de altviolen en een golvend thema in de fagotten. Binnen het bedrieglijk vriendelijke klankbeeld blijken de thema’s al gauw onderworpen te zijn aan destructieve krachten. Ze ontsporen, doven uit, worden onderbroken, bewegen doelloos langs elkaar. Wanneer een muitende slagwerker dreigende snaredrumsalvo’s begint af te vuren worden we definitief in een kille, kale klankwereld geworpen. Hoopvolle episodes leiden onherroepelijk tot niets, en na een muzikale strijd tussen de snaredrum en het orkest is de verslagenheid voelbaar in een tragische klarinetsolo.

Het tweede deel werd door componist/musicoloog Robert Simpson beschreven als een oprijzen uit de as en de ruïnes die het eerste deel heeft achtergelaten. Opnieuw is er sprake van conflicten tussen instrumentgroepen en hysterische solo’s, maar hiermee wordt nu een nieuwe klankwereld opgebouwd die zich openbaart in een langzame fuga. Tijdens het triomfantelijke slot lijken alle puzzelstukken in elkaar te vallen.
Jaren later trachtte Nielsen uit te leggen wat de symfonie wil uitdrukken: ‘Ik rol een steen de heuvel op en gebruik alle krachten binnenin mij om de steen naar de top te brengen. De steen ligt daar zo stil, krachten zijn erin samengebald, totdat ik hem een schop geef en die krachten bevrijd worden, en de steen weer omlaag rolt. Maar je moet dat niet opvatten als een programma!’

door Martijn Voorvelt

Biografie

Alan Gilbert, dirigent

Alan Gilbert studeerde aan Harvard University, het Curtis Institute of Music in Philadelphia en de Juilliard School of Music in New York en begon zijn carrière als assistent-dirigent bij The Cleveland Orchestra. Sinds september 2019 is hij chef-dirigent van het NDR Elbphilharmonie Orchester in Hamburg, waar hij eerder al meer dan tien jaar vaste gastdirigent was.

Tussen 2009 en 2017 vierde hij successen als music director van de New York Philharmonic. In het verleden was hij chef-dirigent van de Santa Fe Opera en het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm, waar hij nu eredirigent is.

Als gastdirigent wordt Alan Gilbert uitgenodigd door tal van beroemde orkesten. In recente seizoenen was hij onder meer actief met het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de Berliner Philharmoniker.

Wat het operagenre betreft, gaf hij leiding aan opvoeringen van Schönbergs Moses und Aron in de Dresdner Semperoper en Korngolds Die tote Stadt in het Milanese Teatro alla Scala.

Na zijn debuut bij het Concertgebouworkest in 2003 was hij meerdere malen te gast, zoals in 2017 met werken van Bernstein, Roukens en Sibelius en in september 2020 met een Gershwin-programma.

Kirill Gerstein, piano

Kirill Gerstein is afkomstig uit Voronezh, Zuidwest-Rusland en studeerde piano vanaf jonge leeftijd – aanvankelijk klassiek, later jazz. Op zijn veertiende werd hij als jongste student ooit toegelaten tot Berklee College in Boston. Zes jaar later behaalde hij zijn bachelor- en kort daarna zijn masterdiploma aan de Manhattan School of Music.

Op 27-jarige leeftijd werd hij benoemd tot docent aan de Musikhochschule in Stuttgart. Sinds 2003 is Kirill Gerstein Amerikaans staatsburger.

De pianist trad op met orkesten als de Wiener Philharmoniker, het BBC Symphony Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, het NDR Sinfonieorchester, de New York Philharmonic en de symfonieorkesten van Boston, San Francisco en Vancouver. Hij werkte regelmatig samen met onder anderen Charles Dutoit en Gustavo Dudamel.

In 2001 won Kirill Gerstein een Avery Fisher Grant en de eerste prijs tijdens de Arthur Rubinstein Pianocompetitie in Tel Aviv. In 2010 was hij de zesde winnaar van de prestigieuze Gilmore Artists Award. Voor zijn opname van Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert in de oorspronkelijke versie won hij een ECHO Klassik Award.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde Kirill Gerstein in januari 2016 als solist in Rachmaninoffs Tweede pianoconcert onder leiding van Semyon Bychkov. Zijn geplande terugkeer in maart 2020 met werken van Busoni en Adès kon wegens covid-19 geen doorgang vinden.