Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
interview

Ken Hakii - altviool

door Carine Alders
27 augustus 2019

Als student zag hij het Concertgebouworkest op tv. ‘Herman Krebbers was de beste concertmeester, het orkest hoorde wereldwijd bij de top drie. Ik hield meteen van de klank, maar die wereld leek onbereikbaar.’ Nooit had Ken Hakii gedacht dat dát zijn orkest zou worden.

Als vierjarig jongetje kreeg Ken Hakii van zijn ouders een viooltje. Hij studeerde braaf, maar zag dat vooral als zijn plicht. Pas toen hij als dertienjarige in een amateurorkest voor het eerst genoot van het samenspel en kennismaakte met componisten als Tsjaikovski en Brahms wist hij dat een leven zonder muziek ondenkbaar zou zijn.

Ken Hakii, foto: Renske Vrolijk

In het eerste jaar aan het conservatorium wilde hij graag in een strijkkwartet spelen, maar er waren twintig violisten, acht cellisten en slechts twee altviolisten in zijn jaar. Het lag dus voor de hand om de overstap naar altviool te maken. ‘Wow, de altviool paste mij perfect. Ik kon ineens de mooie kleur maken die ik in gedachten had. Bovendien houd ik van de middenstem in de harmonie. En het is heerlijk om midden in het orkest te zitten.’ 

De overstap naar een andere wereld

‘In Europa ben je altijd snel in een ander land. Vanuit Japan – omringd door de Grote Oceaan – moet je altijd een hele reis ondernemen om naar het buitenland te gaan. Er was in die tijd geen internet, Europa was echt een andere wereld.’ Na twee jaar spelen in het Tokyo Philharmonic Orchestra begon het te kriebelen.

‘Ik wilde een keer naar Europa. Het plan was om een jaar in Keulen te gaan studeren bij Rainer Moog, een van de allerbeste altviooldocenten. Daarna zou ik weer teruggaan naar Tokio. Europa voelde als opnieuw geboren worden. Alles was nieuw en na een jaar dacht ik: ‘Nu ben ik een beetje gewend, ik blijf nog een jaar.’

Toen vertelde mijn leraar dat er een vacature in Amsterdam was. Het leek me fantastisch om tenminste één keer in mijn leven in Het Concertgebouw te mogen spelen, dus ik greep mijn kans. Ik was niet zenuwachtig en heb heel vrij gespeeld. Ik had er helemaal geen rekening mee gehouden dat ik het proefspel zou winnen. Nu moest ik wel blijven!’

Grappen tijdens de repetitie

‘In het begin was ik best gespannen. Mijn tweede repetitiedag was met de Hongaarse dirigent Antal Doráti. Hij merkte op dat het spel ongelijk was, waarop een eerste violist aan de achterste lessenaar gezegd moet hebben dat hij de tweede violen niet goed kon horen.’

‘Toen we bij de bewuste passage kwamen, draaiden de tweede violen zich massaal naar de eerste violen, zodat ze het goed zouden horen. Ik was stomverbaasd. Zo’n grap tijdens de repetitie had ik nog nooit meegemaakt! In Japan was ik dat niet gewend, maar het maakt wel dat je los en vrij kunt spelen.’ 

‘Eigenlijk ben ik in proefspelen altijd op zoek naar kamermusici in plaats van solisten’

Hakii bekent dat hij in die ­beginjaren nog regelmatig twijfelde of hij wel goed genoeg was voor het orkest. Toen hij in 1992 aanvoerder werd, met alle verantwoordelijkheid die daarbij hoort, werd die twijfel in eerste instantie alleen nog maar groter.

‘Ik ben verantwoordelijk voor het realiseren van de wensen van de dirigent. Ik zoek steeds naar de beste klank en probeer van de groep een hecht ensemble te maken. Het samenspel aan de eerste lessenaar is daarvoor een belangrijk fundament. Natuurlijk heeft iedereen zijn eigen stijl, maar ik zoek naar het punt waar we elkaar ontmoeten. Goed kunnen luisteren is misschien wel de belangrijkste eigenschap voor elke altviolist in het orkest. Daarnaast moet je heel mooi zacht kunnen spelen. Eigenlijk ben ik in proefspelen altijd op zoek naar ­kamermusici in plaats van solisten.’

Levensgenieter

En toch wordt van de aanvoerder verwacht dat hij soms een solo speelt. In Richard Strauss’ symfonische gedicht Don Quixote heeft de altviool een belangrijke rol, namelijk die van Sancho Panza – de vrolijke tegenhanger van Don Quichot. Ken Hakii speelde deze solistische partij voor het eerst onder Mariss Jansons in 1993, een ­ervaring die een groot deel van zijn twijfel wegnam.

‘Mozart kun je heel mooi spelen zonder voorkennis, Don Quixote niet.’

Over Jansons spreekt hij met genegenheid: ‘Ik voelde me door Mariss opgetild, hij gaf mij zelfvertrouwen. De manier waarop ik de solo ingestudeerd had strookte niet met zijn opvatting, maar hij accepteerde mijn visie. Tijdens de eerste repetitie kwam ik erachter dat hij gelijk had. Ik ben dankbaar dat hij mij de ruimte heeft gegeven, dat proces was voor mij belangrijk.

Om de muziek goed te spelen moet je het verhaal over de metgezel van Don Quichot kennen. Mozart kun je heel mooi spelen zonder voorkennis, dit niet. Pas als je speelt met een levensgenieter in je hoofd begint het te dansen.’ In 1997 stond het werk op het programma tijdens een Europese tournee van het orkest. ‘Onder Wolfgang Sawallisch heb ik het eindeloos opnieuw gespeeld tot hij tevreden was. Dat was een goede basis voor de volgende concerten met Riccardo Chailly, die mij juist enorm veel vrijheid gaf.’

Stilte

Ken Hakii’s lange loopbaan kent vele hoogtepunten, maar één moment was heel bijzonder. ‘Ik speelde samen met mijn vrouw (de violiste Hiromi ­Kikuchi) de dubbelsolo in Concertante van György Kurtág, een van de beste componisten die ik ken. Hij componeerde dit werk voor Hiromi en vertrouwde mij toe dat hij het zonder haar nooit geschreven zou hebben. De muziek eindigt met een lange noot en dan een korte noot. En toen bleef het tien seconden stil, dat was zo’n mooi moment. Niet alleen door de akoestiek, maar ook door de aandacht van het publiek. Op zo’n moment besef je de waarde van samen muziek beleven.’

Een ander hoogtepunt was de Negende symfonie van Mahler onder Leonard Bernstein, in 1985. ‘Ik had deze symfonie nog nooit gespeeld en had al mijn aandacht nodig voor de muziek. Ik zag vanachter mijn lessenaar vooral zijn voet, maar meer was niet nodig. Zijn hele lichaam was muziek, die voet vertelde alles. De altviolen eindigen met een heel zachte noot. Ik hoorde mijn hart harder bonzen dan de klank van mijn instrument. Bernstein kon met zijn persoonlijkheid enorme concentratie afdwingen.’ 

Tabea Zimmermann

Dit seizoen kijkt Ken Hakii uit naar meerdere concerten. ‘Ik verheug me op het weerzien met Mariss, de periode onder hem was een mooie tijd. Maar ik ben ook zeer blij met de komst van Tabea Zimmermann als artist in residence. De aandacht voor de altviool is heel goed.’

‘Tabea heeft zoveel dingen gedaan die ik nooit voor mogelijk had gehouden. Haar spel kent geen grenzen, ik verwacht veel van haar. En dan nog de Negende symfonie van Beethoven tijdens de Kerstmatinee. Voor Japanners is dat net zo’n traditie als hier de Matthäus voor Pasen. Én het is het allereerste werk dat ik ooit met het Concertgebouworkest speelde.’ 

 

De altviool van Ken Hakii

Ken Hakii speelt op een Milanese altviool uit circa 1680, gebouwd door Francesco en Giovanni Grancino. Het instrument is aan Ken Hakii in bruikleen verstrekt via RCO Foundation dankzij een royale schenking van een particuliere donateur.

‘Toen mij aangeboden werd een nieuwe altviool te selecteren ben ik met mijn vrouw naar Londen gegaan. Zij heeft een heel goed oog en oor voor het juiste instrument. Pas bij de vierde reis was het raak. Ik vond deze altviool in eerste instantie niet interessant, maar Hiromi bleef aandringen dat ik deze Grancino echt moest uitproberen.

We lieten het instrument naar Amsterdam komen en ik moest er erg aan wennen. De altviool was lang niet bespeeld en gaf de klank niet makkelijk prijs. Maar ze had natuurlijk gelijk. Hiromi is mijn meest kritische luisteraar en mijn belangrijkste leraar. Die verhouding klopt ook wel met de karakters van de viool en de altviool.’

wo 18, do 19 september | Grote Zaal
Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Truls Mørk — cello
Ken Hakii — altviool

Bekijk dit concertprogramma

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.