Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Ibragimova, Goldscheider en Várjon spelen Brahms' Hoorntrio

Ibragimova, Goldscheider en Várjon spelen Brahms' Hoorntrio

Kleine Zaal
06 februari 2026
20.15 uur

Print dit programma

Alina Ibragimova viool
Ben Goldscheider hoorn
Dénes Várjon piano

Dit programma maakt deel uit van de serie Grote Solisten in de Kleine Zaal.

Ook interessant:
- Het achtegrondverhaal over Hongaarse muziek

Johannes Brahms (1833-1897)

Sonate nr. 1 in G gr.t., op. 78 (1879)
‘Regen’
voor piano en viool
Vivace ma non troppo
Adagio
Allegro molto moderato 

Benjamin Attahir (1989)

nieuw werk (2026)
voor hoorn, viool en piano
Nederlandse première; in opdracht van de Pierre Boulez Saal in Berlijn

pauze ± 21.00 uur

Johannes Brahms

Trio in Es gr.t., op. 40 (1865)
voor hoorn (of altviool of cello), viool en piano
Andante – Poco più animato
Scherzo. Allegro – Molto meno allegro – Allegro
Adagio mesto
Finale. Allegro con brio

einde ± 22.05 uur

Kleine Zaal 06 februari 2026 20.15 uur

Alina Ibragimova viool
Ben Goldscheider hoorn
Dénes Várjon piano

Dit programma maakt deel uit van de serie Grote Solisten in de Kleine Zaal.

Ook interessant:
- Het achtegrondverhaal over Hongaarse muziek

Johannes Brahms (1833-1897)

Sonate nr. 1 in G gr.t., op. 78 (1879)
‘Regen’
voor piano en viool
Vivace ma non troppo
Adagio
Allegro molto moderato 

Benjamin Attahir (1989)

nieuw werk (2026)
voor hoorn, viool en piano
Nederlandse première; in opdracht van de Pierre Boulez Saal in Berlijn

pauze ± 21.00 uur

Johannes Brahms

Trio in Es gr.t., op. 40 (1865)
voor hoorn (of altviool of cello), viool en piano
Andante – Poco più animato
Scherzo. Allegro – Molto meno allegro – Allegro
Adagio mesto
Finale. Allegro con brio

einde ± 22.05 uur

Toelichting

Johannes Brahms (1833-1897)

Brahms: Eerste vioolsonate

door Aad van der Ven

Het zou verbazing hebben gewekt wanneer Johannes Brahms geen belangstelling voor de viool als drager van zijn meest lyrische gedachten zou hebben gehad. Zelf was hij weliswaar pianist, maar twee vooraanstaande violisten, Eduard ­Reményi en Joseph Joachim, behoorden tot zijn beste vrienden. Mede dankzij dit tweetal kende hij de vioolsonates van Ludwig van Beethoven, zijn grote voorbeeld, van voor naar achteren. Maar zoals altijd bij Brahms: juist zijn liefde en respect voor zijn grote voorgangers scherpte zijn zelfkritiek. Men gaat er vanuit dat hij minstens vier vioolsonates heeft vernietigd alvorens hij er één voor publicatie rijp achtte. Dat werk, opus 78, ontstond in de schaduw van het Vioolconcert, dat hij in de zomer van 1878 voor Joachim schreef. Ook de sonate componeerde hij tijdens een verblijf in Pörtschach aan de Wörthersee in Karinthië. Hij liet het werk aan Joachim zien, toen componist en violist samen nog wat details van het Vioolconcert doornamen, dat begin 1879 in Leipzig in première zou gaan.

Het zou verbazing hebben gewekt wanneer Johannes Brahms geen belangstelling voor de viool als drager van zijn meest lyrische gedachten zou hebben gehad. Zelf was hij weliswaar pianist, maar twee vooraanstaande violisten, Eduard ­Reményi en Joseph Joachim, behoorden tot zijn beste vrienden. Mede dankzij dit tweetal kende hij de vioolsonates van Ludwig van Beethoven, zijn grote voorbeeld, van voor naar achteren. Maar zoals altijd bij Brahms: juist zijn liefde en respect voor zijn grote voorgangers scherpte zijn zelfkritiek. Men gaat er vanuit dat hij minstens vier vioolsonates heeft vernietigd alvorens hij er één voor publicatie rijp achtte. Dat werk, opus 78, ontstond in de schaduw van het Vioolconcert, dat hij in de zomer van 1878 voor Joachim schreef. Ook de sonate componeerde hij tijdens een verblijf in Pörtschach aan de Wörthersee in Karinthië. Hij liet het werk aan Joachim zien, toen componist en violist samen nog wat details van het Vioolconcert doornamen, dat begin 1879 in Leipzig in première zou gaan.

  • Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

    Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

  • Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

    Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

Tegenover de kracht en de grootsheid van dit veeleisende concert staat de intimiteit van de betrekkelijk eenvoudige sonate, met haar liedachtige melodieën. Het gepuncteerde thema waarmee het werk zo onnadrukkelijk begint is een bindende factor gedurende het hele eerste deel. Ook in het introverte Adagio (in ABA-vorm), met een treurmarsachtige middenepisode, spelen gepuncteerde ritmes een belangrijke rol. De finale is hoofdzakelijk gebaseerd op een frase uit Brahms’ Regenlied opus 59 nr. 3 (‘Walle Regen, walle nieder, / Wecke meine alten Lieder’), waarbij menigeen in de neerwaartse noten van het slotdeel de vallende ­waterdruppels meent te horen. In de ogen van Brahms-biograaf Walter Niemann is de sonate ‘eine zart elegisch-wehmutsvoll gefärbte, auf den pastoralen Grundton einer stillen Beschaulichkeit und sinnigen Heiterkeit gestimmte Instrumentalidylle.’

Tegenover de kracht en de grootsheid van dit veeleisende concert staat de intimiteit van de betrekkelijk eenvoudige sonate, met haar liedachtige melodieën. Het gepuncteerde thema waarmee het werk zo onnadrukkelijk begint is een bindende factor gedurende het hele eerste deel. Ook in het introverte Adagio (in ABA-vorm), met een treurmarsachtige middenepisode, spelen gepuncteerde ritmes een belangrijke rol. De finale is hoofdzakelijk gebaseerd op een frase uit Brahms’ Regenlied opus 59 nr. 3 (‘Walle Regen, walle nieder, / Wecke meine alten Lieder’), waarbij menigeen in de neerwaartse noten van het slotdeel de vallende ­waterdruppels meent te horen. In de ogen van Brahms-biograaf Walter Niemann is de sonate ‘eine zart elegisch-wehmutsvoll gefärbte, auf den pastoralen Grundton einer stillen Beschaulichkeit und sinnigen Heiterkeit gestimmte Instrumentalidylle.’

door Aad van der Ven

Benjamin Attahir (1989)

nieuw werk

Bij het ter perse gaan, begin januari, van deze editie van Preludium waren partituur en achtergrondinformatie over de nieuwe compositie van Benjamin Attahir nog niet beschikbaar.

Bij het ter perse gaan, begin januari, van deze editie van Preludium waren partituur en achtergrondinformatie over de nieuwe compositie van Benjamin Attahir nog niet beschikbaar.

Johannes Brahms (1833-1897)

Hoorntrio

door Carine Alders

  • Brahms omstreeks 1865

    Brahms omstreeks 1865

  • Brahms omstreeks 1865

    Brahms omstreeks 1865

Het Tr­io in Es groot in de ongewone bezetting van hoorn, viool en piano componeerde Johannes Brahms zo’n dertien jaar voor zijn Eerste vioolsonate. De hoorn was een van zijn favoriete instrumenten, hij had er dierbare jeugdherinneringen aan. Zo had vader Brahms zich als hoornist aangesloten bij het leger om zo stadsburger te kunnen worden van Hamburg. Van hem leerde de jonge ­Johannes de natuurhoorn bespelen en hij was er aardig bedreven in. Zeer bewust schreef hij op de partituur van zijn Tr­io dat de muziek bedoeld was voor natuurhoorn en niet voor de inmiddels ingeburgerde, modernere ventielhoorn. Brahms hield juist van het gedempte geluid, veroorzaakt door de hand in de beker die de toonhoogte beïnvloedt.

Het werk ontstond in Lichtental in het Zwarte Woud, waar de componist voor de zomer een etage huurde. Brahms vertelde zijn leerling en eerste biograaf Florenz May dat het idee hem bij een wandeling door de bossen ingevallen was. Hij herinnerde zich hoe hij twee jaar na het ontstaan van het Tr­io met een vriend een heuvel opgeklommen was en genietend van het uitzicht precies de plek had kunnen aanwijzen waar hem het thema van het eerste deel ingevallen zou zijn. Precies op dat moment brak de zon door, veel romantischer wordt het niet. In werkelijkheid leefde Brahms vaak jaren met zijn ideeën voordat ze hun definitieve muzikale gestalte kregen. Zo ontdekte dirigent/klavecinist Christopher Hogwood bij een nieuwe uitgave van het Tri­o dat Brahms een melodie gebruikt had die hij als twintigjarige al neergepend had in het gastenboek van de kapelmeester in Göttingen. 

De intens droevige sfeer van het langzame derde deel wordt wel in verband gebracht met de dood van Brahms’ moeder eerder dat jaar, maar een alternatieve inspiratiebron zou ook zijn verbroken relatie met Agathe von Siebold kunnen zijn. In elk geval bleef de componist niet bij de pakken neerzitten, in de opwindende Finale is de jachthoorn in zijn element.

Het Tr­io in Es groot in de ongewone bezetting van hoorn, viool en piano componeerde Johannes Brahms zo’n dertien jaar voor zijn Eerste vioolsonate. De hoorn was een van zijn favoriete instrumenten, hij had er dierbare jeugdherinneringen aan. Zo had vader Brahms zich als hoornist aangesloten bij het leger om zo stadsburger te kunnen worden van Hamburg. Van hem leerde de jonge ­Johannes de natuurhoorn bespelen en hij was er aardig bedreven in. Zeer bewust schreef hij op de partituur van zijn Tr­io dat de muziek bedoeld was voor natuurhoorn en niet voor de inmiddels ingeburgerde, modernere ventielhoorn. Brahms hield juist van het gedempte geluid, veroorzaakt door de hand in de beker die de toonhoogte beïnvloedt.

Het werk ontstond in Lichtental in het Zwarte Woud, waar de componist voor de zomer een etage huurde. Brahms vertelde zijn leerling en eerste biograaf Florenz May dat het idee hem bij een wandeling door de bossen ingevallen was. Hij herinnerde zich hoe hij twee jaar na het ontstaan van het Tr­io met een vriend een heuvel opgeklommen was en genietend van het uitzicht precies de plek had kunnen aanwijzen waar hem het thema van het eerste deel ingevallen zou zijn. Precies op dat moment brak de zon door, veel romantischer wordt het niet. In werkelijkheid leefde Brahms vaak jaren met zijn ideeën voordat ze hun definitieve muzikale gestalte kregen. Zo ontdekte dirigent/klavecinist Christopher Hogwood bij een nieuwe uitgave van het Tri­o dat Brahms een melodie gebruikt had die hij als twintigjarige al neergepend had in het gastenboek van de kapelmeester in Göttingen. 

De intens droevige sfeer van het langzame derde deel wordt wel in verband gebracht met de dood van Brahms’ moeder eerder dat jaar, maar een alternatieve inspiratiebron zou ook zijn verbroken relatie met Agathe von Siebold kunnen zijn. In elk geval bleef de componist niet bij de pakken neerzitten, in de opwindende Finale is de jachthoorn in zijn element.

door Carine Alders

Johannes Brahms (1833-1897)

Brahms: Eerste vioolsonate

door Aad van der Ven

Het zou verbazing hebben gewekt wanneer Johannes Brahms geen belangstelling voor de viool als drager van zijn meest lyrische gedachten zou hebben gehad. Zelf was hij weliswaar pianist, maar twee vooraanstaande violisten, Eduard ­Reményi en Joseph Joachim, behoorden tot zijn beste vrienden. Mede dankzij dit tweetal kende hij de vioolsonates van Ludwig van Beethoven, zijn grote voorbeeld, van voor naar achteren. Maar zoals altijd bij Brahms: juist zijn liefde en respect voor zijn grote voorgangers scherpte zijn zelfkritiek. Men gaat er vanuit dat hij minstens vier vioolsonates heeft vernietigd alvorens hij er één voor publicatie rijp achtte. Dat werk, opus 78, ontstond in de schaduw van het Vioolconcert, dat hij in de zomer van 1878 voor Joachim schreef. Ook de sonate componeerde hij tijdens een verblijf in Pörtschach aan de Wörthersee in Karinthië. Hij liet het werk aan Joachim zien, toen componist en violist samen nog wat details van het Vioolconcert doornamen, dat begin 1879 in Leipzig in première zou gaan.

Het zou verbazing hebben gewekt wanneer Johannes Brahms geen belangstelling voor de viool als drager van zijn meest lyrische gedachten zou hebben gehad. Zelf was hij weliswaar pianist, maar twee vooraanstaande violisten, Eduard ­Reményi en Joseph Joachim, behoorden tot zijn beste vrienden. Mede dankzij dit tweetal kende hij de vioolsonates van Ludwig van Beethoven, zijn grote voorbeeld, van voor naar achteren. Maar zoals altijd bij Brahms: juist zijn liefde en respect voor zijn grote voorgangers scherpte zijn zelfkritiek. Men gaat er vanuit dat hij minstens vier vioolsonates heeft vernietigd alvorens hij er één voor publicatie rijp achtte. Dat werk, opus 78, ontstond in de schaduw van het Vioolconcert, dat hij in de zomer van 1878 voor Joachim schreef. Ook de sonate componeerde hij tijdens een verblijf in Pörtschach aan de Wörthersee in Karinthië. Hij liet het werk aan Joachim zien, toen componist en violist samen nog wat details van het Vioolconcert doornamen, dat begin 1879 in Leipzig in première zou gaan.

  • Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

    Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

  • Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

    Johannes Brahms en Joseph Joachim

    Klagenfurt, 1867

Tegenover de kracht en de grootsheid van dit veeleisende concert staat de intimiteit van de betrekkelijk eenvoudige sonate, met haar liedachtige melodieën. Het gepuncteerde thema waarmee het werk zo onnadrukkelijk begint is een bindende factor gedurende het hele eerste deel. Ook in het introverte Adagio (in ABA-vorm), met een treurmarsachtige middenepisode, spelen gepuncteerde ritmes een belangrijke rol. De finale is hoofdzakelijk gebaseerd op een frase uit Brahms’ Regenlied opus 59 nr. 3 (‘Walle Regen, walle nieder, / Wecke meine alten Lieder’), waarbij menigeen in de neerwaartse noten van het slotdeel de vallende ­waterdruppels meent te horen. In de ogen van Brahms-biograaf Walter Niemann is de sonate ‘eine zart elegisch-wehmutsvoll gefärbte, auf den pastoralen Grundton einer stillen Beschaulichkeit und sinnigen Heiterkeit gestimmte Instrumentalidylle.’

Tegenover de kracht en de grootsheid van dit veeleisende concert staat de intimiteit van de betrekkelijk eenvoudige sonate, met haar liedachtige melodieën. Het gepuncteerde thema waarmee het werk zo onnadrukkelijk begint is een bindende factor gedurende het hele eerste deel. Ook in het introverte Adagio (in ABA-vorm), met een treurmarsachtige middenepisode, spelen gepuncteerde ritmes een belangrijke rol. De finale is hoofdzakelijk gebaseerd op een frase uit Brahms’ Regenlied opus 59 nr. 3 (‘Walle Regen, walle nieder, / Wecke meine alten Lieder’), waarbij menigeen in de neerwaartse noten van het slotdeel de vallende ­waterdruppels meent te horen. In de ogen van Brahms-biograaf Walter Niemann is de sonate ‘eine zart elegisch-wehmutsvoll gefärbte, auf den pastoralen Grundton einer stillen Beschaulichkeit und sinnigen Heiterkeit gestimmte Instrumentalidylle.’

door Aad van der Ven

Benjamin Attahir (1989)

nieuw werk

Bij het ter perse gaan, begin januari, van deze editie van Preludium waren partituur en achtergrondinformatie over de nieuwe compositie van Benjamin Attahir nog niet beschikbaar.

Bij het ter perse gaan, begin januari, van deze editie van Preludium waren partituur en achtergrondinformatie over de nieuwe compositie van Benjamin Attahir nog niet beschikbaar.

Johannes Brahms (1833-1897)

Hoorntrio

door Carine Alders

  • Brahms omstreeks 1865

    Brahms omstreeks 1865

  • Brahms omstreeks 1865

    Brahms omstreeks 1865

Het Tr­io in Es groot in de ongewone bezetting van hoorn, viool en piano componeerde Johannes Brahms zo’n dertien jaar voor zijn Eerste vioolsonate. De hoorn was een van zijn favoriete instrumenten, hij had er dierbare jeugdherinneringen aan. Zo had vader Brahms zich als hoornist aangesloten bij het leger om zo stadsburger te kunnen worden van Hamburg. Van hem leerde de jonge ­Johannes de natuurhoorn bespelen en hij was er aardig bedreven in. Zeer bewust schreef hij op de partituur van zijn Tr­io dat de muziek bedoeld was voor natuurhoorn en niet voor de inmiddels ingeburgerde, modernere ventielhoorn. Brahms hield juist van het gedempte geluid, veroorzaakt door de hand in de beker die de toonhoogte beïnvloedt.

Het werk ontstond in Lichtental in het Zwarte Woud, waar de componist voor de zomer een etage huurde. Brahms vertelde zijn leerling en eerste biograaf Florenz May dat het idee hem bij een wandeling door de bossen ingevallen was. Hij herinnerde zich hoe hij twee jaar na het ontstaan van het Tr­io met een vriend een heuvel opgeklommen was en genietend van het uitzicht precies de plek had kunnen aanwijzen waar hem het thema van het eerste deel ingevallen zou zijn. Precies op dat moment brak de zon door, veel romantischer wordt het niet. In werkelijkheid leefde Brahms vaak jaren met zijn ideeën voordat ze hun definitieve muzikale gestalte kregen. Zo ontdekte dirigent/klavecinist Christopher Hogwood bij een nieuwe uitgave van het Tri­o dat Brahms een melodie gebruikt had die hij als twintigjarige al neergepend had in het gastenboek van de kapelmeester in Göttingen. 

De intens droevige sfeer van het langzame derde deel wordt wel in verband gebracht met de dood van Brahms’ moeder eerder dat jaar, maar een alternatieve inspiratiebron zou ook zijn verbroken relatie met Agathe von Siebold kunnen zijn. In elk geval bleef de componist niet bij de pakken neerzitten, in de opwindende Finale is de jachthoorn in zijn element.

Het Tr­io in Es groot in de ongewone bezetting van hoorn, viool en piano componeerde Johannes Brahms zo’n dertien jaar voor zijn Eerste vioolsonate. De hoorn was een van zijn favoriete instrumenten, hij had er dierbare jeugdherinneringen aan. Zo had vader Brahms zich als hoornist aangesloten bij het leger om zo stadsburger te kunnen worden van Hamburg. Van hem leerde de jonge ­Johannes de natuurhoorn bespelen en hij was er aardig bedreven in. Zeer bewust schreef hij op de partituur van zijn Tr­io dat de muziek bedoeld was voor natuurhoorn en niet voor de inmiddels ingeburgerde, modernere ventielhoorn. Brahms hield juist van het gedempte geluid, veroorzaakt door de hand in de beker die de toonhoogte beïnvloedt.

Het werk ontstond in Lichtental in het Zwarte Woud, waar de componist voor de zomer een etage huurde. Brahms vertelde zijn leerling en eerste biograaf Florenz May dat het idee hem bij een wandeling door de bossen ingevallen was. Hij herinnerde zich hoe hij twee jaar na het ontstaan van het Tr­io met een vriend een heuvel opgeklommen was en genietend van het uitzicht precies de plek had kunnen aanwijzen waar hem het thema van het eerste deel ingevallen zou zijn. Precies op dat moment brak de zon door, veel romantischer wordt het niet. In werkelijkheid leefde Brahms vaak jaren met zijn ideeën voordat ze hun definitieve muzikale gestalte kregen. Zo ontdekte dirigent/klavecinist Christopher Hogwood bij een nieuwe uitgave van het Tri­o dat Brahms een melodie gebruikt had die hij als twintigjarige al neergepend had in het gastenboek van de kapelmeester in Göttingen. 

De intens droevige sfeer van het langzame derde deel wordt wel in verband gebracht met de dood van Brahms’ moeder eerder dat jaar, maar een alternatieve inspiratiebron zou ook zijn verbroken relatie met Agathe von Siebold kunnen zijn. In elk geval bleef de componist niet bij de pakken neerzitten, in de opwindende Finale is de jachthoorn in zijn element.

door Carine Alders

Biografie

Alina Ibragimova, viool

Alina Ibragimova begon haar opleiding aan de Gnessin Muziekschool in Moskou. Nadat haar familie in 1995 naar Engeland was verhuisd, vervolgde ze haar studie daar aan de Yehudi Menuhin School en het Royal College of Music in Londen. Met repertoire van Barok tot hedendaags, gespeeld op zowel moderne als historische instrumenten, bouwde de violiste een grote reputatie op.

Tijdens de BBC Proms in 2015 trad ze als solist op met zowel een symfonieorkest als een barokensemble én voerde ze in twee recitals alle ­solopartita’s en -sonates van Bach uit. Alina Ibragimova werd geëngageerd door onder meer het Boston Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker, het London Symphony Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe, het Mahler Chamber Orchestra en Camerata Salzburg.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde ze in maart 2019 met het Vioolconcert van Schumann onder leiding van John Eliot Gardiner. Hoogtepunten in het huidige seizoen zijn optredens met het Budapest Festival Orchestra, de Dresdner Philharmonie, het Scottish Chamber Orchestra en Camerata Bern.

Alina Ibragimova speelt ook graag kamermuziek: ze is de primarius van het Chiaroscuro Quartet, waarmee ze voor het laatst in mei 2025 in de Kleine Zaal optrad, en vormt al jaren een vast duo met de Franse pianist Cédric Tiberghien. De violiste bespeelt een instrument van Anselmo Bellosio uit circa 1775.

Ben Goldscheider, hoorn

Ben Goldscheider werd geboren in Londen, volgde daar lessen aan het Royal College of Music Junior Department bij Susan Dent en voltooide in 2020 zijn opleiding aan de ­Barenboim-Said Akademie in Berlijn bij Radek Baborák.

Op zijn 18de was hij finalist in de BBC Young Musician Competition 2016; twee jaar later maakte hij zijn debuut op de BBC Proms en bracht hij zijn eerste cd uit. In seizoen 2021/2022 tourde hij door Europa als Rising Star van de European Concert Hall Organisation, en zo debuteerde hij ook in de Kleine Zaal.

Als solist werd Ben Goldscheider inmiddels geëngageerd door onder meer het Aurora Orchestra, het BBC ­Symphony Orchestra, Britten Sinf­onia, het Luzerner Sinfonieorchester, het Praags Philhar­monisch Orkest en het Deutsches Sinfonie-Orchester Berlin. Kamermuziek speelde hij met onder anderen Daniel Barenboim, Martha ­Argerich, Sergei Babayan, Elena Bashkirova en Michael Volle. Ben Goldscheider heeft meer dan vijftig nieuwe werken voor hoorn in première gebracht.

In het huidige seizoen volgen wereldpremières van Sirens van Anna Clyne met de London Mo­zart ­Players en het Hoornconcert van Laurence Osborn met Manchester Camerata. Hij is eerste hoornist van het West-Eastern Divan Orchestra en lid van ­Camerata Pacifica en het Boulez Ensemble. Daarnaast is hij hoorndocent aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen en gastdocent aan het Royal Welsh College of Music and Drama.

Op 21 februari is Ben Goldscheider alweer terug in de Kleine Zaal, met het Kaleidoscope Chamber Collective. Bekijk hier het concertprogramma.

Dénes Várjon, piano

Dénes Várjon studeerde in 1991 af aan de Franz Liszt Muziek­academie in zijn geboorteplaats Boedapest. Hier volgde hij lessen bij onder anderen György Kurtág en Ferenc Rados.

Hij won eerste prijzen op het Leo Weiner Kamermuziekconcours in ­Boedapest en het Géza Anda Concours in Zürich en bouwde een internationale ­carrière op met optredens in de Londense Wigmore Hall, Carnegie Hall in New York en het Wiener Konzerthaus en solobeurten bij het Budapest ­Festival Orchestra, het Tonhalle-­Orchester Zürich, het Chamber Orchestra of Europe, de Kremerata Baltica en de ­Academy of St Martin in the Fields.

Dénes Várjon vormt een pianoduo met zijn vrouw Izabella Simon en speelt ook graag kamermuziek met collega’s als Tabea Zimmermann, Kim Kashkashian, Jörg Widmann en András Schiff. Met Leonidas Kavakos musiceerde de pianist in 2004 en 2006 in de Kleine Zaal, waar hij in 2001 zijn debuut had gemaakt met cellist Miklós Perényi.

Hij keerde er nog terug met violist Joshua Bell en cellist Steven Isserlis (2010), en in de Grote Zaal speelde hij in april 2022 Bartók met het Concertgebouworkest en Iván Fischer. Dénes Várjon doceert aan de Franz Liszt Muziek­academie en aan de Kronberg Academy in Duitsland. In 2020 kreeg hij de Kossuth Prijs, de belangrijkste ­culturele onderscheiding van Hongarije.