Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertprogramma

Concertprogramma

Het Middagconcert: Viersen en Beijer met Chopin en Escher

Het Middagconcert: Viersen en Beijer met Chopin en Escher

Kleine Zaal
24 oktober 2021
15.50 uur

Print dit programma

Dit concert maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.

Quirine Viersen cello
Thomas Beijer piano

Zie ook de infographic over de piano.

 

Frédéric Chopin (1810-1849)

Sonate in g kl.t., op. 65 (1845-47)
Allegro moderato
Scherzo
Largo
Finale: Allegro

Rudolf Escher (1912-1980)

Sonata concertante (1943)
Allegro agitato
Largo
Lento

er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur

Kleine Zaal 24 oktober 2021 15.50 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.

Quirine Viersen cello
Thomas Beijer piano

Zie ook de infographic over de piano.

 

Frédéric Chopin (1810-1849)

Sonate in g kl.t., op. 65 (1845-47)
Allegro moderato
Scherzo
Largo
Finale: Allegro

Rudolf Escher (1912-1980)

Sonata concertante (1943)
Allegro agitato
Largo
Lento

er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur

Toelichting

Twee hoogtepunten uit het repertoire voor cello en piano staan op het programma van dit middagconcert. De Sonate in g klein onderstreept Frédéric Chopins affiniteit met de cello, terwijl de Sonata concertante van de Nederlander Rudolf Escher een gevoel van urgentie uitstraalt. Beide componisten bezaten een hoge mate van zelfkritiek. Chopin deed er twee jaar over om zijn cellosonate te voltooien. Escher ging nog verder in zijn perfectionisme door verschillende composities terug te trekken. Een verdere overeenkomst is dat in beide werken de cello als volwaardige partner van de piano alle ruimte krijgt om te schitteren.

Twee hoogtepunten uit het repertoire voor cello en piano staan op het programma van dit middagconcert. De Sonate in g klein onderstreept Frédéric Chopins affiniteit met de cello, terwijl de Sonata concertante van de Nederlander Rudolf Escher een gevoel van urgentie uitstraalt. Beide componisten bezaten een hoge mate van zelfkritiek. Chopin deed er twee jaar over om zijn cellosonate te voltooien. Escher ging nog verder in zijn perfectionisme door verschillende composities terug te trekken. Een verdere overeenkomst is dat in beide werken de cello als volwaardige partner van de piano alle ruimte krijgt om te schitteren.

Frédéric Chopin (1810-1849)

Chopin: Sonate in g klein

door Michel Khalifa

  • Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

    Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

  • Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

    Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

In het oeuvre van Frédéric Chopin is zijn eigen instrument, de piano, alomtegenwoordig. Op de tweede plaats staat verrassend genoeg de cello. Het lage strijkinstrument speelt een belangrijke rol in alle vier kamermuziekwerken die de Pools-Franse componist publiceerde. Dit heeft mede te maken met drie cellisten uit verschillende landen, die tot zijn kennissenkring behoorden: prins Antoni Radziwill, een Poolse amateur in wiens kasteel de jonge Chopin concerteerde, de Oostenrijkse stercellist Joseph Merk, die in Wenen diepe indruk op hem maakte, en vooral de Fransman Auguste Franchomme, met wie Chopin in zijn adoptiestad Parijs voor het leven bevriend raakte.

Voor de laatste componeerde hij de Cellosonate in g klein. Het vierdelige werk geeft een indruk van de muzikale richting waarin Chopin zich had kunnen ontwikkelen als de tuberculose hem niet had geveld. Verdwenen zijn het pianistische vuurwerk (op het improvisatorische openingsgebaar na) en de uitgebreide, op de vocale praktijk van zijn tijd geënte versieringen. Daarvoor in de plaats komt een grotere aandacht voor de overkoepelende structuur, met motivische verwijzingen tussen de delen en een doorwrochte stijl die aan Beethoven herinnert en Brahms aankondigt: de ‘late’ Chopin drukt zich met een Duitse tongval uit.

Het uitgebreide eerste deel van de sonate duurt even lang als de overige drie delen bij elkaar. Dat het dalende openingsmotief aan de eerste maten van Schuberts liedcyclus Winterreise herinnert, hangt waarschijnlijk samen met Chopins persoonlijke situatie tijdens het componeren. Zijn jarenlange liefdesverhouding met schrijfster George Sand werd steeds ingewikkelder en zou in 1847 eindigen.

Opvallend in het eerste deel is verder de weldadige rust die neerdaalt bij de inzet van het tweede thema. Maar ondanks de poëtische stemming konden Chopins vrienden weinig waardering voor deze vooruitstrevende muziek opbrengen. Die verklaart wellicht waarom het eerste deel ontbrak tijdens de publieke première van de sonate begin 1848. Deze uitvoering – door Chopin en Franchomme – was Chopins laatste concert in Parijs.

De rest van de cellosonate is wat makkelijker verteerbaar, maar net zo doorwrocht. Het voortstuwende tweede deel in driekwartsmaat heeft aanvankelijk iets weg van een pittige mazurka, waarna de centrale episode ontspanning brengt met een eenvoudige en vloeiende wals. Als emotionele hart van de compositie fungeert het beknopte derde deel; hier laat Chopin beide instrumenten fijngevoelig zingen, als in een nocturne. De spontaniteit van het huppelende slotdeel zou bijna doen vergeten dat deze sonate Chopin bloed, zweet en tranen kostte.

In het oeuvre van Frédéric Chopin is zijn eigen instrument, de piano, alomtegenwoordig. Op de tweede plaats staat verrassend genoeg de cello. Het lage strijkinstrument speelt een belangrijke rol in alle vier kamermuziekwerken die de Pools-Franse componist publiceerde. Dit heeft mede te maken met drie cellisten uit verschillende landen, die tot zijn kennissenkring behoorden: prins Antoni Radziwill, een Poolse amateur in wiens kasteel de jonge Chopin concerteerde, de Oostenrijkse stercellist Joseph Merk, die in Wenen diepe indruk op hem maakte, en vooral de Fransman Auguste Franchomme, met wie Chopin in zijn adoptiestad Parijs voor het leven bevriend raakte.

Voor de laatste componeerde hij de Cellosonate in g klein. Het vierdelige werk geeft een indruk van de muzikale richting waarin Chopin zich had kunnen ontwikkelen als de tuberculose hem niet had geveld. Verdwenen zijn het pianistische vuurwerk (op het improvisatorische openingsgebaar na) en de uitgebreide, op de vocale praktijk van zijn tijd geënte versieringen. Daarvoor in de plaats komt een grotere aandacht voor de overkoepelende structuur, met motivische verwijzingen tussen de delen en een doorwrochte stijl die aan Beethoven herinnert en Brahms aankondigt: de ‘late’ Chopin drukt zich met een Duitse tongval uit.

Het uitgebreide eerste deel van de sonate duurt even lang als de overige drie delen bij elkaar. Dat het dalende openingsmotief aan de eerste maten van Schuberts liedcyclus Winterreise herinnert, hangt waarschijnlijk samen met Chopins persoonlijke situatie tijdens het componeren. Zijn jarenlange liefdesverhouding met schrijfster George Sand werd steeds ingewikkelder en zou in 1847 eindigen.

Opvallend in het eerste deel is verder de weldadige rust die neerdaalt bij de inzet van het tweede thema. Maar ondanks de poëtische stemming konden Chopins vrienden weinig waardering voor deze vooruitstrevende muziek opbrengen. Die verklaart wellicht waarom het eerste deel ontbrak tijdens de publieke première van de sonate begin 1848. Deze uitvoering – door Chopin en Franchomme – was Chopins laatste concert in Parijs.

De rest van de cellosonate is wat makkelijker verteerbaar, maar net zo doorwrocht. Het voortstuwende tweede deel in driekwartsmaat heeft aanvankelijk iets weg van een pittige mazurka, waarna de centrale episode ontspanning brengt met een eenvoudige en vloeiende wals. Als emotionele hart van de compositie fungeert het beknopte derde deel; hier laat Chopin beide instrumenten fijngevoelig zingen, als in een nocturne. De spontaniteit van het huppelende slotdeel zou bijna doen vergeten dat deze sonate Chopin bloed, zweet en tranen kostte.

door Michel Khalifa

Rudolf Escher (1912-1980)

Escher: Sonata concertante

door Michel Khalifa

  • Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

    Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

  • Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

    Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

Rudolf Escher, neef van de beroemde graficus M.C. Escher (de halfbroer van zijn vader), studeerde piano en compositie aan het Rotterdams Conservatorium. Na zijn afstuderen in 1937 bleef hij enkele jaren in de Maasstad wonen. Hij verloor al zijn bezittingen – waaronder de meeste van zijn composities – in het verwoestende bombardement van 14 mei 1940. Onder erbarmelijke omstandigheden wist hij in de oorlogsjaren naast zijn verzetswerk als koerier indringende composities te voltooien. ‘Mijn werk uit deze periode [heeft] een soort zwaarte gekregen, een verbetenheid hier en daar, die het duidelijk doen beseffen als gegroeid temidden van rampen,’ schreef hij later in een brief.

Naast het veelgeprezen orkestwerk Musique pour l’esprit en deuil uit 1943 voltooide Escher in hetzelfde jaar de Sonata concertante, die hij opdroeg aan de cellist van het Hongaars Strijkkwartet, Vilmos Palotai. Deze driedelige sonate komt soms beklemmend over, maar bevat ook lyrische momenten waarbij de zon bijna doorbreekt. Met zijn oorlogsmuziek bewijst Escher de veerkracht van de geest in bange tijden.

In de Sonata concertante houden rauwe emotie en formele constructie elkaar in evenwicht. Na de driftige opening maakt de grote geladenheid snel plaats voor een meanderend thema in de piano waarin echo’s van Ravel te horen zijn (Escher koesterde een levenslange liefde voor de muziek van Ravel en Debussy). Later wisselen uitgesproken ritmische en meer zangerige episoden elkaar af.

Het langzame middendeel begint introvert, alsof cello en piano samen in gebed verzonken zijn. De cello draagt de melodische lijn, terwijl de piano zich vooral met zachte akkoorden manifesteert. Na een wat drukkere middensectie keert de zoekende stemming terug. Terwijl de zachte inleiding van het slotdeel nog aan Debussy herinnert, neemt de piano algauw het initiatief met een springerig thema. Beide instrumenten voeren een steeds geanimeerder gesprek met energieke en haast dansende gebaren. Aan het eind van deze buitengewoon expressieve sonate komen zelfs ongekende krachten vrij.

Rudolf Escher, neef van de beroemde graficus M.C. Escher (de halfbroer van zijn vader), studeerde piano en compositie aan het Rotterdams Conservatorium. Na zijn afstuderen in 1937 bleef hij enkele jaren in de Maasstad wonen. Hij verloor al zijn bezittingen – waaronder de meeste van zijn composities – in het verwoestende bombardement van 14 mei 1940. Onder erbarmelijke omstandigheden wist hij in de oorlogsjaren naast zijn verzetswerk als koerier indringende composities te voltooien. ‘Mijn werk uit deze periode [heeft] een soort zwaarte gekregen, een verbetenheid hier en daar, die het duidelijk doen beseffen als gegroeid temidden van rampen,’ schreef hij later in een brief.

Naast het veelgeprezen orkestwerk Musique pour l’esprit en deuil uit 1943 voltooide Escher in hetzelfde jaar de Sonata concertante, die hij opdroeg aan de cellist van het Hongaars Strijkkwartet, Vilmos Palotai. Deze driedelige sonate komt soms beklemmend over, maar bevat ook lyrische momenten waarbij de zon bijna doorbreekt. Met zijn oorlogsmuziek bewijst Escher de veerkracht van de geest in bange tijden.

In de Sonata concertante houden rauwe emotie en formele constructie elkaar in evenwicht. Na de driftige opening maakt de grote geladenheid snel plaats voor een meanderend thema in de piano waarin echo’s van Ravel te horen zijn (Escher koesterde een levenslange liefde voor de muziek van Ravel en Debussy). Later wisselen uitgesproken ritmische en meer zangerige episoden elkaar af.

Het langzame middendeel begint introvert, alsof cello en piano samen in gebed verzonken zijn. De cello draagt de melodische lijn, terwijl de piano zich vooral met zachte akkoorden manifesteert. Na een wat drukkere middensectie keert de zoekende stemming terug. Terwijl de zachte inleiding van het slotdeel nog aan Debussy herinnert, neemt de piano algauw het initiatief met een springerig thema. Beide instrumenten voeren een steeds geanimeerder gesprek met energieke en haast dansende gebaren. Aan het eind van deze buitengewoon expressieve sonate komen zelfs ongekende krachten vrij.

door Michel Khalifa

Twee hoogtepunten uit het repertoire voor cello en piano staan op het programma van dit middagconcert. De Sonate in g klein onderstreept Frédéric Chopins affiniteit met de cello, terwijl de Sonata concertante van de Nederlander Rudolf Escher een gevoel van urgentie uitstraalt. Beide componisten bezaten een hoge mate van zelfkritiek. Chopin deed er twee jaar over om zijn cellosonate te voltooien. Escher ging nog verder in zijn perfectionisme door verschillende composities terug te trekken. Een verdere overeenkomst is dat in beide werken de cello als volwaardige partner van de piano alle ruimte krijgt om te schitteren.

Twee hoogtepunten uit het repertoire voor cello en piano staan op het programma van dit middagconcert. De Sonate in g klein onderstreept Frédéric Chopins affiniteit met de cello, terwijl de Sonata concertante van de Nederlander Rudolf Escher een gevoel van urgentie uitstraalt. Beide componisten bezaten een hoge mate van zelfkritiek. Chopin deed er twee jaar over om zijn cellosonate te voltooien. Escher ging nog verder in zijn perfectionisme door verschillende composities terug te trekken. Een verdere overeenkomst is dat in beide werken de cello als volwaardige partner van de piano alle ruimte krijgt om te schitteren.

Frédéric Chopin (1810-1849)

Chopin: Sonate in g klein

door Michel Khalifa

  • Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

    Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

  • Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

    Frédéric Chopin

    Eugène Delacroix (1838)

In het oeuvre van Frédéric Chopin is zijn eigen instrument, de piano, alomtegenwoordig. Op de tweede plaats staat verrassend genoeg de cello. Het lage strijkinstrument speelt een belangrijke rol in alle vier kamermuziekwerken die de Pools-Franse componist publiceerde. Dit heeft mede te maken met drie cellisten uit verschillende landen, die tot zijn kennissenkring behoorden: prins Antoni Radziwill, een Poolse amateur in wiens kasteel de jonge Chopin concerteerde, de Oostenrijkse stercellist Joseph Merk, die in Wenen diepe indruk op hem maakte, en vooral de Fransman Auguste Franchomme, met wie Chopin in zijn adoptiestad Parijs voor het leven bevriend raakte.

Voor de laatste componeerde hij de Cellosonate in g klein. Het vierdelige werk geeft een indruk van de muzikale richting waarin Chopin zich had kunnen ontwikkelen als de tuberculose hem niet had geveld. Verdwenen zijn het pianistische vuurwerk (op het improvisatorische openingsgebaar na) en de uitgebreide, op de vocale praktijk van zijn tijd geënte versieringen. Daarvoor in de plaats komt een grotere aandacht voor de overkoepelende structuur, met motivische verwijzingen tussen de delen en een doorwrochte stijl die aan Beethoven herinnert en Brahms aankondigt: de ‘late’ Chopin drukt zich met een Duitse tongval uit.

Het uitgebreide eerste deel van de sonate duurt even lang als de overige drie delen bij elkaar. Dat het dalende openingsmotief aan de eerste maten van Schuberts liedcyclus Winterreise herinnert, hangt waarschijnlijk samen met Chopins persoonlijke situatie tijdens het componeren. Zijn jarenlange liefdesverhouding met schrijfster George Sand werd steeds ingewikkelder en zou in 1847 eindigen.

Opvallend in het eerste deel is verder de weldadige rust die neerdaalt bij de inzet van het tweede thema. Maar ondanks de poëtische stemming konden Chopins vrienden weinig waardering voor deze vooruitstrevende muziek opbrengen. Die verklaart wellicht waarom het eerste deel ontbrak tijdens de publieke première van de sonate begin 1848. Deze uitvoering – door Chopin en Franchomme – was Chopins laatste concert in Parijs.

De rest van de cellosonate is wat makkelijker verteerbaar, maar net zo doorwrocht. Het voortstuwende tweede deel in driekwartsmaat heeft aanvankelijk iets weg van een pittige mazurka, waarna de centrale episode ontspanning brengt met een eenvoudige en vloeiende wals. Als emotionele hart van de compositie fungeert het beknopte derde deel; hier laat Chopin beide instrumenten fijngevoelig zingen, als in een nocturne. De spontaniteit van het huppelende slotdeel zou bijna doen vergeten dat deze sonate Chopin bloed, zweet en tranen kostte.

In het oeuvre van Frédéric Chopin is zijn eigen instrument, de piano, alomtegenwoordig. Op de tweede plaats staat verrassend genoeg de cello. Het lage strijkinstrument speelt een belangrijke rol in alle vier kamermuziekwerken die de Pools-Franse componist publiceerde. Dit heeft mede te maken met drie cellisten uit verschillende landen, die tot zijn kennissenkring behoorden: prins Antoni Radziwill, een Poolse amateur in wiens kasteel de jonge Chopin concerteerde, de Oostenrijkse stercellist Joseph Merk, die in Wenen diepe indruk op hem maakte, en vooral de Fransman Auguste Franchomme, met wie Chopin in zijn adoptiestad Parijs voor het leven bevriend raakte.

Voor de laatste componeerde hij de Cellosonate in g klein. Het vierdelige werk geeft een indruk van de muzikale richting waarin Chopin zich had kunnen ontwikkelen als de tuberculose hem niet had geveld. Verdwenen zijn het pianistische vuurwerk (op het improvisatorische openingsgebaar na) en de uitgebreide, op de vocale praktijk van zijn tijd geënte versieringen. Daarvoor in de plaats komt een grotere aandacht voor de overkoepelende structuur, met motivische verwijzingen tussen de delen en een doorwrochte stijl die aan Beethoven herinnert en Brahms aankondigt: de ‘late’ Chopin drukt zich met een Duitse tongval uit.

Het uitgebreide eerste deel van de sonate duurt even lang als de overige drie delen bij elkaar. Dat het dalende openingsmotief aan de eerste maten van Schuberts liedcyclus Winterreise herinnert, hangt waarschijnlijk samen met Chopins persoonlijke situatie tijdens het componeren. Zijn jarenlange liefdesverhouding met schrijfster George Sand werd steeds ingewikkelder en zou in 1847 eindigen.

Opvallend in het eerste deel is verder de weldadige rust die neerdaalt bij de inzet van het tweede thema. Maar ondanks de poëtische stemming konden Chopins vrienden weinig waardering voor deze vooruitstrevende muziek opbrengen. Die verklaart wellicht waarom het eerste deel ontbrak tijdens de publieke première van de sonate begin 1848. Deze uitvoering – door Chopin en Franchomme – was Chopins laatste concert in Parijs.

De rest van de cellosonate is wat makkelijker verteerbaar, maar net zo doorwrocht. Het voortstuwende tweede deel in driekwartsmaat heeft aanvankelijk iets weg van een pittige mazurka, waarna de centrale episode ontspanning brengt met een eenvoudige en vloeiende wals. Als emotionele hart van de compositie fungeert het beknopte derde deel; hier laat Chopin beide instrumenten fijngevoelig zingen, als in een nocturne. De spontaniteit van het huppelende slotdeel zou bijna doen vergeten dat deze sonate Chopin bloed, zweet en tranen kostte.

door Michel Khalifa

Rudolf Escher (1912-1980)

Escher: Sonata concertante

door Michel Khalifa

  • Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

    Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

  • Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

    Rudolf Escher

    foto: Erland von Koch

Rudolf Escher, neef van de beroemde graficus M.C. Escher (de halfbroer van zijn vader), studeerde piano en compositie aan het Rotterdams Conservatorium. Na zijn afstuderen in 1937 bleef hij enkele jaren in de Maasstad wonen. Hij verloor al zijn bezittingen – waaronder de meeste van zijn composities – in het verwoestende bombardement van 14 mei 1940. Onder erbarmelijke omstandigheden wist hij in de oorlogsjaren naast zijn verzetswerk als koerier indringende composities te voltooien. ‘Mijn werk uit deze periode [heeft] een soort zwaarte gekregen, een verbetenheid hier en daar, die het duidelijk doen beseffen als gegroeid temidden van rampen,’ schreef hij later in een brief.

Naast het veelgeprezen orkestwerk Musique pour l’esprit en deuil uit 1943 voltooide Escher in hetzelfde jaar de Sonata concertante, die hij opdroeg aan de cellist van het Hongaars Strijkkwartet, Vilmos Palotai. Deze driedelige sonate komt soms beklemmend over, maar bevat ook lyrische momenten waarbij de zon bijna doorbreekt. Met zijn oorlogsmuziek bewijst Escher de veerkracht van de geest in bange tijden.

In de Sonata concertante houden rauwe emotie en formele constructie elkaar in evenwicht. Na de driftige opening maakt de grote geladenheid snel plaats voor een meanderend thema in de piano waarin echo’s van Ravel te horen zijn (Escher koesterde een levenslange liefde voor de muziek van Ravel en Debussy). Later wisselen uitgesproken ritmische en meer zangerige episoden elkaar af.

Het langzame middendeel begint introvert, alsof cello en piano samen in gebed verzonken zijn. De cello draagt de melodische lijn, terwijl de piano zich vooral met zachte akkoorden manifesteert. Na een wat drukkere middensectie keert de zoekende stemming terug. Terwijl de zachte inleiding van het slotdeel nog aan Debussy herinnert, neemt de piano algauw het initiatief met een springerig thema. Beide instrumenten voeren een steeds geanimeerder gesprek met energieke en haast dansende gebaren. Aan het eind van deze buitengewoon expressieve sonate komen zelfs ongekende krachten vrij.

Rudolf Escher, neef van de beroemde graficus M.C. Escher (de halfbroer van zijn vader), studeerde piano en compositie aan het Rotterdams Conservatorium. Na zijn afstuderen in 1937 bleef hij enkele jaren in de Maasstad wonen. Hij verloor al zijn bezittingen – waaronder de meeste van zijn composities – in het verwoestende bombardement van 14 mei 1940. Onder erbarmelijke omstandigheden wist hij in de oorlogsjaren naast zijn verzetswerk als koerier indringende composities te voltooien. ‘Mijn werk uit deze periode [heeft] een soort zwaarte gekregen, een verbetenheid hier en daar, die het duidelijk doen beseffen als gegroeid temidden van rampen,’ schreef hij later in een brief.

Naast het veelgeprezen orkestwerk Musique pour l’esprit en deuil uit 1943 voltooide Escher in hetzelfde jaar de Sonata concertante, die hij opdroeg aan de cellist van het Hongaars Strijkkwartet, Vilmos Palotai. Deze driedelige sonate komt soms beklemmend over, maar bevat ook lyrische momenten waarbij de zon bijna doorbreekt. Met zijn oorlogsmuziek bewijst Escher de veerkracht van de geest in bange tijden.

In de Sonata concertante houden rauwe emotie en formele constructie elkaar in evenwicht. Na de driftige opening maakt de grote geladenheid snel plaats voor een meanderend thema in de piano waarin echo’s van Ravel te horen zijn (Escher koesterde een levenslange liefde voor de muziek van Ravel en Debussy). Later wisselen uitgesproken ritmische en meer zangerige episoden elkaar af.

Het langzame middendeel begint introvert, alsof cello en piano samen in gebed verzonken zijn. De cello draagt de melodische lijn, terwijl de piano zich vooral met zachte akkoorden manifesteert. Na een wat drukkere middensectie keert de zoekende stemming terug. Terwijl de zachte inleiding van het slotdeel nog aan Debussy herinnert, neemt de piano algauw het initiatief met een springerig thema. Beide instrumenten voeren een steeds geanimeerder gesprek met energieke en haast dansende gebaren. Aan het eind van deze buitengewoon expressieve sonate komen zelfs ongekende krachten vrij.

door Michel Khalifa

Biografie

Quirine Viersen, cello

Quirine Viersen kreeg haar eerste cellolessen van haar vader Yke Viersen, cellist in het Concertgebouworkest van 1971 tot 2014. Ze studeerde bij Jean Decroos en Dmitri Ferschtman in Amsterdam en bij Heinrich Schiff in Salzburg. Ook de inzichten van Ralph Kirshbaum en Natalia Gutman hebben de celliste sterk gevormd.

Ze won prijzen op het Rostropovitsj Concours Parijs 1990, op het Internationale Cello Concours Helsinki 1991 en op het Tsjaikovski Concours Moskou 1994. Datzelfde jaar nam ze de Nederlandse Muziekprijs in ontvangst en in 2000 kreeg ze de Credit Suisse Young Artist Award. Daaraan was een optreden verbonden met de Wiener Philharmoniker onder leiding van Zubin Mehta tijdens het Lucerne Festival.

 

Sindsdien soleerde Quirine Viersen onder meer bij het Concertgebouworkest onder Herbert Blomstedt en Bernard Haitink, het Nederlands Philharmonisch Orkest onder Marc Albrecht en het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg onder Valery Gergiev.

Na een bijna twintig­jarige samenwerking met pianiste Silke Avenhaus is Quirine Viersen nieuwe duoverbanden aangegaan. Een recital in de Kleine Zaal in juli 2017 markeerde het succesvolle begin van de samenwerking met Enrico Pace en in Het Zondagochtend Concert van 12 mei jongstleden trad ze op met Thomas Beijer.

Quirine Viersen bespeelt de ‘Joseph Guarnerius Filius Andreae’ uit 1715, in bruikleen van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds. Heinrich Schiff deed haar een van zijn strijkstokken cadeau.

Thomas Beijer, piano

Thomas Beijer studeerde in 2011 af bij Jan Wijn aan het Conservatorium van Amsterdam en volgde masterclasses bij onder anderen Jorge Luis Prats, Emanuel Ax, Menahem Pressler en Murray Perahia.

Met het winnen van het YPF Nationaal Pianoconcours 2007 was hij al in de top van een nieuwe generatie jonge pianisten in Nederland beland. Sinds zijn tiende geeft hij recitals en als solist speelde hij onder meer pianoconcerten van Mozart, Beethoven, Brahms, Grieg, Franck, Ravel, Gershwin en Adams, onder andere met het Residentie Orkest, Het Brabants Orkest, Amsterdam Sinfonietta en het Nederlands Studenten Orkest.

Thomas Beijer werkte met dirigenten als Neeme ­Järvi, Gustavo Gimeno, Ed Spanjaard en Bas Wiegers. Zijn repertoire reikt van zeventiende-­eeuwse tot hedendaagse muziek. Speciale affiniteit heeft hij met Spaanse muziek: Albéniz, Granados en Falla staan vaak op zijn programma’s. De pianist maakt deel uit van de Amsterdam Chamber Soloists en is regelmatig te gast bij Camerata RCO.

In Het Concertgebouw was Thomas Beijer meermaals te gast, bijvoorbeeld op 12 september jongstleden solo in Het Zondagochtend Concert. De pianist bracht in 2017 de roman Geen jalapeños uit, presenteert dit najaar een bundel muziekessays, en is bovendien componist; zo nam hij in juni voor AVROTROS met sopraan Laetitia Gerards zijn lied­cyclus op eigen teksten A Lock without a Key op.