Het Middagconcert: Holland Baroque en Julie Roset
Kleine Zaal 21 mei 2023 14.15 uur
Holland Baroque
Julie Roset sopraan
Dit concert maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Twee eeuwen Franse zangkunst
Gabriel Fauré (1845-1924)
Notre amour (1879)
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
Jean-Philippe Rameau (1683-1764)
Ouverture
uit ‘Castor et Pollux’ (1737)
Sommeil
uit ‘Dardanus’ (1739)
L’amour est le dieu de la paix
uit ‘Anacréon’ (1754-57)
Léo Delibes (1836-1891)
Les filles de Cadix (1874)
Passepied
uit ‘Le roi s’amuse’ (1882)
Gabriel Fauré
Le secret (1881)
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
Berceuse
uit ‘Dolly-suite’, op. 56 (1892-94)
Jean-Philippe Rameau
Prelude
uit ‘Castor et Pollux’
Erik Satie (1866-1925)
Hymne pour le Salut Drapeau (1891)
Jean-Philippe Rameau
Entrée des mages (tweede bedrijf)
Rigaudon (tweede bedrijf)
Air. Dans nos bois (tweede bedrijf)
Gavotte en rondeau (derde bedrijf)
Gigue (tweede bedrijf)
Contredanse (tweede bedrijf)
Entrée des bergers et des pâtres
(vijfde bedrijf)
uit ‘Zoroastre’ (1749)
Tristes apprêts, pâles flambeaux
uit ‘Castor et Pollux’
Gabriel Fauré
Andante moderato
uit ‘Trois romances sans paroles’,
op. 17 (1863)
Claude Debussy (1862-1918)
Pantomime (1883)
Reynaldo Hahn (1875-1947)
Le rossignol des lilas (1913)
À Chloris (1913)
Léo Delibes
Madrigal
uit ‘Le roi s’amuse’
Jean-Philippe Rameau
Chaconne
uit ‘Dardanus’
Gabriel Fauré
Notre amour
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
er is geen pauze
einde ± 15.30 uur
Met dank aan het Fonds Topmusici Kleine Zaal.
Holland Baroque
Julie Roset sopraan
Dit concert maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Twee eeuwen Franse zangkunst
Gabriel Fauré (1845-1924)
Notre amour (1879)
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
Jean-Philippe Rameau (1683-1764)
Ouverture
uit ‘Castor et Pollux’ (1737)
Sommeil
uit ‘Dardanus’ (1739)
L’amour est le dieu de la paix
uit ‘Anacréon’ (1754-57)
Léo Delibes (1836-1891)
Les filles de Cadix (1874)
Passepied
uit ‘Le roi s’amuse’ (1882)
Gabriel Fauré
Le secret (1881)
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
Berceuse
uit ‘Dolly-suite’, op. 56 (1892-94)
Jean-Philippe Rameau
Prelude
uit ‘Castor et Pollux’
Erik Satie (1866-1925)
Hymne pour le Salut Drapeau (1891)
Jean-Philippe Rameau
Entrée des mages (tweede bedrijf)
Rigaudon (tweede bedrijf)
Air. Dans nos bois (tweede bedrijf)
Gavotte en rondeau (derde bedrijf)
Gigue (tweede bedrijf)
Contredanse (tweede bedrijf)
Entrée des bergers et des pâtres
(vijfde bedrijf)
uit ‘Zoroastre’ (1749)
Tristes apprêts, pâles flambeaux
uit ‘Castor et Pollux’
Gabriel Fauré
Andante moderato
uit ‘Trois romances sans paroles’,
op. 17 (1863)
Claude Debussy (1862-1918)
Pantomime (1883)
Reynaldo Hahn (1875-1947)
Le rossignol des lilas (1913)
À Chloris (1913)
Léo Delibes
Madrigal
uit ‘Le roi s’amuse’
Jean-Philippe Rameau
Chaconne
uit ‘Dardanus’
Gabriel Fauré
Notre amour
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
er is geen pauze
einde ± 15.30 uur
Met dank aan het Fonds Topmusici Kleine Zaal.
Toelichting
Het Middagconcert: Holland Baroque en Julie Roset
Notre amour est chose légère, heet het in de eerste regel van het gedicht van Armand Silvestre (1837-1901): ‘Onze liefde is licht, zoals de geuren die de wind van de toppen van de varens haalt’. Die lichtheid, waarmee de Franse kunst is gezegend, is een van haar meest voortreffelijke eigenschappen. Niet te verwarren met leegheid of een gebrek aan betekenis. Chose charmante, chose sacrée, infinie et chose éternelle. Een omschrijving in perfecte balans tussen levenslust en wezenlijkheid. De liefde verheven tot een schitterende, heilige, eindeloze en eeuwige ervaring.
Dit programma verklaart de liefde aan de Franse zangkunst. Het is een ode aan dat harmonieuze, al eeuwenlang durende verbond tussen de Franse melodie en de Franse taal. De Italianen, van Vivaldi tot Verdi, schreven lange en meeslepende lijnen die vandaag nog een heel voetbalstadion in vervoering kunnen brengen; en Schubert en Brahms schudden de prachtigste melodieën uit hun mouw, een beetje volks aandoend maar altijd uitermate kunstig. Niets van dat alles bij de Fransen. De Franse melodie lijkt op de liefde zoals zij bezongen wordt in het eerste lied van dit programma, Notre amour van Gabriel Fauré, de koning van het Franse lied, een genre dat de Fransen zelf mélodie noemen.
Samen met Julie Roset verkent Holland Baroque de Franse zangkunst, dwars door verschillende tijdsperiodes heen. Het is een repertoire dat de stem van de Franse sopraan past als een handschoen. Natuurlijk is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de barokcomponist Jean-Philippe Rameau. Hij was het Franse geheime wapen in de strijd tegen het Italiaanse operageweld dat in de achttiende eeuw heel Europa in zijn greep had. Ook in Frankrijk was de Italiaanse opera erg succesvol. Het leidde tot een hevige pennenstrijd tussen de pro-Franse en de pro-Italiaanse factie. Van die laatste was de filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) een van de meest uitgesproken pleitbezorgers. Hij vond de Franse taal volslagen ongeschikt voor muziek. Maar Rameau bewees het tegendeel. Net als Fauré lijkt hij de tekst met zijn noten te omarmen en te koesteren, in plaats van hem te versterken of uit te vergroten.
Notre amour est chose légère, heet het in de eerste regel van het gedicht van Armand Silvestre (1837-1901): ‘Onze liefde is licht, zoals de geuren die de wind van de toppen van de varens haalt’. Die lichtheid, waarmee de Franse kunst is gezegend, is een van haar meest voortreffelijke eigenschappen. Niet te verwarren met leegheid of een gebrek aan betekenis. Chose charmante, chose sacrée, infinie et chose éternelle. Een omschrijving in perfecte balans tussen levenslust en wezenlijkheid. De liefde verheven tot een schitterende, heilige, eindeloze en eeuwige ervaring.
Dit programma verklaart de liefde aan de Franse zangkunst. Het is een ode aan dat harmonieuze, al eeuwenlang durende verbond tussen de Franse melodie en de Franse taal. De Italianen, van Vivaldi tot Verdi, schreven lange en meeslepende lijnen die vandaag nog een heel voetbalstadion in vervoering kunnen brengen; en Schubert en Brahms schudden de prachtigste melodieën uit hun mouw, een beetje volks aandoend maar altijd uitermate kunstig. Niets van dat alles bij de Fransen. De Franse melodie lijkt op de liefde zoals zij bezongen wordt in het eerste lied van dit programma, Notre amour van Gabriel Fauré, de koning van het Franse lied, een genre dat de Fransen zelf mélodie noemen.
Samen met Julie Roset verkent Holland Baroque de Franse zangkunst, dwars door verschillende tijdsperiodes heen. Het is een repertoire dat de stem van de Franse sopraan past als een handschoen. Natuurlijk is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de barokcomponist Jean-Philippe Rameau. Hij was het Franse geheime wapen in de strijd tegen het Italiaanse operageweld dat in de achttiende eeuw heel Europa in zijn greep had. Ook in Frankrijk was de Italiaanse opera erg succesvol. Het leidde tot een hevige pennenstrijd tussen de pro-Franse en de pro-Italiaanse factie. Van die laatste was de filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) een van de meest uitgesproken pleitbezorgers. Hij vond de Franse taal volslagen ongeschikt voor muziek. Maar Rameau bewees het tegendeel. Net als Fauré lijkt hij de tekst met zijn noten te omarmen en te koesteren, in plaats van hem te versterken of uit te vergroten.
Maar Rameau was niet alleen een schitterend componist van vocale muziek. Hij was ook een groot orkestvernieuwer. Ver vóór Ludwig van Beethoven dat in Wenen deed, ontlokte hij volslagen nieuwe kleuren aan het orkest. De orkestrale delen uit zijn opera’s, de ouvertures en de vele dansen, zijn pareltjes van barokke orkestratiekunst. Nooit overweldigend, altijd subtiel en gracieus. Met groot dramatisch effect, want Rameau was een man van het theater. De slaperige strijkers van Sommeil uit de opera Dardanus leiden op prachtige wijze een droomsequens in. Licht, kostuums en decor zijn niet eens meer nodig.
Eind achttiende, begin negentiende eeuw lijkt de strijd beslist in het voordeel van de Italianen. Luigi Cherubini en Gioacchino Rossini maken in Parijs de dienst uit. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, wanneer al het revolutionaire stof is neergedwarreld, lijken de Franse kunstenaars het zelfvertrouwen teruggevonden te hebben om van Parijs de culturele hoofdstad van Europa te maken. Vooral in de schilderkunst en de literatuur was Parijs toonaangevend. Wat de muziek betreft, bleef het Duitse taalgebied dominant, maar de Franse componisten lieten zich verre van onbetuigd. Ze waren overigens niet eng nationalistisch, ze wisten wat zich buiten de landsgrenzen afspeelde. Ze gingen op studiereis naar Rome en hielden ook in de gaten wat Richard Wagner deed. In Les filles de Cadix van Léo Delibes klinkt een Spaanse kleur; twaalf jaar na het succes van de opera Carmen van Bizet was de Spaanse mode in Parijs nog steeds niet uitgeraasd.
De Franse componisten bespelen alle registers, van grote balletten en opera’s tot de intieme kamermuziek en liederen die klonken in de beroemde Parijse salons. Een graag geziene gast op die salons was Reynaldo Hahn, die er ook zijn goede vriend Marcel Proust leerde kennen. Zijn doorvoelde liefdeslied À Chloris heeft een opmerkelijk inleiding, die zo uit een Bach-cantate ontsnapt zou kunnen zijn. Maar de doorlopende muzikale lijn die in het programma van vandaag wordt getrokken, wordt misschien nog wel het best geïllustreerd door Pantomime van Claude Debussy. Het is geschreven op een tekst van Paul Verlaine uit de bundel Fêtes galantes (1869), die een rechtstreekse verwijzing is naar de schilderijen van Antoine Watteau. Zijn werk, hij was actief rond 1700, geeft op een volstrekt eigen manier een beeld van de gelaagde lichtvoetigheid die de Franse cultuur zo uniek maakt.
Maar Rameau was niet alleen een schitterend componist van vocale muziek. Hij was ook een groot orkestvernieuwer. Ver vóór Ludwig van Beethoven dat in Wenen deed, ontlokte hij volslagen nieuwe kleuren aan het orkest. De orkestrale delen uit zijn opera’s, de ouvertures en de vele dansen, zijn pareltjes van barokke orkestratiekunst. Nooit overweldigend, altijd subtiel en gracieus. Met groot dramatisch effect, want Rameau was een man van het theater. De slaperige strijkers van Sommeil uit de opera Dardanus leiden op prachtige wijze een droomsequens in. Licht, kostuums en decor zijn niet eens meer nodig.
Eind achttiende, begin negentiende eeuw lijkt de strijd beslist in het voordeel van de Italianen. Luigi Cherubini en Gioacchino Rossini maken in Parijs de dienst uit. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, wanneer al het revolutionaire stof is neergedwarreld, lijken de Franse kunstenaars het zelfvertrouwen teruggevonden te hebben om van Parijs de culturele hoofdstad van Europa te maken. Vooral in de schilderkunst en de literatuur was Parijs toonaangevend. Wat de muziek betreft, bleef het Duitse taalgebied dominant, maar de Franse componisten lieten zich verre van onbetuigd. Ze waren overigens niet eng nationalistisch, ze wisten wat zich buiten de landsgrenzen afspeelde. Ze gingen op studiereis naar Rome en hielden ook in de gaten wat Richard Wagner deed. In Les filles de Cadix van Léo Delibes klinkt een Spaanse kleur; twaalf jaar na het succes van de opera Carmen van Bizet was de Spaanse mode in Parijs nog steeds niet uitgeraasd.
De Franse componisten bespelen alle registers, van grote balletten en opera’s tot de intieme kamermuziek en liederen die klonken in de beroemde Parijse salons. Een graag geziene gast op die salons was Reynaldo Hahn, die er ook zijn goede vriend Marcel Proust leerde kennen. Zijn doorvoelde liefdeslied À Chloris heeft een opmerkelijk inleiding, die zo uit een Bach-cantate ontsnapt zou kunnen zijn. Maar de doorlopende muzikale lijn die in het programma van vandaag wordt getrokken, wordt misschien nog wel het best geïllustreerd door Pantomime van Claude Debussy. Het is geschreven op een tekst van Paul Verlaine uit de bundel Fêtes galantes (1869), die een rechtstreekse verwijzing is naar de schilderijen van Antoine Watteau. Zijn werk, hij was actief rond 1700, geeft op een volstrekt eigen manier een beeld van de gelaagde lichtvoetigheid die de Franse cultuur zo uniek maakt.
Het Middagconcert: Holland Baroque en Julie Roset
Notre amour est chose légère, heet het in de eerste regel van het gedicht van Armand Silvestre (1837-1901): ‘Onze liefde is licht, zoals de geuren die de wind van de toppen van de varens haalt’. Die lichtheid, waarmee de Franse kunst is gezegend, is een van haar meest voortreffelijke eigenschappen. Niet te verwarren met leegheid of een gebrek aan betekenis. Chose charmante, chose sacrée, infinie et chose éternelle. Een omschrijving in perfecte balans tussen levenslust en wezenlijkheid. De liefde verheven tot een schitterende, heilige, eindeloze en eeuwige ervaring.
Dit programma verklaart de liefde aan de Franse zangkunst. Het is een ode aan dat harmonieuze, al eeuwenlang durende verbond tussen de Franse melodie en de Franse taal. De Italianen, van Vivaldi tot Verdi, schreven lange en meeslepende lijnen die vandaag nog een heel voetbalstadion in vervoering kunnen brengen; en Schubert en Brahms schudden de prachtigste melodieën uit hun mouw, een beetje volks aandoend maar altijd uitermate kunstig. Niets van dat alles bij de Fransen. De Franse melodie lijkt op de liefde zoals zij bezongen wordt in het eerste lied van dit programma, Notre amour van Gabriel Fauré, de koning van het Franse lied, een genre dat de Fransen zelf mélodie noemen.
Samen met Julie Roset verkent Holland Baroque de Franse zangkunst, dwars door verschillende tijdsperiodes heen. Het is een repertoire dat de stem van de Franse sopraan past als een handschoen. Natuurlijk is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de barokcomponist Jean-Philippe Rameau. Hij was het Franse geheime wapen in de strijd tegen het Italiaanse operageweld dat in de achttiende eeuw heel Europa in zijn greep had. Ook in Frankrijk was de Italiaanse opera erg succesvol. Het leidde tot een hevige pennenstrijd tussen de pro-Franse en de pro-Italiaanse factie. Van die laatste was de filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) een van de meest uitgesproken pleitbezorgers. Hij vond de Franse taal volslagen ongeschikt voor muziek. Maar Rameau bewees het tegendeel. Net als Fauré lijkt hij de tekst met zijn noten te omarmen en te koesteren, in plaats van hem te versterken of uit te vergroten.
Notre amour est chose légère, heet het in de eerste regel van het gedicht van Armand Silvestre (1837-1901): ‘Onze liefde is licht, zoals de geuren die de wind van de toppen van de varens haalt’. Die lichtheid, waarmee de Franse kunst is gezegend, is een van haar meest voortreffelijke eigenschappen. Niet te verwarren met leegheid of een gebrek aan betekenis. Chose charmante, chose sacrée, infinie et chose éternelle. Een omschrijving in perfecte balans tussen levenslust en wezenlijkheid. De liefde verheven tot een schitterende, heilige, eindeloze en eeuwige ervaring.
Dit programma verklaart de liefde aan de Franse zangkunst. Het is een ode aan dat harmonieuze, al eeuwenlang durende verbond tussen de Franse melodie en de Franse taal. De Italianen, van Vivaldi tot Verdi, schreven lange en meeslepende lijnen die vandaag nog een heel voetbalstadion in vervoering kunnen brengen; en Schubert en Brahms schudden de prachtigste melodieën uit hun mouw, een beetje volks aandoend maar altijd uitermate kunstig. Niets van dat alles bij de Fransen. De Franse melodie lijkt op de liefde zoals zij bezongen wordt in het eerste lied van dit programma, Notre amour van Gabriel Fauré, de koning van het Franse lied, een genre dat de Fransen zelf mélodie noemen.
Samen met Julie Roset verkent Holland Baroque de Franse zangkunst, dwars door verschillende tijdsperiodes heen. Het is een repertoire dat de stem van de Franse sopraan past als een handschoen. Natuurlijk is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de barokcomponist Jean-Philippe Rameau. Hij was het Franse geheime wapen in de strijd tegen het Italiaanse operageweld dat in de achttiende eeuw heel Europa in zijn greep had. Ook in Frankrijk was de Italiaanse opera erg succesvol. Het leidde tot een hevige pennenstrijd tussen de pro-Franse en de pro-Italiaanse factie. Van die laatste was de filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) een van de meest uitgesproken pleitbezorgers. Hij vond de Franse taal volslagen ongeschikt voor muziek. Maar Rameau bewees het tegendeel. Net als Fauré lijkt hij de tekst met zijn noten te omarmen en te koesteren, in plaats van hem te versterken of uit te vergroten.
Maar Rameau was niet alleen een schitterend componist van vocale muziek. Hij was ook een groot orkestvernieuwer. Ver vóór Ludwig van Beethoven dat in Wenen deed, ontlokte hij volslagen nieuwe kleuren aan het orkest. De orkestrale delen uit zijn opera’s, de ouvertures en de vele dansen, zijn pareltjes van barokke orkestratiekunst. Nooit overweldigend, altijd subtiel en gracieus. Met groot dramatisch effect, want Rameau was een man van het theater. De slaperige strijkers van Sommeil uit de opera Dardanus leiden op prachtige wijze een droomsequens in. Licht, kostuums en decor zijn niet eens meer nodig.
Eind achttiende, begin negentiende eeuw lijkt de strijd beslist in het voordeel van de Italianen. Luigi Cherubini en Gioacchino Rossini maken in Parijs de dienst uit. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, wanneer al het revolutionaire stof is neergedwarreld, lijken de Franse kunstenaars het zelfvertrouwen teruggevonden te hebben om van Parijs de culturele hoofdstad van Europa te maken. Vooral in de schilderkunst en de literatuur was Parijs toonaangevend. Wat de muziek betreft, bleef het Duitse taalgebied dominant, maar de Franse componisten lieten zich verre van onbetuigd. Ze waren overigens niet eng nationalistisch, ze wisten wat zich buiten de landsgrenzen afspeelde. Ze gingen op studiereis naar Rome en hielden ook in de gaten wat Richard Wagner deed. In Les filles de Cadix van Léo Delibes klinkt een Spaanse kleur; twaalf jaar na het succes van de opera Carmen van Bizet was de Spaanse mode in Parijs nog steeds niet uitgeraasd.
De Franse componisten bespelen alle registers, van grote balletten en opera’s tot de intieme kamermuziek en liederen die klonken in de beroemde Parijse salons. Een graag geziene gast op die salons was Reynaldo Hahn, die er ook zijn goede vriend Marcel Proust leerde kennen. Zijn doorvoelde liefdeslied À Chloris heeft een opmerkelijk inleiding, die zo uit een Bach-cantate ontsnapt zou kunnen zijn. Maar de doorlopende muzikale lijn die in het programma van vandaag wordt getrokken, wordt misschien nog wel het best geïllustreerd door Pantomime van Claude Debussy. Het is geschreven op een tekst van Paul Verlaine uit de bundel Fêtes galantes (1869), die een rechtstreekse verwijzing is naar de schilderijen van Antoine Watteau. Zijn werk, hij was actief rond 1700, geeft op een volstrekt eigen manier een beeld van de gelaagde lichtvoetigheid die de Franse cultuur zo uniek maakt.
Maar Rameau was niet alleen een schitterend componist van vocale muziek. Hij was ook een groot orkestvernieuwer. Ver vóór Ludwig van Beethoven dat in Wenen deed, ontlokte hij volslagen nieuwe kleuren aan het orkest. De orkestrale delen uit zijn opera’s, de ouvertures en de vele dansen, zijn pareltjes van barokke orkestratiekunst. Nooit overweldigend, altijd subtiel en gracieus. Met groot dramatisch effect, want Rameau was een man van het theater. De slaperige strijkers van Sommeil uit de opera Dardanus leiden op prachtige wijze een droomsequens in. Licht, kostuums en decor zijn niet eens meer nodig.
Eind achttiende, begin negentiende eeuw lijkt de strijd beslist in het voordeel van de Italianen. Luigi Cherubini en Gioacchino Rossini maken in Parijs de dienst uit. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, wanneer al het revolutionaire stof is neergedwarreld, lijken de Franse kunstenaars het zelfvertrouwen teruggevonden te hebben om van Parijs de culturele hoofdstad van Europa te maken. Vooral in de schilderkunst en de literatuur was Parijs toonaangevend. Wat de muziek betreft, bleef het Duitse taalgebied dominant, maar de Franse componisten lieten zich verre van onbetuigd. Ze waren overigens niet eng nationalistisch, ze wisten wat zich buiten de landsgrenzen afspeelde. Ze gingen op studiereis naar Rome en hielden ook in de gaten wat Richard Wagner deed. In Les filles de Cadix van Léo Delibes klinkt een Spaanse kleur; twaalf jaar na het succes van de opera Carmen van Bizet was de Spaanse mode in Parijs nog steeds niet uitgeraasd.
De Franse componisten bespelen alle registers, van grote balletten en opera’s tot de intieme kamermuziek en liederen die klonken in de beroemde Parijse salons. Een graag geziene gast op die salons was Reynaldo Hahn, die er ook zijn goede vriend Marcel Proust leerde kennen. Zijn doorvoelde liefdeslied À Chloris heeft een opmerkelijk inleiding, die zo uit een Bach-cantate ontsnapt zou kunnen zijn. Maar de doorlopende muzikale lijn die in het programma van vandaag wordt getrokken, wordt misschien nog wel het best geïllustreerd door Pantomime van Claude Debussy. Het is geschreven op een tekst van Paul Verlaine uit de bundel Fêtes galantes (1869), die een rechtstreekse verwijzing is naar de schilderijen van Antoine Watteau. Zijn werk, hij was actief rond 1700, geeft op een volstrekt eigen manier een beeld van de gelaagde lichtvoetigheid die de Franse cultuur zo uniek maakt.
Biografie
Holland Baroque, ensemble
Holland Baroque, opgericht in 2006, is met zijn bijzondere programma’s een graag geziene gast op de (inter)nationale podia en is winnaar van onder andere de VSCD Klassieke Muziekprijs, twee Edisons en twee REMA Awards. De artistieke leiding ligt in handen van de tweelingzussen Judith en Tineke Steenbrink, die waar nodig repertoire herschrijven naar bezetting en aard van hun ensemble en hun gasten.
Zo ontstonden unieke projecten als Gospel Baroque met het London Community Gospel Choir, Love is Crazy met zanger/entertainer Sven Ratzke, Carrousel met (jazz)trompettist Eric Vloeimans en Silk Baroque met shengspeler Wu Wei.
Ook waren er samenwerkingen met singer-songwriter Daniël Lohues en met Cappella Amsterdam, Wishful Singing en Herman Finkers. Met dirigent Reinbert de Leeuw ondernam Holland Baroque in 2016 een ‘zoektocht naar de waarheid van Bachs Matthäus-Passion’ – door Cherry Duyns vervat in een registratie en een documentaire. Omvangrijk (archief-)onderzoek leidde tot de herontdekking van verloren gewaande muziek van de zeventiende-eeuwse Boxmeerse componist Benedictus à Sancto Josepho.
Holland Baroque zet zich in voor de toekomst van muziek: met schoolconcerten en workshops stimuleert het de creativiteit bij kinderen en jongeren en via het Samama Fellowship kunnen young professionals een seizoen lang ervaring opdoen. Sinds 2024 werken de musici samen met verschillende organisaties uit het sociale domein en zetten ze bij repetities en concerten de deuren open voor doelgroepen met maatschappelijke uitdagingen.
Vorige optredens van Holland Baroque in de Kleine Zaal waren Forgotten Christmas in december 2017 en een Frans programma met sopraan Julie Roset in mei 2023; in maart 2024 volgde een Zondagochtend Concert vol Bach in de Grote Zaal.
Julie Roset, sopraan
Julie Roset won in 2022 de Metropolitan Opera Laffont Competition in New York en voltooide de opera-opleiding aan de Juilliard School aldaar – na eerdere studies in Avignon en Genève. Ze brak door als Amour in Médée van Charpentier onder leiding van William Christie aan de Opéra National de Paris.
Met Raphaël Pichon werkte Julie Roset daarna in Rameaus Samson op het Festival d’Aix-en-Provence. Recenter zijn haar debuut aan de Metropolitan Opera in New York, Sophie in Massenets Werther aan de Opéra Comique met Raphaël Pichon, Mozart op het Glyndebourne Festival en de Salzburger Festspiele.
Onder Leonardo García Alarcón zong ze Monteverdi. Met diens Cappella Mediterranea stond ze in 2019 en 2022 in de NTR ZaterdagMatinee, waarna ze in mei 2023 en januari 2025 in de Kleine Zaal optrad met Holland Baroque. Met haar eigen ensemble La Néréide is Julie Roset te horen op de albums Luzzaschi: Il concerto segreto (2023) en Le cœur et la raison (2025).