Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Het Middagconcert: Couperin door Jean Rondeau

Het Middagconcert: Couperin door Jean Rondeau

Kleine Zaal
08 maart 2026
16.00 uur

Print dit programma

Jean Rondeau klavecimbel

Dit programma maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.

TOMBEAU DE MS. COUPERIN

SUITE EN RE

Louis Couperin (ca. 1626-1661)

Prélude G. 1
Allemande G. 35
Courante G. 42
Courante G. 43
Sarabande G. 51
Canaries G. 52
Chaconne La Complaignante
    G. 57

Ennemond Gaultier (1575-1651)

Tombeau de Mézengeau

SUITE EN RE

Louis Couperin

Duretez Fantaisie OL. 1
Prélude G. 2
Allemande G. 58
Courante G. 59
Gaillarde G. 61
Chaconne G. 55

Jean-Henri D’Anglebert (1629-1691)

Tombeau de Mr. De ­Chambonnières (nr. 8 uit ‘Suite nr. 4 in D gr.t.’)

SUITE EN SOL

Jacques Champion de Chambonnières (ca. 1602-1672)

Pavanne (uit ‘Livre II’)

Louis Couperin

Allemande G. 93
Courante G. 94
Sarabande G. 95
Chaconne G. 121

François Dufaut (1604-1672)

Tombeau de Mr. De Blancrocher

er is geen pauze
einde ± 17.15 uur

Klavecimbel

Jean Rondeau speelt op een kopie van een instrument van Blanchet, gebouwd door Bruce Kennedy (Castelmuzio, 2011).

Kleine Zaal 08 maart 2026 16.00 uur

Jean Rondeau klavecimbel

Dit programma maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.

TOMBEAU DE MS. COUPERIN

SUITE EN RE

Louis Couperin (ca. 1626-1661)

Prélude G. 1
Allemande G. 35
Courante G. 42
Courante G. 43
Sarabande G. 51
Canaries G. 52
Chaconne La Complaignante
    G. 57

Ennemond Gaultier (1575-1651)

Tombeau de Mézengeau

SUITE EN RE

Louis Couperin

Duretez Fantaisie OL. 1
Prélude G. 2
Allemande G. 58
Courante G. 59
Gaillarde G. 61
Chaconne G. 55

Jean-Henri D’Anglebert (1629-1691)

Tombeau de Mr. De ­Chambonnières (nr. 8 uit ‘Suite nr. 4 in D gr.t.’)

SUITE EN SOL

Jacques Champion de Chambonnières (ca. 1602-1672)

Pavanne (uit ‘Livre II’)

Louis Couperin

Allemande G. 93
Courante G. 94
Sarabande G. 95
Chaconne G. 121

François Dufaut (1604-1672)

Tombeau de Mr. De Blancrocher

er is geen pauze
einde ± 17.15 uur

Klavecimbel

Jean Rondeau speelt op een kopie van een instrument van Blanchet, gebouwd door Bruce Kennedy (Castelmuzio, 2011).

Toelichting

Toelichting

door Noortje Zanen

De Franse klavecinist Jean Rondeau is een ware ambassadeur voor zijn instrument. Recentelijk nam hij alle werken op van Louis Couperin, en sindsdien treedt hij wereldwijd op met de verrassend spannende preludes en dansen van deze zeventiende-eeuwse componist. Waar komt Rondeaus fascinatie voor Monsieur Couperin vandaan, en welke stukken heeft hij geselecteerd voor de Kleine Zaal?

Oom en neef

Net zoals Johann Sebastian Bach werd Louis Couperin geboren in een componisten­familie, en net zoals Wolfgang Amadeus Mozart was hij een genie, schreef hij vernieuwende muziek en stierf hij veel te vroeg, op zijn vijfendertigste. Maar ­anders dan bij Bach en Mozart is de naam van Louis Couperin niet bekend gebleven bij het grote publiek. Bovendien wordt hij vaak verward met Couperin ‘Le Grand’: de jongere neef François Couperin (1668-1733), die nóg meer succes had dan zijn oom. Dus wie was Louis Couperin? 

Mee naar Parijs

Louis Couperin, geboren rond 1626 in de Noord-Franse gemeente Chaumes-en-Brie, zuidoostelijk van Parijs, was niet alleen een succesvolle componist en virtuoze klavecinist, hij speelde ook uitstekend orgel en viola da gamba. Als gambist vervulde hij een bijzondere positie aan het hof van Lodewijk XIV en speelde hij bijvoorbeeld mee in vier beroemde balletten van hofcomponist Jean-­Baptiste Lully. Daarnaast vervulde hij de prestigieuze positie van organist (een positie die na zijn dood is overgenomen door zijn broer en voortgezet door vele nazaten) van de Saint-­Gervais, een actieve en drukbezochte kerk in Parijs.

Hoewel Louis Couperin werd geboren in een muzikale ­familie, lag het niet voor de hand dat hij succesvol zou worden in Parijs en aan het Franse hof. Volgens een bekende legende (opgetekend door biograaf Évrard Titon du Tillet in zijn kroniek Le Parnasse françois uit 1732) had hij zijn succes te danken aan een toevallige ontmoeting met de hofcomponist Jacques Champion de Chambonnières, de grondlegger van de Franse klavecimbelschool. Tijdens een reis door de regio van Chaumes-en-Brie rond 1650 hoorde Chambonnières de jonge Louis Couperin spelen uit eigen werk. Hij was zó onder de indruk, dat hij hem als leerling meenam naar Parijs en introduceerde aan het hof.

Om het verhaal nog iets complexer te maken: Louis vertrok niet als enige naar Parijs, zijn twee muzikale broers reisden hem achterna: François ‘L’Ancien’ en Charles, later de vader van François ‘Le Grand’. Over leven en werk van deze twee broers is nóg minder bekend dan over Louis zelf. Mogelijk werkten ze ook wel eens samen en het valt niet uit te sluiten dat sommige composities van Louis Couperin wellicht afkomstig waren van een van zijn broers. Wat in ieder geval zeker is, is de uitzonderlijke prestatie van Louis Couperin: in slechts tien jaar tijd – van zijn toevallige ontmoeting met Chambonnières tot aan zijn vroege dood in 1661 – ontwikkelde hij zich tot een veelgevraagd componist en uitvoerend musicus en schreef hij ongeveer tweehonderd werken; vooral voor klavecimbel, maar ook voor orgel en viola da gamba.

De Franse klavecinist Jean Rondeau is een ware ambassadeur voor zijn instrument. Recentelijk nam hij alle werken op van Louis Couperin, en sindsdien treedt hij wereldwijd op met de verrassend spannende preludes en dansen van deze zeventiende-eeuwse componist. Waar komt Rondeaus fascinatie voor Monsieur Couperin vandaan, en welke stukken heeft hij geselecteerd voor de Kleine Zaal?

Oom en neef

Net zoals Johann Sebastian Bach werd Louis Couperin geboren in een componisten­familie, en net zoals Wolfgang Amadeus Mozart was hij een genie, schreef hij vernieuwende muziek en stierf hij veel te vroeg, op zijn vijfendertigste. Maar ­anders dan bij Bach en Mozart is de naam van Louis Couperin niet bekend gebleven bij het grote publiek. Bovendien wordt hij vaak verward met Couperin ‘Le Grand’: de jongere neef François Couperin (1668-1733), die nóg meer succes had dan zijn oom. Dus wie was Louis Couperin? 

Mee naar Parijs

Louis Couperin, geboren rond 1626 in de Noord-Franse gemeente Chaumes-en-Brie, zuidoostelijk van Parijs, was niet alleen een succesvolle componist en virtuoze klavecinist, hij speelde ook uitstekend orgel en viola da gamba. Als gambist vervulde hij een bijzondere positie aan het hof van Lodewijk XIV en speelde hij bijvoorbeeld mee in vier beroemde balletten van hofcomponist Jean-­Baptiste Lully. Daarnaast vervulde hij de prestigieuze positie van organist (een positie die na zijn dood is overgenomen door zijn broer en voortgezet door vele nazaten) van de Saint-­Gervais, een actieve en drukbezochte kerk in Parijs.

Hoewel Louis Couperin werd geboren in een muzikale ­familie, lag het niet voor de hand dat hij succesvol zou worden in Parijs en aan het Franse hof. Volgens een bekende legende (opgetekend door biograaf Évrard Titon du Tillet in zijn kroniek Le Parnasse françois uit 1732) had hij zijn succes te danken aan een toevallige ontmoeting met de hofcomponist Jacques Champion de Chambonnières, de grondlegger van de Franse klavecimbelschool. Tijdens een reis door de regio van Chaumes-en-Brie rond 1650 hoorde Chambonnières de jonge Louis Couperin spelen uit eigen werk. Hij was zó onder de indruk, dat hij hem als leerling meenam naar Parijs en introduceerde aan het hof.

Om het verhaal nog iets complexer te maken: Louis vertrok niet als enige naar Parijs, zijn twee muzikale broers reisden hem achterna: François ‘L’Ancien’ en Charles, later de vader van François ‘Le Grand’. Over leven en werk van deze twee broers is nóg minder bekend dan over Louis zelf. Mogelijk werkten ze ook wel eens samen en het valt niet uit te sluiten dat sommige composities van Louis Couperin wellicht afkomstig waren van een van zijn broers. Wat in ieder geval zeker is, is de uitzonderlijke prestatie van Louis Couperin: in slechts tien jaar tijd – van zijn toevallige ontmoeting met Chambonnières tot aan zijn vroege dood in 1661 – ontwikkelde hij zich tot een veelgevraagd componist en uitvoerend musicus en schreef hij ongeveer tweehonderd werken; vooral voor klavecimbel, maar ook voor orgel en viola da gamba.

  • Louis Couperin

    Louis Couperin

  • Louis Couperin

    Louis Couperin

Jukebox

In de tijd van Louis Couperin was het niet makkelijk en bovendien erg duur om composities te laten drukken. Hoewel het zijn neef François ‘Le Grand’ twee decennia later wél zou lukken om zijn werken uit te geven, is er van Louis helaas geen oorspronkelijk materiaal bewaard gebleven: geen publicaties, maar ook geen handschriften of door de componist gecontroleerde kopieën. De enige beschikbare bronnen voor het oeuvre van Louis Couperin zijn een paar manuscripten vervaardigd door derden, waarvan het Bauyn-­manuscript een sleutelpositie inneemt, vermoedelijk vervaardigd rond 1680. Een derde van dit manuscript bestaat uit klavecimbelstukken van Louis Couperin, daarnaast bevat het ook werken van Couperins leraar Chambonnières en andere tijdgenoten.

Couperins composities zijn in dit manuscript op een merkwaardige manier gerangschikt: niet als verzameling van complete suites – elk met een prelude en de daarbij behorende vaste reeks dansen – maar op toonsoort en op type dans. Niet bedoeld om achter elkaar uit te voeren dus, want wie wil er nou tien verschillende sarabandes in één en dezelfde toonsoort achter elkaar horen? Het manuscript is dus eerder een soort jukebox vol korte stukjes, waaruit je als uitvoerend musicus je eigen suite kunt samenstellen, naar eigen smaak en fantasie. Couperins muziek zit vol verrassende wendingen en bijzondere klankleuren, en het meest opvallend zijn de preludes: die zijn opgetekend zonder maatstrepen en bieden daardoor veel ruimte voor eigen improvisaties. Bij uitstek geschikt voor een musicus als Jean Rondeau, die niet alleen klavecinist is maar ook (jazz-)pianist en improvisator.

Tombeau de Monsieur Couperin

Voor dit recital heeft Rondeau drie suites samengesteld met overwegend preludes en dansen van Louis Couperin, maar ook van een paar tijdgenoten. Op deze manier brengt Rondeau, geheel volgens de traditie van de zeventiende eeuw, een eerbetoon aan de componist die hij bewondert: een Tomb­eau de Monsieur Couperin. Zoals Louis Couperin net als zijn tijdgenoten diverse tombeaux (letterlijk ‘grafmonumenten’) schreef voor beroemde overleden luitisten die hem inspireerden, en ook voor zijn leraar Chambonnières. 

Toegangspoort

Rondeau verklaart zijn fascinatie voor de muziek van Louis Couperin als volgt: ‘Mijn band met deze componist is heel ­bijzonder. Het allereerste muziekstuk dat ik ooit speelde was een prelude zonder maatstrepen van Louis Couperin. Ik was toen zes jaar oud, en het vormde mijn toegangspoort tot de muziek. Sindsdien heeft de muziek van Louis Couperin mij mijn hele leven als klavecinist en als musicus in brede zin vergezeld. Het is muziek waarmee ik mij diep vertrouwd voel, als een moedertaal waarnaar ik telkens terugkeer. Ik voel mij ook sterk aangetrokken tot de eenvoud en eerlijkheid van deze muziek: zij richt zich rechtstreeks tot de luisteraar, zonder kunstgrepen. De emotionele openhartigheid is krachtig en treffend. Er schuilt iets zuivers en waarachtigs in deze muziek dat diep resoneert met mijn eigen opvatting van wat muziek is.’

Jukebox

In de tijd van Louis Couperin was het niet makkelijk en bovendien erg duur om composities te laten drukken. Hoewel het zijn neef François ‘Le Grand’ twee decennia later wél zou lukken om zijn werken uit te geven, is er van Louis helaas geen oorspronkelijk materiaal bewaard gebleven: geen publicaties, maar ook geen handschriften of door de componist gecontroleerde kopieën. De enige beschikbare bronnen voor het oeuvre van Louis Couperin zijn een paar manuscripten vervaardigd door derden, waarvan het Bauyn-­manuscript een sleutelpositie inneemt, vermoedelijk vervaardigd rond 1680. Een derde van dit manuscript bestaat uit klavecimbelstukken van Louis Couperin, daarnaast bevat het ook werken van Couperins leraar Chambonnières en andere tijdgenoten.

Couperins composities zijn in dit manuscript op een merkwaardige manier gerangschikt: niet als verzameling van complete suites – elk met een prelude en de daarbij behorende vaste reeks dansen – maar op toonsoort en op type dans. Niet bedoeld om achter elkaar uit te voeren dus, want wie wil er nou tien verschillende sarabandes in één en dezelfde toonsoort achter elkaar horen? Het manuscript is dus eerder een soort jukebox vol korte stukjes, waaruit je als uitvoerend musicus je eigen suite kunt samenstellen, naar eigen smaak en fantasie. Couperins muziek zit vol verrassende wendingen en bijzondere klankleuren, en het meest opvallend zijn de preludes: die zijn opgetekend zonder maatstrepen en bieden daardoor veel ruimte voor eigen improvisaties. Bij uitstek geschikt voor een musicus als Jean Rondeau, die niet alleen klavecinist is maar ook (jazz-)pianist en improvisator.

Tombeau de Monsieur Couperin

Voor dit recital heeft Rondeau drie suites samengesteld met overwegend preludes en dansen van Louis Couperin, maar ook van een paar tijdgenoten. Op deze manier brengt Rondeau, geheel volgens de traditie van de zeventiende eeuw, een eerbetoon aan de componist die hij bewondert: een Tomb­eau de Monsieur Couperin. Zoals Louis Couperin net als zijn tijdgenoten diverse tombeaux (letterlijk ‘grafmonumenten’) schreef voor beroemde overleden luitisten die hem inspireerden, en ook voor zijn leraar Chambonnières. 

Toegangspoort

Rondeau verklaart zijn fascinatie voor de muziek van Louis Couperin als volgt: ‘Mijn band met deze componist is heel ­bijzonder. Het allereerste muziekstuk dat ik ooit speelde was een prelude zonder maatstrepen van Louis Couperin. Ik was toen zes jaar oud, en het vormde mijn toegangspoort tot de muziek. Sindsdien heeft de muziek van Louis Couperin mij mijn hele leven als klavecinist en als musicus in brede zin vergezeld. Het is muziek waarmee ik mij diep vertrouwd voel, als een moedertaal waarnaar ik telkens terugkeer. Ik voel mij ook sterk aangetrokken tot de eenvoud en eerlijkheid van deze muziek: zij richt zich rechtstreeks tot de luisteraar, zonder kunstgrepen. De emotionele openhartigheid is krachtig en treffend. Er schuilt iets zuivers en waarachtigs in deze muziek dat diep resoneert met mijn eigen opvatting van wat muziek is.’

door Noortje Zanen

Toelichting

door Noortje Zanen

De Franse klavecinist Jean Rondeau is een ware ambassadeur voor zijn instrument. Recentelijk nam hij alle werken op van Louis Couperin, en sindsdien treedt hij wereldwijd op met de verrassend spannende preludes en dansen van deze zeventiende-eeuwse componist. Waar komt Rondeaus fascinatie voor Monsieur Couperin vandaan, en welke stukken heeft hij geselecteerd voor de Kleine Zaal?

Oom en neef

Net zoals Johann Sebastian Bach werd Louis Couperin geboren in een componisten­familie, en net zoals Wolfgang Amadeus Mozart was hij een genie, schreef hij vernieuwende muziek en stierf hij veel te vroeg, op zijn vijfendertigste. Maar ­anders dan bij Bach en Mozart is de naam van Louis Couperin niet bekend gebleven bij het grote publiek. Bovendien wordt hij vaak verward met Couperin ‘Le Grand’: de jongere neef François Couperin (1668-1733), die nóg meer succes had dan zijn oom. Dus wie was Louis Couperin? 

Mee naar Parijs

Louis Couperin, geboren rond 1626 in de Noord-Franse gemeente Chaumes-en-Brie, zuidoostelijk van Parijs, was niet alleen een succesvolle componist en virtuoze klavecinist, hij speelde ook uitstekend orgel en viola da gamba. Als gambist vervulde hij een bijzondere positie aan het hof van Lodewijk XIV en speelde hij bijvoorbeeld mee in vier beroemde balletten van hofcomponist Jean-­Baptiste Lully. Daarnaast vervulde hij de prestigieuze positie van organist (een positie die na zijn dood is overgenomen door zijn broer en voortgezet door vele nazaten) van de Saint-­Gervais, een actieve en drukbezochte kerk in Parijs.

Hoewel Louis Couperin werd geboren in een muzikale ­familie, lag het niet voor de hand dat hij succesvol zou worden in Parijs en aan het Franse hof. Volgens een bekende legende (opgetekend door biograaf Évrard Titon du Tillet in zijn kroniek Le Parnasse françois uit 1732) had hij zijn succes te danken aan een toevallige ontmoeting met de hofcomponist Jacques Champion de Chambonnières, de grondlegger van de Franse klavecimbelschool. Tijdens een reis door de regio van Chaumes-en-Brie rond 1650 hoorde Chambonnières de jonge Louis Couperin spelen uit eigen werk. Hij was zó onder de indruk, dat hij hem als leerling meenam naar Parijs en introduceerde aan het hof.

Om het verhaal nog iets complexer te maken: Louis vertrok niet als enige naar Parijs, zijn twee muzikale broers reisden hem achterna: François ‘L’Ancien’ en Charles, later de vader van François ‘Le Grand’. Over leven en werk van deze twee broers is nóg minder bekend dan over Louis zelf. Mogelijk werkten ze ook wel eens samen en het valt niet uit te sluiten dat sommige composities van Louis Couperin wellicht afkomstig waren van een van zijn broers. Wat in ieder geval zeker is, is de uitzonderlijke prestatie van Louis Couperin: in slechts tien jaar tijd – van zijn toevallige ontmoeting met Chambonnières tot aan zijn vroege dood in 1661 – ontwikkelde hij zich tot een veelgevraagd componist en uitvoerend musicus en schreef hij ongeveer tweehonderd werken; vooral voor klavecimbel, maar ook voor orgel en viola da gamba.

De Franse klavecinist Jean Rondeau is een ware ambassadeur voor zijn instrument. Recentelijk nam hij alle werken op van Louis Couperin, en sindsdien treedt hij wereldwijd op met de verrassend spannende preludes en dansen van deze zeventiende-eeuwse componist. Waar komt Rondeaus fascinatie voor Monsieur Couperin vandaan, en welke stukken heeft hij geselecteerd voor de Kleine Zaal?

Oom en neef

Net zoals Johann Sebastian Bach werd Louis Couperin geboren in een componisten­familie, en net zoals Wolfgang Amadeus Mozart was hij een genie, schreef hij vernieuwende muziek en stierf hij veel te vroeg, op zijn vijfendertigste. Maar ­anders dan bij Bach en Mozart is de naam van Louis Couperin niet bekend gebleven bij het grote publiek. Bovendien wordt hij vaak verward met Couperin ‘Le Grand’: de jongere neef François Couperin (1668-1733), die nóg meer succes had dan zijn oom. Dus wie was Louis Couperin? 

Mee naar Parijs

Louis Couperin, geboren rond 1626 in de Noord-Franse gemeente Chaumes-en-Brie, zuidoostelijk van Parijs, was niet alleen een succesvolle componist en virtuoze klavecinist, hij speelde ook uitstekend orgel en viola da gamba. Als gambist vervulde hij een bijzondere positie aan het hof van Lodewijk XIV en speelde hij bijvoorbeeld mee in vier beroemde balletten van hofcomponist Jean-­Baptiste Lully. Daarnaast vervulde hij de prestigieuze positie van organist (een positie die na zijn dood is overgenomen door zijn broer en voortgezet door vele nazaten) van de Saint-­Gervais, een actieve en drukbezochte kerk in Parijs.

Hoewel Louis Couperin werd geboren in een muzikale ­familie, lag het niet voor de hand dat hij succesvol zou worden in Parijs en aan het Franse hof. Volgens een bekende legende (opgetekend door biograaf Évrard Titon du Tillet in zijn kroniek Le Parnasse françois uit 1732) had hij zijn succes te danken aan een toevallige ontmoeting met de hofcomponist Jacques Champion de Chambonnières, de grondlegger van de Franse klavecimbelschool. Tijdens een reis door de regio van Chaumes-en-Brie rond 1650 hoorde Chambonnières de jonge Louis Couperin spelen uit eigen werk. Hij was zó onder de indruk, dat hij hem als leerling meenam naar Parijs en introduceerde aan het hof.

Om het verhaal nog iets complexer te maken: Louis vertrok niet als enige naar Parijs, zijn twee muzikale broers reisden hem achterna: François ‘L’Ancien’ en Charles, later de vader van François ‘Le Grand’. Over leven en werk van deze twee broers is nóg minder bekend dan over Louis zelf. Mogelijk werkten ze ook wel eens samen en het valt niet uit te sluiten dat sommige composities van Louis Couperin wellicht afkomstig waren van een van zijn broers. Wat in ieder geval zeker is, is de uitzonderlijke prestatie van Louis Couperin: in slechts tien jaar tijd – van zijn toevallige ontmoeting met Chambonnières tot aan zijn vroege dood in 1661 – ontwikkelde hij zich tot een veelgevraagd componist en uitvoerend musicus en schreef hij ongeveer tweehonderd werken; vooral voor klavecimbel, maar ook voor orgel en viola da gamba.

  • Louis Couperin

    Louis Couperin

  • Louis Couperin

    Louis Couperin

Jukebox

In de tijd van Louis Couperin was het niet makkelijk en bovendien erg duur om composities te laten drukken. Hoewel het zijn neef François ‘Le Grand’ twee decennia later wél zou lukken om zijn werken uit te geven, is er van Louis helaas geen oorspronkelijk materiaal bewaard gebleven: geen publicaties, maar ook geen handschriften of door de componist gecontroleerde kopieën. De enige beschikbare bronnen voor het oeuvre van Louis Couperin zijn een paar manuscripten vervaardigd door derden, waarvan het Bauyn-­manuscript een sleutelpositie inneemt, vermoedelijk vervaardigd rond 1680. Een derde van dit manuscript bestaat uit klavecimbelstukken van Louis Couperin, daarnaast bevat het ook werken van Couperins leraar Chambonnières en andere tijdgenoten.

Couperins composities zijn in dit manuscript op een merkwaardige manier gerangschikt: niet als verzameling van complete suites – elk met een prelude en de daarbij behorende vaste reeks dansen – maar op toonsoort en op type dans. Niet bedoeld om achter elkaar uit te voeren dus, want wie wil er nou tien verschillende sarabandes in één en dezelfde toonsoort achter elkaar horen? Het manuscript is dus eerder een soort jukebox vol korte stukjes, waaruit je als uitvoerend musicus je eigen suite kunt samenstellen, naar eigen smaak en fantasie. Couperins muziek zit vol verrassende wendingen en bijzondere klankleuren, en het meest opvallend zijn de preludes: die zijn opgetekend zonder maatstrepen en bieden daardoor veel ruimte voor eigen improvisaties. Bij uitstek geschikt voor een musicus als Jean Rondeau, die niet alleen klavecinist is maar ook (jazz-)pianist en improvisator.

Tombeau de Monsieur Couperin

Voor dit recital heeft Rondeau drie suites samengesteld met overwegend preludes en dansen van Louis Couperin, maar ook van een paar tijdgenoten. Op deze manier brengt Rondeau, geheel volgens de traditie van de zeventiende eeuw, een eerbetoon aan de componist die hij bewondert: een Tomb­eau de Monsieur Couperin. Zoals Louis Couperin net als zijn tijdgenoten diverse tombeaux (letterlijk ‘grafmonumenten’) schreef voor beroemde overleden luitisten die hem inspireerden, en ook voor zijn leraar Chambonnières. 

Toegangspoort

Rondeau verklaart zijn fascinatie voor de muziek van Louis Couperin als volgt: ‘Mijn band met deze componist is heel ­bijzonder. Het allereerste muziekstuk dat ik ooit speelde was een prelude zonder maatstrepen van Louis Couperin. Ik was toen zes jaar oud, en het vormde mijn toegangspoort tot de muziek. Sindsdien heeft de muziek van Louis Couperin mij mijn hele leven als klavecinist en als musicus in brede zin vergezeld. Het is muziek waarmee ik mij diep vertrouwd voel, als een moedertaal waarnaar ik telkens terugkeer. Ik voel mij ook sterk aangetrokken tot de eenvoud en eerlijkheid van deze muziek: zij richt zich rechtstreeks tot de luisteraar, zonder kunstgrepen. De emotionele openhartigheid is krachtig en treffend. Er schuilt iets zuivers en waarachtigs in deze muziek dat diep resoneert met mijn eigen opvatting van wat muziek is.’

Jukebox

In de tijd van Louis Couperin was het niet makkelijk en bovendien erg duur om composities te laten drukken. Hoewel het zijn neef François ‘Le Grand’ twee decennia later wél zou lukken om zijn werken uit te geven, is er van Louis helaas geen oorspronkelijk materiaal bewaard gebleven: geen publicaties, maar ook geen handschriften of door de componist gecontroleerde kopieën. De enige beschikbare bronnen voor het oeuvre van Louis Couperin zijn een paar manuscripten vervaardigd door derden, waarvan het Bauyn-­manuscript een sleutelpositie inneemt, vermoedelijk vervaardigd rond 1680. Een derde van dit manuscript bestaat uit klavecimbelstukken van Louis Couperin, daarnaast bevat het ook werken van Couperins leraar Chambonnières en andere tijdgenoten.

Couperins composities zijn in dit manuscript op een merkwaardige manier gerangschikt: niet als verzameling van complete suites – elk met een prelude en de daarbij behorende vaste reeks dansen – maar op toonsoort en op type dans. Niet bedoeld om achter elkaar uit te voeren dus, want wie wil er nou tien verschillende sarabandes in één en dezelfde toonsoort achter elkaar horen? Het manuscript is dus eerder een soort jukebox vol korte stukjes, waaruit je als uitvoerend musicus je eigen suite kunt samenstellen, naar eigen smaak en fantasie. Couperins muziek zit vol verrassende wendingen en bijzondere klankleuren, en het meest opvallend zijn de preludes: die zijn opgetekend zonder maatstrepen en bieden daardoor veel ruimte voor eigen improvisaties. Bij uitstek geschikt voor een musicus als Jean Rondeau, die niet alleen klavecinist is maar ook (jazz-)pianist en improvisator.

Tombeau de Monsieur Couperin

Voor dit recital heeft Rondeau drie suites samengesteld met overwegend preludes en dansen van Louis Couperin, maar ook van een paar tijdgenoten. Op deze manier brengt Rondeau, geheel volgens de traditie van de zeventiende eeuw, een eerbetoon aan de componist die hij bewondert: een Tomb­eau de Monsieur Couperin. Zoals Louis Couperin net als zijn tijdgenoten diverse tombeaux (letterlijk ‘grafmonumenten’) schreef voor beroemde overleden luitisten die hem inspireerden, en ook voor zijn leraar Chambonnières. 

Toegangspoort

Rondeau verklaart zijn fascinatie voor de muziek van Louis Couperin als volgt: ‘Mijn band met deze componist is heel ­bijzonder. Het allereerste muziekstuk dat ik ooit speelde was een prelude zonder maatstrepen van Louis Couperin. Ik was toen zes jaar oud, en het vormde mijn toegangspoort tot de muziek. Sindsdien heeft de muziek van Louis Couperin mij mijn hele leven als klavecinist en als musicus in brede zin vergezeld. Het is muziek waarmee ik mij diep vertrouwd voel, als een moedertaal waarnaar ik telkens terugkeer. Ik voel mij ook sterk aangetrokken tot de eenvoud en eerlijkheid van deze muziek: zij richt zich rechtstreeks tot de luisteraar, zonder kunstgrepen. De emotionele openhartigheid is krachtig en treffend. Er schuilt iets zuivers en waarachtigs in deze muziek dat diep resoneert met mijn eigen opvatting van wat muziek is.’

door Noortje Zanen

Biografie

Jean Rondeau, klavecimbel

Jean Rondeau kreeg in 2019 voor zijn Scarlatti-cd een Diapason d’Or, en ook zijn eerdere opnames en zijn laatst verschenen albums Gradus ad Parnassum en Goldberg ­Variations worden internationaal geprezen. De klavecinist soleerde bij orkesten als het Orchestre de Paris, het Freiburger Barockorchester, het Kammerorchester Basel en het Orchestre de Chambre de Genève.

In 2022 tourde hij met Bachs Goldberg-­variaties langs belangrijke Europese podia waaronder de Philharmonie in Berlijn, de Alte Oper in Frankfurt en Wigmore Hall in Londen.

Tijdens deze tournee maakte hij zijn solodebuut in de Kleine Zaal van Het Concertgebouw. Momenteel presenteert Jean Rondeau een baanbrekend project rond het complete werk van Louis Couperin, dat onder meer een uitgave van tien cd’s en een dvd omvat, een tournee door Japan en meerdere uitvoeringen van Couperins werken in Europese concertzalen en tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, waar hij in 2025 artist in residence was.

Hedendaagse muziek heeft zeker ook de belangstelling van de veelzijdige musicus: hij speelt regelmatig nieuwe composities en eigen improvisaties. Jean Rondeau studeerde klavecimbel bij Blandine Verlet aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs, gevolgd door lessen in basso-continuospel, orgel, piano, jazz, improvisatie en directie.

Hij voltooide zijn opleiding aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen. In 2012 won hij de International Harpsichord Competition in Brugge. Zijn laatste optreden in de Kleine Zaal was in de zomer­programmering van 2024 samen met luitist Thomas Dunford.