Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
achtergrond

Het liefdesoffer van Alcestis

door Emilie van Opstall
23 dec. 2019 23 december 2019

Bij de Oudgriekse tragedieschrijver Euripides verkiest Alcestis de dood om haar man te redden. In Glucks opera Alceste is het verhaal minder rauw en ligt de nadruk op de liefde. Wat is een mensenleven in onze tijd waard?

Ben je bereid je leven voor een ander te geven? Koningin Alcestis (Frans: Alceste) deed het voor haar man, uit liefde. Ware liefde en overwinning op de dood staan centraal in Alceste (1776) van Christoph Willibald Gluck (1714-1787). Als de opera begint, ligt koning Admetus (Frans: Admète) op sterven.

De god Apollo belooft dat hij kan blijven leven als iemand anders in zijn plaats sterft. Niemand biedt zich aan, behalve zijn vrouw Alcestis. De koning herstelt en denkt dat een onbekende held zijn leven voor hem heeft gegeven. Wanneer zijn vrouw onthult dat zij zich heeft aangeboden, is Admetus wanhopig en wil hij sterven. Maar Alcestis houdt hem tegen. In het recitatief Dérobez-moi vos pleurs (Verlos mij van uw tranen) en de daarop volgende aria Ah! Malgré moi (Ach, in weerwil van mijzelf) verzamelt zij moed voor haar nobele daad.

Dan komt de held Hercules toevallig in het paleis langs en hoort dat Alcestis op weg is naar de onderwereld. Hij gaat haar achterna om haar te redden, net als Admetus, omdat hij en de kinderen niet zonder haar kunnen. Maar de Dood eist slechts één leven: dat van Alcestis.

Alcestis

illustratie: Joost Swarte

Alcestis

illustratie: Joost Swarte

Alcestis

illustratie: Joost Swarte

Alcestis

illustratie: Joost Swarte

Hercules gaat de strijd met de Dood aan en overwint. Allen kunnen daardoor levend terugkeren naar de bovenwereld. Apollo maakt Hercules onsterfelijk en stelt het huwelijk van Alcestis en Admetus ten voorbeeld aan de mensheid – in ieder geval aan de achttiende-eeuwse west-Europeaan.

Klassieke eenvoud voor Wenen en Parijs

Zowel Jean-Baptiste Lully als Georg Friedrich Händel had de Griekse mythe van Alcestis al eerder op muziek gezet. Lully had in 1674 de opera Alceste, ou Le triomphe d’Alcide geschreven ter ere van de zonnekoning, Lodewijk XIV. Hij had zich daarin met virtuoze zang en dans op talloze subplots uitgeleefd.

Händel had in 1749-50 in Londen aria’s gecomponeerd voor een toneelstuk van Tobias Smollett, dat nooit werd uitgevoerd en verloren is gegaan. De hoofdlijn is wel overgeleverd: Admetus en Alcestis vieren hun huwelijk, worden door Alcestis’ dood van elkaar gescheiden, en worden tot slot weer herenigd. De muze Calliope treedt tweemaal op in Admetus’ slaap: eerst om hem als pasgetrouwd man te verkwikken, dan om hem als weduwnaar te troosten.

Gluck zette zich met name af tegen zijn barokke voorganger Lully. Wat Racine een eeuw eerder deed voor het theater, deed Gluck voor de opera: hij liet zich inspireren door de ‘klassieke eenvoud van de Oudheid’. In het beroemde voorwoord van zijn Alceste zegt hij: ‘Ik heb ernaar gestreefd de muziek te beperken tot haar ware taak van het dienen van de poëzie, door middel van expressie en door de gebeurtenissen in het verhaal te volgen, zonder het te onderbreken of het door nutteloze en oppervlakkige versieringen te verzwakken.’

In 1767 had hij met librettist Raniero de’ Calzabigi al een Italiaanse Alceste, ossia il trionfo del’amor conjugale geschreven voor het Weense hof van keizer Jozef II; misschien met de rouwende Maria Theresa in het achterhoofd, hoewel die sinds de dood van haar echtgenoot het theater niet meer bezocht. In 1776 maakte Gluck met Jean-Louis Gand Leblanc du Roullet een gedeeltelijk nieuwe Alceste voor het Parijse hof van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette (dochter van Maria Theresa).

Huwelijk en zelfbeschikking

Door in zijn Alceste de muziek in dienst van het verhaal te stellen, keert Gluck bewust terug naar de Griekse tragikomedie Alcestis (438 v. Chr.) van Euripides (480-406 v. Chr.) – al past hij de mythe behoorlijk aan. Zijn opera wordt ook wel omschreven als een ‘heidens oratorium’.

‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden’, zegt Jezus in Johannes 15:13. ‘Sterven voor wat je liefhebt is een zoete zaak’, zingt Alcestis bij Gluck, je leven voor je echtgenoot geven is een ‘natuurlijke en perfecte deugd’. De enige dissonant in het huwelijk is afkomstig van Admetus. Hij voelt zich door zijn echtgenote in de steek gelaten.

Wanhopig over het wrede lot roept hij uit: ‘Wie gaf jou het recht over jezelf te beschikken? Houden liefdeseden en huwelijksgeloftes je niet aan mijn wetten geketend?’ In de achttiende eeuw werd een vrouw niet geacht over haar eigen leven te beslissen, maar hier doet zij het toch.

Vrouwen hadden nog een lange weg te gaan, getuige de ruim 150 jaar die liggen tussen The vindication of the rights of women van Mary Wollstonecraft uit 1792 – een van de eerste feministische werken – en het afschaffen van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw in Nederland in 1956.

Hartverscheurend

Iedere tijd heeft zijn eigen benadering van de vraag voor wie een mens bereid is zijn leven te geven. Misschien is Glucks versie naar de huidige smaak te zoet, zijn Alceste te onderdanig. In Euripides’ Alcestis gaat het er rauwer aan toe. Daar worden alle vriendschapsbanden en familierelaties op scherp gezet, want Admetus (minder sympathiek dan bij Gluck) moet in dit geval zelf vragen wie voor hem wil sterven.

Zijn vrienden willen dat niet, en zelfs zijn eigen ouders hangen te zeer aan het leven: het is al zo kort en hun zoon denkt kennelijk onsterfelijk te kunnen zijn. Alleen de nobelste van alle vrouwen, Alcestis, verklaart zich bereid. Is zij verliefd op de dood, of geeft zij misschien te veel om roem?

De liefde van Alcestis en Admetus wordt niet benoemd, maar uit zich via beeldtaal: Alcestis werpt zich in de slaapkamer op hun bed, Admetus zal de lege plek die zij daar achterlaat aanraken. Wanneer Alcestis Charons veerboot al op zich af ziet komen, moet Admetus beloven dat hij niet zal hertrouwen, om de kinderen een stiefmoeder te besparen. Het ­afscheid is hartverscheurend.

Te laat, pas na Alcestis’ dood, komt Admetus tot inzicht. Hij had zijn eigen lot moeten aanvaarden. Omdat hij voor zowel Apollo als Hercules een goede gastheer is geweest (gastvrijheid was bijzonder belangrijk in het oude Griekenland), krijgt hij zijn vrouw weer levend terug – eind goed, al goed. Plato noemt Alcestis een ­‘monument voor heel Griekenland’. Zij mag als een van de weinigen terugkeren uit het dodenrijk, want bij haar liefdesoffer verbleken bloedverwanten tot vreemdelingen.

De waarde van een mensenleven

Het feit dat Admetus bij Euripides zelf een plaatsvervanger uitzoekt is voor ons nogal extreem. Maar juist de afstand tussen ons en de Grieken schept ruimte tot nadenken over de aloude thema’s liefde (eros) en dood (thanatos) uit de Griekse mythologie, en nodigt uit ze te bekijken in het licht van onze eigen tijd. Wat is een mensenleven in de eenentwintigste eeuw waard? Voor wie zijn wij bereid ons leven te geven? Wie durven wij te vragen zijn leven voor ons op te offeren? Kunnen wij ons neerleggen bij ons eigen doodslot?

In een geval van acute nood kan een mens zonder nadenken en met gevaar voor eigen leven in een kolkende rivier springen om een drenkeling uit het water te redden. Een reflex die eigen is aan primaten, zoals bioloog Frans de Waal heeft laten zien. Maar zodra je erover gaat nadenken, wordt het ingewikkeld.

Leeftijd, liefde, bloedbanden, vriendschap, idealen: allemaal spelen ze een rol bij het beantwoorden van zulke grote vragen. Als het gaat over empathie, altruïsme en zelfopoffering komt het thema orgaandonatie misschien het dichtst bij een Alcestis uit de eenentwintigste eeuw. De vraag is dan of, en aan wie, je een nier of een stuk van je lever wilt afstaan – met alle risico’s van dien.

wo 22, do 23 en vr 24 januari | Grote Zaal 
Concertgebouworkest

Bekijk dit concertprogramma

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.