Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl

Concertprogramma

Concertprogramma

Elim Chan dirigeert Tsjaikovski bij het Concertgebouworkest

Elim Chan dirigeert Tsjaikovski bij het Concertgebouworkest

Concertstream
07 mei 2021
20.00 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Elim Chan dirigent
Simone Lamsma viool

Dit programma wordt kosteloos gestreamd via concertgebouworkest.nl en de Facebook- en YouTube-kanalen van het orkest.

Lees ook het achtergrondverhaal: Allrounder Tsjaikovski

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Vioolconcert in D gr.t., op. 35 (1878)
Allegro moderato
Canzonetta: Andante − Finale: Allegro vivacissimo
 
Romeo en Julia (1869-70, versie 1880)
ouverture-fantasie naar Shakespeares drama 

Suite uit het ballet ‘Het zwanenmeer’, op. 20 (1875-77) 
Wals uit het eerste bedrijf
Zwanendansen uit het tweede bedrijf: Allegro moderato (Dans van de kleine zwaantjes nr. 4) - Pas d’action (Odette en de prins, nr. 5) 
Scène finale uit het vierde bedrijf

Concertstream 07 mei 2021 20.00 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Elim Chan dirigent
Simone Lamsma viool

Dit programma wordt kosteloos gestreamd via concertgebouworkest.nl en de Facebook- en YouTube-kanalen van het orkest.

Lees ook het achtergrondverhaal: Allrounder Tsjaikovski

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Vioolconcert in D gr.t., op. 35 (1878)
Allegro moderato
Canzonetta: Andante − Finale: Allegro vivacissimo
 
Romeo en Julia (1869-70, versie 1880)
ouverture-fantasie naar Shakespeares drama 

Suite uit het ballet ‘Het zwanenmeer’, op. 20 (1875-77) 
Wals uit het eerste bedrijf
Zwanendansen uit het tweede bedrijf: Allegro moderato (Dans van de kleine zwaantjes nr. 4) - Pas d’action (Odette en de prins, nr. 5) 
Scène finale uit het vierde bedrijf

Toelichting

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Vioolconcert

door Rutger Helmers

Een programma dat de diversiteit en rijkdom van het oeuvre van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski illustreert.

Als eerste klinkt het Vioolconcert. De voornaamste inspirator was Iosif Kotek, een jonge violist voor wie Tsjaikovski amoureuze gevoelens koesterde, maar met wie hij uiteindelijk een soort vader-zoonrelatie opbouwde. Kotek kwam in de lente van 1878 bij de componist langs in het Zwitserse Clarens en had een hele stapel partituren meegebracht, waaronder de Symphonie espagnole van de Franse violist en componist Édouard Lalo, die Tsjaikovski bijzonder beviel.

Lalo, merkte hij op, ‘vermijdt zorgvuldig routine, zoekt nieuwe vormen, en geeft meer om muzikale schoonheid dan om het in acht nemen van gevestigde tradities, zoals de Duitsers doen.’

Een programma dat de diversiteit en rijkdom van het oeuvre van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski illustreert.

Als eerste klinkt het Vioolconcert. De voornaamste inspirator was Iosif Kotek, een jonge violist voor wie Tsjaikovski amoureuze gevoelens koesterde, maar met wie hij uiteindelijk een soort vader-zoonrelatie opbouwde. Kotek kwam in de lente van 1878 bij de componist langs in het Zwitserse Clarens en had een hele stapel partituren meegebracht, waaronder de Symphonie espagnole van de Franse violist en componist Édouard Lalo, die Tsjaikovski bijzonder beviel.

Lalo, merkte hij op, ‘vermijdt zorgvuldig routine, zoekt nieuwe vormen, en geeft meer om muzikale schoonheid dan om het in acht nemen van gevestigde tradities, zoals de Duitsers doen.’

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Dit was precies wat Tsjaikovski zo aantrok in het werk van andere Franse tijdgenoten, zoals Léo Delibes en Georges Bizet. Nog geen twee weken later lagen er schetsen voor het Vioolconcert, waar Kotek zich vol enthousiasme op stortte. Het zou een van de populairste vioolconcerten uit het repertoire worden, en hoe vaak het ook gespeeld wordt, de muziek blijft fris aandoen.

Het zit vol treffende momenten, zoals de terugkeer van het trotse hoofdthema van het eerste deel, dat na de virtuoze cadens niet door vol orkest, maar subtiel door de fluiten wordt ingezet. De finale komt direct voort uit het Canzonetta, het lyrische tweede deel, waarin -Tsjaikovski tegen het einde subtiel – en veel langzamer – het motief van de finale introduceert.

Dit slotdeel zelf is een trepak, een snelle Oekraïense dans in tweekwartsmaat: het is moeilijk om je niet door de energie van dit deel mee te laten slepen, waarin de onvermoeibare viool soms even nadrukkelijk rust neemt, maar altijd in de startblokken lijkt te staan om er weer razendsnel vandoor te gaan. 

 

Dit was precies wat Tsjaikovski zo aantrok in het werk van andere Franse tijdgenoten, zoals Léo Delibes en Georges Bizet. Nog geen twee weken later lagen er schetsen voor het Vioolconcert, waar Kotek zich vol enthousiasme op stortte. Het zou een van de populairste vioolconcerten uit het repertoire worden, en hoe vaak het ook gespeeld wordt, de muziek blijft fris aandoen.

Het zit vol treffende momenten, zoals de terugkeer van het trotse hoofdthema van het eerste deel, dat na de virtuoze cadens niet door vol orkest, maar subtiel door de fluiten wordt ingezet. De finale komt direct voort uit het Canzonetta, het lyrische tweede deel, waarin -Tsjaikovski tegen het einde subtiel – en veel langzamer – het motief van de finale introduceert.

Dit slotdeel zelf is een trepak, een snelle Oekraïense dans in tweekwartsmaat: het is moeilijk om je niet door de energie van dit deel mee te laten slepen, waarin de onvermoeibare viool soms even nadrukkelijk rust neemt, maar altijd in de startblokken lijkt te staan om er weer razendsnel vandoor te gaan. 

 

door Rutger Helmers

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Romeo en Julia

Het idee om een orkestwerk op Shakespeares Romeo and Juliet te baseren ontstond in de zomer van 1869 en was afkomstig van Mili Balakirev, de leider van de zogenaamde Nieuwe Russische School, of ‘Het Machtige Hoopje’, waar ook Modest Moesorgski, Aleksandr Borodin en Nikolaj Rimski-Korsakov deel van uitmaakten.

Als pleitbezorger van programmatische muziek, die zelf een King Lear-ouverture op zijn naam had staan, was Balakirev een inspirerende figuur, maar zijn aanmoedigingen gingen wel gepaard met verregaande bemoeienis en genadeloze kritiek. Tsjaikovski nam veel suggesties van zijn collega ter harte, maar trok nadrukkelijk ook zijn eigen plan.  

Het idee om een orkestwerk op Shakespeares Romeo and Juliet te baseren ontstond in de zomer van 1869 en was afkomstig van Mili Balakirev, de leider van de zogenaamde Nieuwe Russische School, of ‘Het Machtige Hoopje’, waar ook Modest Moesorgski, Aleksandr Borodin en Nikolaj Rimski-Korsakov deel van uitmaakten.

Als pleitbezorger van programmatische muziek, die zelf een King Lear-ouverture op zijn naam had staan, was Balakirev een inspirerende figuur, maar zijn aanmoedigingen gingen wel gepaard met verregaande bemoeienis en genadeloze kritiek. Tsjaikovski nam veel suggesties van zijn collega ter harte, maar trok nadrukkelijk ook zijn eigen plan.  

De ‘ouverture-fantasie’, zoals Tsjaikovski het werk uiteindelijk karakteriseerde, volgt Shakespeares plot niet in detail, maar haalt er enkele centrale thema’s uit en verwerkt deze in een symfonische vorm. De uitgebreide langzame inleiding, geassocieerd met Father Lawrence (Romeo’s biechtvader), schetst de achtergrond waartegen het drama zich kan voltrekken.

Dat barst pas echt los met het wervelende Allegro – het officiële ‘eerste thema’ – dat de strijd tussen de Montagues en de Capulets weergeeft en de luisteraar op het puntje van de stoel houdt met het karakteristieke ritme en de vele rake klappen van het slagwerk. Daarnaast bevat deze ouverture een van de meeste smachtende liefdesthema’s in het romantische repertoire.

Bij de eerste ontmoeting is het nog tamelijk beheerst, maar bij herhaling neemt de melodie een steeds nadrukkelijkere aanloop, bereiken de violen hun hoogste register en maken de herhaalde noten in de hoorns het verlangen bijna lichamelijk voelbaar. Dit geluk is helaas maar vluchtig, en de terugkeer van het Allegro leidt het stuk naar het onvermijdelijke tragische einde.

De ‘ouverture-fantasie’, zoals Tsjaikovski het werk uiteindelijk karakteriseerde, volgt Shakespeares plot niet in detail, maar haalt er enkele centrale thema’s uit en verwerkt deze in een symfonische vorm. De uitgebreide langzame inleiding, geassocieerd met Father Lawrence (Romeo’s biechtvader), schetst de achtergrond waartegen het drama zich kan voltrekken.

Dat barst pas echt los met het wervelende Allegro – het officiële ‘eerste thema’ – dat de strijd tussen de Montagues en de Capulets weergeeft en de luisteraar op het puntje van de stoel houdt met het karakteristieke ritme en de vele rake klappen van het slagwerk. Daarnaast bevat deze ouverture een van de meeste smachtende liefdesthema’s in het romantische repertoire.

Bij de eerste ontmoeting is het nog tamelijk beheerst, maar bij herhaling neemt de melodie een steeds nadrukkelijkere aanloop, bereiken de violen hun hoogste register en maken de herhaalde noten in de hoorns het verlangen bijna lichamelijk voelbaar. Dit geluk is helaas maar vluchtig, en de terugkeer van het Allegro leidt het stuk naar het onvermijdelijke tragische einde.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Suite uit ‘Het zwanenmeer’

Het zwanenmeer is gecomponeerd tussen 1875 en 1877 in opdracht van het Bolsjoj ­Theater in Moskou. Het was Tsjaikovski’s eerste ballet, geschreven in een periode waarin het absoluut ongebruikelijk was dat een componist met serieuze symfonische ambities zich bezighield met dergelijke dansmuziek, omdat hij zich ondergeschikt zou maken aan de vereisten van de dansers en de balletmeester. Tsjaikovski had aan zijn collega Rimski-Korsakov opgebiecht dat hij ‘al lange tijd eens wilde proberen dit soort muziek te schrijven’, en stortte zich er vol overgave op.

Het ballet was geen groot succes en zou pas wereldwijde roem ­vergaren na Tsjaikovski’s dood, met een nieuwe choreografie van de hand van Marius Petipa en Lev Ivanov voor het Keizerlijke Ballet in Sint-Petersburg (1895). Van de oorspronkelijke productie in Moskou in 1877 is maar weinig bewaard gebleven. Behalve, gelukkig, Tsjaikovski’s muziek.

Het zwanenmeer is gecomponeerd tussen 1875 en 1877 in opdracht van het Bolsjoj ­Theater in Moskou. Het was Tsjaikovski’s eerste ballet, geschreven in een periode waarin het absoluut ongebruikelijk was dat een componist met serieuze symfonische ambities zich bezighield met dergelijke dansmuziek, omdat hij zich ondergeschikt zou maken aan de vereisten van de dansers en de balletmeester. Tsjaikovski had aan zijn collega Rimski-Korsakov opgebiecht dat hij ‘al lange tijd eens wilde proberen dit soort muziek te schrijven’, en stortte zich er vol overgave op.

Het ballet was geen groot succes en zou pas wereldwijde roem ­vergaren na Tsjaikovski’s dood, met een nieuwe choreografie van de hand van Marius Petipa en Lev Ivanov voor het Keizerlijke Ballet in Sint-Petersburg (1895). Van de oorspronkelijke productie in Moskou in 1877 is maar weinig bewaard gebleven. Behalve, gelukkig, Tsjaikovski’s muziek.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Dirigent Franz Welser-Möst (die dit programma oorspronkelijk zou dirigeren) heeft een selectie van nummers uit het ballet gemaakt, die afwijkt van de bekende Suite uit ‘Het zwanenmeer’ en dichter aansluit bij het verhaal dat in het ballet wordt verteld. We beginnen met de grote wals die klinkt op het verjaardagsfeest van Prins Siegfried in het eerste ­bedrijf – de vele walsen die Tsjaikovski voor dit ballet componeerde, zijn stuk voor stuk memorabel en getuigen van een onvoorstelbare inventiviteit op het gebied van melodie en orkestratie.

De Prins krijgt op zijn verjaardag te horen dat hij de volgende avond op een bal een bruid zal moeten kiezen. Hij voelt hier weinig voor, ontvlucht ’s avonds het hof en gaat op jacht. Zo vindt hij de zwanenprinses Odette, die betoverd is door de kwade tovenaar Von Rothbart, en alleen bevrijd kan worden als iemand haar de ware liefde verklaart.

Er volgt een reeks zwanendansen. De Dans van de kleine zwaantjes, een aandoenlijke dans van vier ballerina’s die hand in hand bescherming bij elkaar zoeken, vormt een prachtig contrast met de adembenemende dans van de Prins en Odette die daarop volgt, waarin de verstrengeling van de twee geliefden muzikaal wordt vertolkt door een soloviool (vanavond concertmeester Liviu Prunaru) en solocello (Gregor Horsch), begeleid door de harp (Petra van der Heide), het symbool voor de magische wereld waar de zwanen zich in begeven.

In het derde bedrijf, het bal, wordt de Prins misleid: denkend dat hij Odette voor zich heeft, verklaart hij de liefde aan de verleidelijke en ijdele Odille, Von Rothbarts dochter. Dan volgt de tragische conclusie van het ballet, als de Prins naar het Zwanenmeer terugsnelt om Odette te vinden. Haar lot is al bezegeld.

We horen hier het beroemde thema van de zwanen, eerst in versnelde vorm als Prins Siegfried zich uitput in excuses, en uiteindelijk in overweldigend majeur als de twee geliefden besluiten zich te verdrinken in het meer. Dit betekent tegelijkertijd de ondergang van de kwade tovenaar, en voor de geliefden, net als voor Romeo en Julia, verlossing in de dood.  

Dirigent Franz Welser-Möst (die dit programma oorspronkelijk zou dirigeren) heeft een selectie van nummers uit het ballet gemaakt, die afwijkt van de bekende Suite uit ‘Het zwanenmeer’ en dichter aansluit bij het verhaal dat in het ballet wordt verteld. We beginnen met de grote wals die klinkt op het verjaardagsfeest van Prins Siegfried in het eerste ­bedrijf – de vele walsen die Tsjaikovski voor dit ballet componeerde, zijn stuk voor stuk memorabel en getuigen van een onvoorstelbare inventiviteit op het gebied van melodie en orkestratie.

De Prins krijgt op zijn verjaardag te horen dat hij de volgende avond op een bal een bruid zal moeten kiezen. Hij voelt hier weinig voor, ontvlucht ’s avonds het hof en gaat op jacht. Zo vindt hij de zwanenprinses Odette, die betoverd is door de kwade tovenaar Von Rothbart, en alleen bevrijd kan worden als iemand haar de ware liefde verklaart.

Er volgt een reeks zwanendansen. De Dans van de kleine zwaantjes, een aandoenlijke dans van vier ballerina’s die hand in hand bescherming bij elkaar zoeken, vormt een prachtig contrast met de adembenemende dans van de Prins en Odette die daarop volgt, waarin de verstrengeling van de twee geliefden muzikaal wordt vertolkt door een soloviool (vanavond concertmeester Liviu Prunaru) en solocello (Gregor Horsch), begeleid door de harp (Petra van der Heide), het symbool voor de magische wereld waar de zwanen zich in begeven.

In het derde bedrijf, het bal, wordt de Prins misleid: denkend dat hij Odette voor zich heeft, verklaart hij de liefde aan de verleidelijke en ijdele Odille, Von Rothbarts dochter. Dan volgt de tragische conclusie van het ballet, als de Prins naar het Zwanenmeer terugsnelt om Odette te vinden. Haar lot is al bezegeld.

We horen hier het beroemde thema van de zwanen, eerst in versnelde vorm als Prins Siegfried zich uitput in excuses, en uiteindelijk in overweldigend majeur als de twee geliefden besluiten zich te verdrinken in het meer. Dit betekent tegelijkertijd de ondergang van de kwade tovenaar, en voor de geliefden, net als voor Romeo en Julia, verlossing in de dood.  

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Vioolconcert

door Rutger Helmers

Een programma dat de diversiteit en rijkdom van het oeuvre van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski illustreert.

Als eerste klinkt het Vioolconcert. De voornaamste inspirator was Iosif Kotek, een jonge violist voor wie Tsjaikovski amoureuze gevoelens koesterde, maar met wie hij uiteindelijk een soort vader-zoonrelatie opbouwde. Kotek kwam in de lente van 1878 bij de componist langs in het Zwitserse Clarens en had een hele stapel partituren meegebracht, waaronder de Symphonie espagnole van de Franse violist en componist Édouard Lalo, die Tsjaikovski bijzonder beviel.

Lalo, merkte hij op, ‘vermijdt zorgvuldig routine, zoekt nieuwe vormen, en geeft meer om muzikale schoonheid dan om het in acht nemen van gevestigde tradities, zoals de Duitsers doen.’

Een programma dat de diversiteit en rijkdom van het oeuvre van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski illustreert.

Als eerste klinkt het Vioolconcert. De voornaamste inspirator was Iosif Kotek, een jonge violist voor wie Tsjaikovski amoureuze gevoelens koesterde, maar met wie hij uiteindelijk een soort vader-zoonrelatie opbouwde. Kotek kwam in de lente van 1878 bij de componist langs in het Zwitserse Clarens en had een hele stapel partituren meegebracht, waaronder de Symphonie espagnole van de Franse violist en componist Édouard Lalo, die Tsjaikovski bijzonder beviel.

Lalo, merkte hij op, ‘vermijdt zorgvuldig routine, zoekt nieuwe vormen, en geeft meer om muzikale schoonheid dan om het in acht nemen van gevestigde tradities, zoals de Duitsers doen.’

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

illustratie: Rebecca Clarke

Dit was precies wat Tsjaikovski zo aantrok in het werk van andere Franse tijdgenoten, zoals Léo Delibes en Georges Bizet. Nog geen twee weken later lagen er schetsen voor het Vioolconcert, waar Kotek zich vol enthousiasme op stortte. Het zou een van de populairste vioolconcerten uit het repertoire worden, en hoe vaak het ook gespeeld wordt, de muziek blijft fris aandoen.

Het zit vol treffende momenten, zoals de terugkeer van het trotse hoofdthema van het eerste deel, dat na de virtuoze cadens niet door vol orkest, maar subtiel door de fluiten wordt ingezet. De finale komt direct voort uit het Canzonetta, het lyrische tweede deel, waarin -Tsjaikovski tegen het einde subtiel – en veel langzamer – het motief van de finale introduceert.

Dit slotdeel zelf is een trepak, een snelle Oekraïense dans in tweekwartsmaat: het is moeilijk om je niet door de energie van dit deel mee te laten slepen, waarin de onvermoeibare viool soms even nadrukkelijk rust neemt, maar altijd in de startblokken lijkt te staan om er weer razendsnel vandoor te gaan. 

 

Dit was precies wat Tsjaikovski zo aantrok in het werk van andere Franse tijdgenoten, zoals Léo Delibes en Georges Bizet. Nog geen twee weken later lagen er schetsen voor het Vioolconcert, waar Kotek zich vol enthousiasme op stortte. Het zou een van de populairste vioolconcerten uit het repertoire worden, en hoe vaak het ook gespeeld wordt, de muziek blijft fris aandoen.

Het zit vol treffende momenten, zoals de terugkeer van het trotse hoofdthema van het eerste deel, dat na de virtuoze cadens niet door vol orkest, maar subtiel door de fluiten wordt ingezet. De finale komt direct voort uit het Canzonetta, het lyrische tweede deel, waarin -Tsjaikovski tegen het einde subtiel – en veel langzamer – het motief van de finale introduceert.

Dit slotdeel zelf is een trepak, een snelle Oekraïense dans in tweekwartsmaat: het is moeilijk om je niet door de energie van dit deel mee te laten slepen, waarin de onvermoeibare viool soms even nadrukkelijk rust neemt, maar altijd in de startblokken lijkt te staan om er weer razendsnel vandoor te gaan. 

 

door Rutger Helmers

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Romeo en Julia

Het idee om een orkestwerk op Shakespeares Romeo and Juliet te baseren ontstond in de zomer van 1869 en was afkomstig van Mili Balakirev, de leider van de zogenaamde Nieuwe Russische School, of ‘Het Machtige Hoopje’, waar ook Modest Moesorgski, Aleksandr Borodin en Nikolaj Rimski-Korsakov deel van uitmaakten.

Als pleitbezorger van programmatische muziek, die zelf een King Lear-ouverture op zijn naam had staan, was Balakirev een inspirerende figuur, maar zijn aanmoedigingen gingen wel gepaard met verregaande bemoeienis en genadeloze kritiek. Tsjaikovski nam veel suggesties van zijn collega ter harte, maar trok nadrukkelijk ook zijn eigen plan.  

Het idee om een orkestwerk op Shakespeares Romeo and Juliet te baseren ontstond in de zomer van 1869 en was afkomstig van Mili Balakirev, de leider van de zogenaamde Nieuwe Russische School, of ‘Het Machtige Hoopje’, waar ook Modest Moesorgski, Aleksandr Borodin en Nikolaj Rimski-Korsakov deel van uitmaakten.

Als pleitbezorger van programmatische muziek, die zelf een King Lear-ouverture op zijn naam had staan, was Balakirev een inspirerende figuur, maar zijn aanmoedigingen gingen wel gepaard met verregaande bemoeienis en genadeloze kritiek. Tsjaikovski nam veel suggesties van zijn collega ter harte, maar trok nadrukkelijk ook zijn eigen plan.  

De ‘ouverture-fantasie’, zoals Tsjaikovski het werk uiteindelijk karakteriseerde, volgt Shakespeares plot niet in detail, maar haalt er enkele centrale thema’s uit en verwerkt deze in een symfonische vorm. De uitgebreide langzame inleiding, geassocieerd met Father Lawrence (Romeo’s biechtvader), schetst de achtergrond waartegen het drama zich kan voltrekken.

Dat barst pas echt los met het wervelende Allegro – het officiële ‘eerste thema’ – dat de strijd tussen de Montagues en de Capulets weergeeft en de luisteraar op het puntje van de stoel houdt met het karakteristieke ritme en de vele rake klappen van het slagwerk. Daarnaast bevat deze ouverture een van de meeste smachtende liefdesthema’s in het romantische repertoire.

Bij de eerste ontmoeting is het nog tamelijk beheerst, maar bij herhaling neemt de melodie een steeds nadrukkelijkere aanloop, bereiken de violen hun hoogste register en maken de herhaalde noten in de hoorns het verlangen bijna lichamelijk voelbaar. Dit geluk is helaas maar vluchtig, en de terugkeer van het Allegro leidt het stuk naar het onvermijdelijke tragische einde.

De ‘ouverture-fantasie’, zoals Tsjaikovski het werk uiteindelijk karakteriseerde, volgt Shakespeares plot niet in detail, maar haalt er enkele centrale thema’s uit en verwerkt deze in een symfonische vorm. De uitgebreide langzame inleiding, geassocieerd met Father Lawrence (Romeo’s biechtvader), schetst de achtergrond waartegen het drama zich kan voltrekken.

Dat barst pas echt los met het wervelende Allegro – het officiële ‘eerste thema’ – dat de strijd tussen de Montagues en de Capulets weergeeft en de luisteraar op het puntje van de stoel houdt met het karakteristieke ritme en de vele rake klappen van het slagwerk. Daarnaast bevat deze ouverture een van de meeste smachtende liefdesthema’s in het romantische repertoire.

Bij de eerste ontmoeting is het nog tamelijk beheerst, maar bij herhaling neemt de melodie een steeds nadrukkelijkere aanloop, bereiken de violen hun hoogste register en maken de herhaalde noten in de hoorns het verlangen bijna lichamelijk voelbaar. Dit geluk is helaas maar vluchtig, en de terugkeer van het Allegro leidt het stuk naar het onvermijdelijke tragische einde.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Suite uit ‘Het zwanenmeer’

Het zwanenmeer is gecomponeerd tussen 1875 en 1877 in opdracht van het Bolsjoj ­Theater in Moskou. Het was Tsjaikovski’s eerste ballet, geschreven in een periode waarin het absoluut ongebruikelijk was dat een componist met serieuze symfonische ambities zich bezighield met dergelijke dansmuziek, omdat hij zich ondergeschikt zou maken aan de vereisten van de dansers en de balletmeester. Tsjaikovski had aan zijn collega Rimski-Korsakov opgebiecht dat hij ‘al lange tijd eens wilde proberen dit soort muziek te schrijven’, en stortte zich er vol overgave op.

Het ballet was geen groot succes en zou pas wereldwijde roem ­vergaren na Tsjaikovski’s dood, met een nieuwe choreografie van de hand van Marius Petipa en Lev Ivanov voor het Keizerlijke Ballet in Sint-Petersburg (1895). Van de oorspronkelijke productie in Moskou in 1877 is maar weinig bewaard gebleven. Behalve, gelukkig, Tsjaikovski’s muziek.

Het zwanenmeer is gecomponeerd tussen 1875 en 1877 in opdracht van het Bolsjoj ­Theater in Moskou. Het was Tsjaikovski’s eerste ballet, geschreven in een periode waarin het absoluut ongebruikelijk was dat een componist met serieuze symfonische ambities zich bezighield met dergelijke dansmuziek, omdat hij zich ondergeschikt zou maken aan de vereisten van de dansers en de balletmeester. Tsjaikovski had aan zijn collega Rimski-Korsakov opgebiecht dat hij ‘al lange tijd eens wilde proberen dit soort muziek te schrijven’, en stortte zich er vol overgave op.

Het ballet was geen groot succes en zou pas wereldwijde roem ­vergaren na Tsjaikovski’s dood, met een nieuwe choreografie van de hand van Marius Petipa en Lev Ivanov voor het Keizerlijke Ballet in Sint-Petersburg (1895). Van de oorspronkelijke productie in Moskou in 1877 is maar weinig bewaard gebleven. Behalve, gelukkig, Tsjaikovski’s muziek.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

In de botanische tuinen van Tbilisi, 1889

Dirigent Franz Welser-Möst (die dit programma oorspronkelijk zou dirigeren) heeft een selectie van nummers uit het ballet gemaakt, die afwijkt van de bekende Suite uit ‘Het zwanenmeer’ en dichter aansluit bij het verhaal dat in het ballet wordt verteld. We beginnen met de grote wals die klinkt op het verjaardagsfeest van Prins Siegfried in het eerste ­bedrijf – de vele walsen die Tsjaikovski voor dit ballet componeerde, zijn stuk voor stuk memorabel en getuigen van een onvoorstelbare inventiviteit op het gebied van melodie en orkestratie.

De Prins krijgt op zijn verjaardag te horen dat hij de volgende avond op een bal een bruid zal moeten kiezen. Hij voelt hier weinig voor, ontvlucht ’s avonds het hof en gaat op jacht. Zo vindt hij de zwanenprinses Odette, die betoverd is door de kwade tovenaar Von Rothbart, en alleen bevrijd kan worden als iemand haar de ware liefde verklaart.

Er volgt een reeks zwanendansen. De Dans van de kleine zwaantjes, een aandoenlijke dans van vier ballerina’s die hand in hand bescherming bij elkaar zoeken, vormt een prachtig contrast met de adembenemende dans van de Prins en Odette die daarop volgt, waarin de verstrengeling van de twee geliefden muzikaal wordt vertolkt door een soloviool (vanavond concertmeester Liviu Prunaru) en solocello (Gregor Horsch), begeleid door de harp (Petra van der Heide), het symbool voor de magische wereld waar de zwanen zich in begeven.

In het derde bedrijf, het bal, wordt de Prins misleid: denkend dat hij Odette voor zich heeft, verklaart hij de liefde aan de verleidelijke en ijdele Odille, Von Rothbarts dochter. Dan volgt de tragische conclusie van het ballet, als de Prins naar het Zwanenmeer terugsnelt om Odette te vinden. Haar lot is al bezegeld.

We horen hier het beroemde thema van de zwanen, eerst in versnelde vorm als Prins Siegfried zich uitput in excuses, en uiteindelijk in overweldigend majeur als de twee geliefden besluiten zich te verdrinken in het meer. Dit betekent tegelijkertijd de ondergang van de kwade tovenaar, en voor de geliefden, net als voor Romeo en Julia, verlossing in de dood.  

Dirigent Franz Welser-Möst (die dit programma oorspronkelijk zou dirigeren) heeft een selectie van nummers uit het ballet gemaakt, die afwijkt van de bekende Suite uit ‘Het zwanenmeer’ en dichter aansluit bij het verhaal dat in het ballet wordt verteld. We beginnen met de grote wals die klinkt op het verjaardagsfeest van Prins Siegfried in het eerste ­bedrijf – de vele walsen die Tsjaikovski voor dit ballet componeerde, zijn stuk voor stuk memorabel en getuigen van een onvoorstelbare inventiviteit op het gebied van melodie en orkestratie.

De Prins krijgt op zijn verjaardag te horen dat hij de volgende avond op een bal een bruid zal moeten kiezen. Hij voelt hier weinig voor, ontvlucht ’s avonds het hof en gaat op jacht. Zo vindt hij de zwanenprinses Odette, die betoverd is door de kwade tovenaar Von Rothbart, en alleen bevrijd kan worden als iemand haar de ware liefde verklaart.

Er volgt een reeks zwanendansen. De Dans van de kleine zwaantjes, een aandoenlijke dans van vier ballerina’s die hand in hand bescherming bij elkaar zoeken, vormt een prachtig contrast met de adembenemende dans van de Prins en Odette die daarop volgt, waarin de verstrengeling van de twee geliefden muzikaal wordt vertolkt door een soloviool (vanavond concertmeester Liviu Prunaru) en solocello (Gregor Horsch), begeleid door de harp (Petra van der Heide), het symbool voor de magische wereld waar de zwanen zich in begeven.

In het derde bedrijf, het bal, wordt de Prins misleid: denkend dat hij Odette voor zich heeft, verklaart hij de liefde aan de verleidelijke en ijdele Odille, Von Rothbarts dochter. Dan volgt de tragische conclusie van het ballet, als de Prins naar het Zwanenmeer terugsnelt om Odette te vinden. Haar lot is al bezegeld.

We horen hier het beroemde thema van de zwanen, eerst in versnelde vorm als Prins Siegfried zich uitput in excuses, en uiteindelijk in overweldigend majeur als de twee geliefden besluiten zich te verdrinken in het meer. Dit betekent tegelijkertijd de ondergang van de kwade tovenaar, en voor de geliefden, net als voor Romeo en Julia, verlossing in de dood.  

Biografie

Elim Chan, dirigent

Elim Chan is met ingang van dit seizoen chef-dirigent van het Antwerp Symphony Orchestra. Sinds 2018 is zij daarnaast vaste gastdirigent van het Royal Scottish National Orchestra. Elim Chan werd geboren in Hongkong en studeerde in de Verenigde Staten aan het Smith College (in Massachusetts) en aan de University of Michigan. In 2014 werd zij de eerste vrouwelijke winnaar ooit van de Donatella Flick Conducting Competition, waarna ze assistent-dirigent werd bij het London Symphony Orchestra.

In het seizoen 2016/2017 was ze Dudamel Fellow bij het Los Angeles Philharmonic Orchestra. In de afgelopen paar jaar dirigeerde Elim Chan onder meer de symfonieorkesten van Detroit en Chicago, het London Symphony Orchestra, het hr-sinfonieorchester Frankfurt, het orkest van het Mariinski-theater, de Hong Kong Philharmonic, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Orchestre National de Lyon. Bij het Concertgebouworkest debuteerde ze met het Koningsnachtconcert op 26 april 2018.

Simone Lamsma, viool

Simone Lamsma begon op vijfjarige leeftijd met vioolspelen en verhuisde op haar elfde naar Engeland om aan de Yehudi Menuhin School te studeren bij Hu Kun. Ze vervolgde haar opleiding aan de Royal Academy of Music in Londen bij Hu Kun en Maurice Hasson.

Op veertienjarige leeftijd maakte ze haar professionele solodebuut bij het Noord Nederlands Orkest met het Eerste vioolconcert van Paganini. Inmiddels bestaat haar repertoire uit meer dan zestig vioolconcerten, waaronder een aantal hedendaagse werken, zoals het speciaal voor haar geschreven vioolconcert And the centuries surround me with fire... van Matijs de Roo.

 

De Nederlandse violiste soleerde bij orkesten over de hele wereld, zoals het Chicago Symphony Orchestra, The Cleveland Orchestra, het Radio Filharmonisch Orkest, het Symfonieorkest van São Paulo en het Hong Kong Philharmonic Orchestra. Simone Lamsma werkte veelvuldig samen met Jaap van Zweden, en daarnaast met onder anderen Vladimir Jurowski, Neville Marriner, Yannick Nézet-Séguin en Jukka-Pekka Saraste. Als toegewijd kamermusicus stond zij onder meer in Wigmore Hall in Londen en Carnegie Hall in New York.

Op 12 januari 2012 maakte Simone Lamsma haar debuut bij het Concertgebouw­orkest als soliste in Waltons Vioolconcert onder leiding van Cornelius Meister. ­Tijdens de Opening Night van het orkest op 13 september jongstleden viel ze in voor Janine Jansen en soleerde in Tsjaikov­ski’s Vioolconcert onder leiding van Elim Chan.