Doric String Quartet met Janáček en Mendelssohn
Kleine Zaal 04 maart 2026 20.15 uur
Doric String Quartet:
Maia Cabeza viool
Ying Xue viool
Emma Wernig altviool
John Myerscough cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten op Woensdag.
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Strijkkwartet nr. 1 in Es gr.t., op. 12 (1829)
Adagio non troppo – Allegro non tardante
Canzonetta: Allegretto
Andante espressivo
Molto allegro e vivace
Leoš Janáček (1854-1928)
Strijkkwartet nr. 1 (1923)
‘Kreutzer’
Adagio – Con moto
Con moto
Con moto – Vivace – Andante
Con moto – Adagio
pauze ± 21.00 uur
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Contrapunctus I
Contrapunctus IV
Contrapunctus VI
Contrapunctus IX
uit ‘Die Kunst der Fuge’, BWV 1080 (1745-50)
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet in f kl.t., op. 20 nr. 5, Hob. III: 35 (1772)
Allegretto moderato
Menuetto – Trio
Adagio
Finale: Fuga a due soggetti
einde ± 22.10 uur
Doric String Quartet:
Maia Cabeza viool
Ying Xue viool
Emma Wernig altviool
John Myerscough cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten op Woensdag.
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Strijkkwartet nr. 1 in Es gr.t., op. 12 (1829)
Adagio non troppo – Allegro non tardante
Canzonetta: Allegretto
Andante espressivo
Molto allegro e vivace
Leoš Janáček (1854-1928)
Strijkkwartet nr. 1 (1923)
‘Kreutzer’
Adagio – Con moto
Con moto
Con moto – Vivace – Andante
Con moto – Adagio
pauze ± 21.00 uur
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Contrapunctus I
Contrapunctus IV
Contrapunctus VI
Contrapunctus IX
uit ‘Die Kunst der Fuge’, BWV 1080 (1745-50)
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet in f kl.t., op. 20 nr. 5, Hob. III: 35 (1772)
Allegretto moderato
Menuetto – Trio
Adagio
Finale: Fuga a due soggetti
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Eerste strijkkwartet
Felix Mendelssohn is een van de grote componisten die de veertig niet bereikt hebben. Omdat hij, net als Wolfgang Amadeus Mozart (die op 35-jarige leeftijd overleed), een heel vroege start had gemaakt, heeft hij toch een groot oeuvre nagelaten. Ten tijde van zijn Eerste strijkkwartet in Es groot, in 1829, was Mendelssohn twintig jaar oud en had hij al een dozijn strijkerssymfonieën, een symfonie, een opera en pianokwartetten en liederen gecomponeerd. Ook had hij zijn eerste, zeer succesvolle, concertreis naar Londen gemaakt.
Het strijkkwartet is een volwassen werk. Waar Joseph Haydn de structuur van het strijkkwartet had neergezet, zocht Mendelssohn naar de grenzen van de expressie. Zo staat elk deel in een andere toonsoort, wat ongebruikelijk was. Het kwartet begint met een langzame introductie om een warme stemming te creëren, gevolgd door een levendig Allegro. Het tweede deel is een speels scherzo. Het langzame deel is heel expressief en emotioneel. Na dit rustmoment komen we terecht in een mendelssohniaans levendige en turbulente finale. In dit Molto allegro e vivace citeert Mendelssohn uit het eerste deel, waardoor een gevoel van eenheid wordt gecreëerd. Het strijkkwartet bevat een verborgen liefdesgroet in de opdracht ‘An B.P.’. Helaas kreeg Betty Pistor, een meisje dat de componist kende van de Berliner Singakademie, dit pas dertig jaar later te horen.
Felix Mendelssohn is een van de grote componisten die de veertig niet bereikt hebben. Omdat hij, net als Wolfgang Amadeus Mozart (die op 35-jarige leeftijd overleed), een heel vroege start had gemaakt, heeft hij toch een groot oeuvre nagelaten. Ten tijde van zijn Eerste strijkkwartet in Es groot, in 1829, was Mendelssohn twintig jaar oud en had hij al een dozijn strijkerssymfonieën, een symfonie, een opera en pianokwartetten en liederen gecomponeerd. Ook had hij zijn eerste, zeer succesvolle, concertreis naar Londen gemaakt.
Het strijkkwartet is een volwassen werk. Waar Joseph Haydn de structuur van het strijkkwartet had neergezet, zocht Mendelssohn naar de grenzen van de expressie. Zo staat elk deel in een andere toonsoort, wat ongebruikelijk was. Het kwartet begint met een langzame introductie om een warme stemming te creëren, gevolgd door een levendig Allegro. Het tweede deel is een speels scherzo. Het langzame deel is heel expressief en emotioneel. Na dit rustmoment komen we terecht in een mendelssohniaans levendige en turbulente finale. In dit Molto allegro e vivace citeert Mendelssohn uit het eerste deel, waardoor een gevoel van eenheid wordt gecreëerd. Het strijkkwartet bevat een verborgen liefdesgroet in de opdracht ‘An B.P.’. Helaas kreeg Betty Pistor, een meisje dat de componist kende van de Berliner Singakademie, dit pas dertig jaar later te horen.
Leoš Janáček (1854-1928)
Eerste strijkkwartet
Leoš Janáček was heel wat ouder ten tijde van zijn eerste strijkkwartet: zijn ‘Kreutzer’-kwartet componeerde hij aan het eind van 1923, hij was toen bijna zeventig. Het kwartet is losjes gebaseerd op Tolstojs novelle De Kreutzersonate, die gaat over een treinreis waarin een man vertelt dat hij zijn vrouw heeft vermoord na haar vermeende vreemdgaan. Naast dit Russische meesterwerkje was zijn eigen gecompliceerde liefdesleven inspiratiebron voor dit kwartet. Janáček, die zelf in een ongelukkig huwelijk zat, werd in 1915 verliefd op de gelukkig getrouwde, bijna veertig jaar jongere, Kamila Stösslová.
Leoš Janáček was heel wat ouder ten tijde van zijn eerste strijkkwartet: zijn ‘Kreutzer’-kwartet componeerde hij aan het eind van 1923, hij was toen bijna zeventig. Het kwartet is losjes gebaseerd op Tolstojs novelle De Kreutzersonate, die gaat over een treinreis waarin een man vertelt dat hij zijn vrouw heeft vermoord na haar vermeende vreemdgaan. Naast dit Russische meesterwerkje was zijn eigen gecompliceerde liefdesleven inspiratiebron voor dit kwartet. Janáček, die zelf in een ongelukkig huwelijk zat, werd in 1915 verliefd op de gelukkig getrouwde, bijna veertig jaar jongere, Kamila Stösslová.
Af en toe beantwoordde ze zijn (meer dan zevenhonderd!) liefdesbrieven. Hij schreef aan Kamila: ‘Jij bent in mijn composities, overal waar er pure emotie, oprechtheid, waarheid en brandende liefde is.’
Over zijn Eerste strijkkwartet schreef Janáček: ‘Ik had in mijn hoofd de meelijwekkende vrouw die slecht behandeld wordt, geslagen en vermoord.’ Het openingsdeel bestaat uit twee motieven die steeds terugkeren. De fragmentarische motieven wekken een nerveuze indruk. Het tweede deel begint met een versnelde versie van het dalende motief en leidt naar een ijzig bij de kam gespeeld tremolo. De vreemde mix van ritme en melodie geeft een gevoel van een verstoorde realiteit. In het derde deel horen we naast de verontrustende muziek een echo van Ludwig van Beethovens Kreutzersonate (uit 1803, voor viool en piano). Het vierde deel ontleent zijn materiaal aan de voorgaande delen. Het ritmische ostinatomotief van het eerste deel komt terug en Janáčeks kwartet eindigt met een gevoel van berusting en emotionele uitputting.
Af en toe beantwoordde ze zijn (meer dan zevenhonderd!) liefdesbrieven. Hij schreef aan Kamila: ‘Jij bent in mijn composities, overal waar er pure emotie, oprechtheid, waarheid en brandende liefde is.’
Over zijn Eerste strijkkwartet schreef Janáček: ‘Ik had in mijn hoofd de meelijwekkende vrouw die slecht behandeld wordt, geslagen en vermoord.’ Het openingsdeel bestaat uit twee motieven die steeds terugkeren. De fragmentarische motieven wekken een nerveuze indruk. Het tweede deel begint met een versnelde versie van het dalende motief en leidt naar een ijzig bij de kam gespeeld tremolo. De vreemde mix van ritme en melodie geeft een gevoel van een verstoorde realiteit. In het derde deel horen we naast de verontrustende muziek een echo van Ludwig van Beethovens Kreutzersonate (uit 1803, voor viool en piano). Het vierde deel ontleent zijn materiaal aan de voorgaande delen. Het ritmische ostinatomotief van het eerste deel komt terug en Janáčeks kwartet eindigt met een gevoel van berusting en emotionele uitputting.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Die Kunst der Fuge
De fuga was dé muziekvorm waarin componisten in de zeventiende en achttiende eeuw hun vakmanschap lieten zien, en Johann Sebastian Bach was zijn leven lang gefascineerd door deze compositievorm. Aan het eind van zijn carrière werd de fuga als ouderwets beschouwd, maar Bach trok zich niets aan van mode. Die Kunst der Fuge, een collectie van vijftien fuga’s en vier canons, is dan ook de apotheose van deze vorm en wordt gezien als Bachs muzikale testament. Bach werkte met tussenpozen de laatste veertien jaar van zijn leven aan deze cyclus. Aan het steeds minder leesbare handschrift is duidelijk te zien dat zijn ogen achteruit gingen.
Bach noemde de fuga’s ‘contrapunctus’, afgeleid van het Latijnse punctus contra punctum; noot tegen noot. De fuga’s zijn composities voor twee of meer stemmen, waarbij één stem begint en dezelfde melodie geïmiteerd en ontwikkeld wordt door de andere stemmen. Ze zijn allemaal gebaseerd op hetzelfde thema maar zeer uiteenlopend wat complexiteit betreft. Naast eenvoudig contrapunt horen we ook vergroot, verkleind, verdraaid en omgekeerd contrapunt. Omdat Bach dit werk waarschijnlijk als oefenmateriaal beschouwde, is de bezetting niet voorgeschreven. Het werd pas in 1927 voor het eerst uitgevoerd en sindsdien is het in de concertzalen te horen in bezettingen variërend van strijkkwartet tot de Swingle Singers.
De fuga was dé muziekvorm waarin componisten in de zeventiende en achttiende eeuw hun vakmanschap lieten zien, en Johann Sebastian Bach was zijn leven lang gefascineerd door deze compositievorm. Aan het eind van zijn carrière werd de fuga als ouderwets beschouwd, maar Bach trok zich niets aan van mode. Die Kunst der Fuge, een collectie van vijftien fuga’s en vier canons, is dan ook de apotheose van deze vorm en wordt gezien als Bachs muzikale testament. Bach werkte met tussenpozen de laatste veertien jaar van zijn leven aan deze cyclus. Aan het steeds minder leesbare handschrift is duidelijk te zien dat zijn ogen achteruit gingen.
Bach noemde de fuga’s ‘contrapunctus’, afgeleid van het Latijnse punctus contra punctum; noot tegen noot. De fuga’s zijn composities voor twee of meer stemmen, waarbij één stem begint en dezelfde melodie geïmiteerd en ontwikkeld wordt door de andere stemmen. Ze zijn allemaal gebaseerd op hetzelfde thema maar zeer uiteenlopend wat complexiteit betreft. Naast eenvoudig contrapunt horen we ook vergroot, verkleind, verdraaid en omgekeerd contrapunt. Omdat Bach dit werk waarschijnlijk als oefenmateriaal beschouwde, is de bezetting niet voorgeschreven. Het werd pas in 1927 voor het eerst uitgevoerd en sindsdien is het in de concertzalen te horen in bezettingen variërend van strijkkwartet tot de Swingle Singers.
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet
Waar Bach de fuga ontwikkelde tot de grootst mogelijke hoogte zorgde Joseph Haydn er zo’n twintig jaar later voor dat het strijkkwartet volledig tot wasdom kwam. Het Strijkkwartet in f klein, opus 20 nr. 5 is een van de achttien strijkkwartetten die hij in een periode van drie jaar componeerde. Deze creatieve uitbarsting kan worden gezien als de belangrijkste periode in de geschiedenis van het genre. De zes kwartetten opus 20 zijn allemaal meesterwerken, de eerste grote mijlpaal voor strijkkwartet. De eerste druk had een afbeelding van de zon op de voorkant, vandaar dat de kwartetten de ‘zonnekwartetten’ genoemd worden.
Een van de grote vernieuwingen van Haydn was dat de cello een volwaardige rol kreeg en niet meer alleen een ‘basje’ speelde. Ook bijzonder is dat drie van de kwartetten, waaronder nummer 5, eindigen met een fuga; de in die tijd gebruikelijke galante en dramatische sonate wordt hier gefuseerd met ‘ouderwets’ bachiaans gestructureerd contrapunt. De donkere stemming van het ongebruikelijke f mineur draagt in nummer 5 bij aan een nog intensere muzikale ervaring.
Waar Bach de fuga ontwikkelde tot de grootst mogelijke hoogte zorgde Joseph Haydn er zo’n twintig jaar later voor dat het strijkkwartet volledig tot wasdom kwam. Het Strijkkwartet in f klein, opus 20 nr. 5 is een van de achttien strijkkwartetten die hij in een periode van drie jaar componeerde. Deze creatieve uitbarsting kan worden gezien als de belangrijkste periode in de geschiedenis van het genre. De zes kwartetten opus 20 zijn allemaal meesterwerken, de eerste grote mijlpaal voor strijkkwartet. De eerste druk had een afbeelding van de zon op de voorkant, vandaar dat de kwartetten de ‘zonnekwartetten’ genoemd worden.
Een van de grote vernieuwingen van Haydn was dat de cello een volwaardige rol kreeg en niet meer alleen een ‘basje’ speelde. Ook bijzonder is dat drie van de kwartetten, waaronder nummer 5, eindigen met een fuga; de in die tijd gebruikelijke galante en dramatische sonate wordt hier gefuseerd met ‘ouderwets’ bachiaans gestructureerd contrapunt. De donkere stemming van het ongebruikelijke f mineur draagt in nummer 5 bij aan een nog intensere muzikale ervaring.
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Eerste strijkkwartet
Felix Mendelssohn is een van de grote componisten die de veertig niet bereikt hebben. Omdat hij, net als Wolfgang Amadeus Mozart (die op 35-jarige leeftijd overleed), een heel vroege start had gemaakt, heeft hij toch een groot oeuvre nagelaten. Ten tijde van zijn Eerste strijkkwartet in Es groot, in 1829, was Mendelssohn twintig jaar oud en had hij al een dozijn strijkerssymfonieën, een symfonie, een opera en pianokwartetten en liederen gecomponeerd. Ook had hij zijn eerste, zeer succesvolle, concertreis naar Londen gemaakt.
Het strijkkwartet is een volwassen werk. Waar Joseph Haydn de structuur van het strijkkwartet had neergezet, zocht Mendelssohn naar de grenzen van de expressie. Zo staat elk deel in een andere toonsoort, wat ongebruikelijk was. Het kwartet begint met een langzame introductie om een warme stemming te creëren, gevolgd door een levendig Allegro. Het tweede deel is een speels scherzo. Het langzame deel is heel expressief en emotioneel. Na dit rustmoment komen we terecht in een mendelssohniaans levendige en turbulente finale. In dit Molto allegro e vivace citeert Mendelssohn uit het eerste deel, waardoor een gevoel van eenheid wordt gecreëerd. Het strijkkwartet bevat een verborgen liefdesgroet in de opdracht ‘An B.P.’. Helaas kreeg Betty Pistor, een meisje dat de componist kende van de Berliner Singakademie, dit pas dertig jaar later te horen.
Felix Mendelssohn is een van de grote componisten die de veertig niet bereikt hebben. Omdat hij, net als Wolfgang Amadeus Mozart (die op 35-jarige leeftijd overleed), een heel vroege start had gemaakt, heeft hij toch een groot oeuvre nagelaten. Ten tijde van zijn Eerste strijkkwartet in Es groot, in 1829, was Mendelssohn twintig jaar oud en had hij al een dozijn strijkerssymfonieën, een symfonie, een opera en pianokwartetten en liederen gecomponeerd. Ook had hij zijn eerste, zeer succesvolle, concertreis naar Londen gemaakt.
Het strijkkwartet is een volwassen werk. Waar Joseph Haydn de structuur van het strijkkwartet had neergezet, zocht Mendelssohn naar de grenzen van de expressie. Zo staat elk deel in een andere toonsoort, wat ongebruikelijk was. Het kwartet begint met een langzame introductie om een warme stemming te creëren, gevolgd door een levendig Allegro. Het tweede deel is een speels scherzo. Het langzame deel is heel expressief en emotioneel. Na dit rustmoment komen we terecht in een mendelssohniaans levendige en turbulente finale. In dit Molto allegro e vivace citeert Mendelssohn uit het eerste deel, waardoor een gevoel van eenheid wordt gecreëerd. Het strijkkwartet bevat een verborgen liefdesgroet in de opdracht ‘An B.P.’. Helaas kreeg Betty Pistor, een meisje dat de componist kende van de Berliner Singakademie, dit pas dertig jaar later te horen.
Leoš Janáček (1854-1928)
Eerste strijkkwartet
Leoš Janáček was heel wat ouder ten tijde van zijn eerste strijkkwartet: zijn ‘Kreutzer’-kwartet componeerde hij aan het eind van 1923, hij was toen bijna zeventig. Het kwartet is losjes gebaseerd op Tolstojs novelle De Kreutzersonate, die gaat over een treinreis waarin een man vertelt dat hij zijn vrouw heeft vermoord na haar vermeende vreemdgaan. Naast dit Russische meesterwerkje was zijn eigen gecompliceerde liefdesleven inspiratiebron voor dit kwartet. Janáček, die zelf in een ongelukkig huwelijk zat, werd in 1915 verliefd op de gelukkig getrouwde, bijna veertig jaar jongere, Kamila Stösslová.
Leoš Janáček was heel wat ouder ten tijde van zijn eerste strijkkwartet: zijn ‘Kreutzer’-kwartet componeerde hij aan het eind van 1923, hij was toen bijna zeventig. Het kwartet is losjes gebaseerd op Tolstojs novelle De Kreutzersonate, die gaat over een treinreis waarin een man vertelt dat hij zijn vrouw heeft vermoord na haar vermeende vreemdgaan. Naast dit Russische meesterwerkje was zijn eigen gecompliceerde liefdesleven inspiratiebron voor dit kwartet. Janáček, die zelf in een ongelukkig huwelijk zat, werd in 1915 verliefd op de gelukkig getrouwde, bijna veertig jaar jongere, Kamila Stösslová.
Af en toe beantwoordde ze zijn (meer dan zevenhonderd!) liefdesbrieven. Hij schreef aan Kamila: ‘Jij bent in mijn composities, overal waar er pure emotie, oprechtheid, waarheid en brandende liefde is.’
Over zijn Eerste strijkkwartet schreef Janáček: ‘Ik had in mijn hoofd de meelijwekkende vrouw die slecht behandeld wordt, geslagen en vermoord.’ Het openingsdeel bestaat uit twee motieven die steeds terugkeren. De fragmentarische motieven wekken een nerveuze indruk. Het tweede deel begint met een versnelde versie van het dalende motief en leidt naar een ijzig bij de kam gespeeld tremolo. De vreemde mix van ritme en melodie geeft een gevoel van een verstoorde realiteit. In het derde deel horen we naast de verontrustende muziek een echo van Ludwig van Beethovens Kreutzersonate (uit 1803, voor viool en piano). Het vierde deel ontleent zijn materiaal aan de voorgaande delen. Het ritmische ostinatomotief van het eerste deel komt terug en Janáčeks kwartet eindigt met een gevoel van berusting en emotionele uitputting.
Af en toe beantwoordde ze zijn (meer dan zevenhonderd!) liefdesbrieven. Hij schreef aan Kamila: ‘Jij bent in mijn composities, overal waar er pure emotie, oprechtheid, waarheid en brandende liefde is.’
Over zijn Eerste strijkkwartet schreef Janáček: ‘Ik had in mijn hoofd de meelijwekkende vrouw die slecht behandeld wordt, geslagen en vermoord.’ Het openingsdeel bestaat uit twee motieven die steeds terugkeren. De fragmentarische motieven wekken een nerveuze indruk. Het tweede deel begint met een versnelde versie van het dalende motief en leidt naar een ijzig bij de kam gespeeld tremolo. De vreemde mix van ritme en melodie geeft een gevoel van een verstoorde realiteit. In het derde deel horen we naast de verontrustende muziek een echo van Ludwig van Beethovens Kreutzersonate (uit 1803, voor viool en piano). Het vierde deel ontleent zijn materiaal aan de voorgaande delen. Het ritmische ostinatomotief van het eerste deel komt terug en Janáčeks kwartet eindigt met een gevoel van berusting en emotionele uitputting.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Die Kunst der Fuge
De fuga was dé muziekvorm waarin componisten in de zeventiende en achttiende eeuw hun vakmanschap lieten zien, en Johann Sebastian Bach was zijn leven lang gefascineerd door deze compositievorm. Aan het eind van zijn carrière werd de fuga als ouderwets beschouwd, maar Bach trok zich niets aan van mode. Die Kunst der Fuge, een collectie van vijftien fuga’s en vier canons, is dan ook de apotheose van deze vorm en wordt gezien als Bachs muzikale testament. Bach werkte met tussenpozen de laatste veertien jaar van zijn leven aan deze cyclus. Aan het steeds minder leesbare handschrift is duidelijk te zien dat zijn ogen achteruit gingen.
Bach noemde de fuga’s ‘contrapunctus’, afgeleid van het Latijnse punctus contra punctum; noot tegen noot. De fuga’s zijn composities voor twee of meer stemmen, waarbij één stem begint en dezelfde melodie geïmiteerd en ontwikkeld wordt door de andere stemmen. Ze zijn allemaal gebaseerd op hetzelfde thema maar zeer uiteenlopend wat complexiteit betreft. Naast eenvoudig contrapunt horen we ook vergroot, verkleind, verdraaid en omgekeerd contrapunt. Omdat Bach dit werk waarschijnlijk als oefenmateriaal beschouwde, is de bezetting niet voorgeschreven. Het werd pas in 1927 voor het eerst uitgevoerd en sindsdien is het in de concertzalen te horen in bezettingen variërend van strijkkwartet tot de Swingle Singers.
De fuga was dé muziekvorm waarin componisten in de zeventiende en achttiende eeuw hun vakmanschap lieten zien, en Johann Sebastian Bach was zijn leven lang gefascineerd door deze compositievorm. Aan het eind van zijn carrière werd de fuga als ouderwets beschouwd, maar Bach trok zich niets aan van mode. Die Kunst der Fuge, een collectie van vijftien fuga’s en vier canons, is dan ook de apotheose van deze vorm en wordt gezien als Bachs muzikale testament. Bach werkte met tussenpozen de laatste veertien jaar van zijn leven aan deze cyclus. Aan het steeds minder leesbare handschrift is duidelijk te zien dat zijn ogen achteruit gingen.
Bach noemde de fuga’s ‘contrapunctus’, afgeleid van het Latijnse punctus contra punctum; noot tegen noot. De fuga’s zijn composities voor twee of meer stemmen, waarbij één stem begint en dezelfde melodie geïmiteerd en ontwikkeld wordt door de andere stemmen. Ze zijn allemaal gebaseerd op hetzelfde thema maar zeer uiteenlopend wat complexiteit betreft. Naast eenvoudig contrapunt horen we ook vergroot, verkleind, verdraaid en omgekeerd contrapunt. Omdat Bach dit werk waarschijnlijk als oefenmateriaal beschouwde, is de bezetting niet voorgeschreven. Het werd pas in 1927 voor het eerst uitgevoerd en sindsdien is het in de concertzalen te horen in bezettingen variërend van strijkkwartet tot de Swingle Singers.
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet
Waar Bach de fuga ontwikkelde tot de grootst mogelijke hoogte zorgde Joseph Haydn er zo’n twintig jaar later voor dat het strijkkwartet volledig tot wasdom kwam. Het Strijkkwartet in f klein, opus 20 nr. 5 is een van de achttien strijkkwartetten die hij in een periode van drie jaar componeerde. Deze creatieve uitbarsting kan worden gezien als de belangrijkste periode in de geschiedenis van het genre. De zes kwartetten opus 20 zijn allemaal meesterwerken, de eerste grote mijlpaal voor strijkkwartet. De eerste druk had een afbeelding van de zon op de voorkant, vandaar dat de kwartetten de ‘zonnekwartetten’ genoemd worden.
Een van de grote vernieuwingen van Haydn was dat de cello een volwaardige rol kreeg en niet meer alleen een ‘basje’ speelde. Ook bijzonder is dat drie van de kwartetten, waaronder nummer 5, eindigen met een fuga; de in die tijd gebruikelijke galante en dramatische sonate wordt hier gefuseerd met ‘ouderwets’ bachiaans gestructureerd contrapunt. De donkere stemming van het ongebruikelijke f mineur draagt in nummer 5 bij aan een nog intensere muzikale ervaring.
Waar Bach de fuga ontwikkelde tot de grootst mogelijke hoogte zorgde Joseph Haydn er zo’n twintig jaar later voor dat het strijkkwartet volledig tot wasdom kwam. Het Strijkkwartet in f klein, opus 20 nr. 5 is een van de achttien strijkkwartetten die hij in een periode van drie jaar componeerde. Deze creatieve uitbarsting kan worden gezien als de belangrijkste periode in de geschiedenis van het genre. De zes kwartetten opus 20 zijn allemaal meesterwerken, de eerste grote mijlpaal voor strijkkwartet. De eerste druk had een afbeelding van de zon op de voorkant, vandaar dat de kwartetten de ‘zonnekwartetten’ genoemd worden.
Een van de grote vernieuwingen van Haydn was dat de cello een volwaardige rol kreeg en niet meer alleen een ‘basje’ speelde. Ook bijzonder is dat drie van de kwartetten, waaronder nummer 5, eindigen met een fuga; de in die tijd gebruikelijke galante en dramatische sonate wordt hier gefuseerd met ‘ouderwets’ bachiaans gestructureerd contrapunt. De donkere stemming van het ongebruikelijke f mineur draagt in nummer 5 bij aan een nog intensere muzikale ervaring.
Biografie
Doric Kwartet, kwartet
Het Doric String Quartet geldt als een van de toonaangevende Britse strijkkwartetten van zijn generatie. Sinds de oprichting in 1998 treedt het wereldwijd op en ontving het internationale prijzen in Japan, Italië en Duitsland.
Na uitvoeringen van cycli van Haydn, Mendelssohn, Britten en Bartók in beroemde concertzalen als het Wiener Konzerthaus, Wigmore Hall in Londen en de Elbphilharmonie in Hamburg richt het kwartet zich nu op de strijkkwartetten van Beethoven.
De musici hebben inmiddels twee Beethoven-albums uitgebracht en hopen de integrale opnames in 2027 te voltooien. Het Doric String Quartet speelt regelmatig modern repertoire van componisten als Thomas Adès, Andrea Tarrodi, Peter Maxwell Davies en Brett Dean, en werkt samen met musici als Elisabeth Leonskaja, Alina Ibragimova, Liza Ferschtman, Alexander Melnikov, Benjamin Grosvenor, Tabea Zimmermann en Timothy Ridout.
Hoogtepunten in het huidige seizoen zijn tournees door Azië en de Verenigde Staten met strijkkwartetten van onder anderen Haydn, Beethoven en Mendelssohn. Zelf gecoacht door ensembles als het Hagen, Alban Berg, Artemis en LaSalle Quartet zetten de leden van het Doric String Quartet zich graag in voor jonge musici. Sinds 2015 geven ze les aan de Royal Academy of Music in Londen, en sinds 2018 zijn ze artistiek directeur van het Mendelssohn on Mull Festival. Bij het vorige optreden in de Kleine Zaal, in de zomerprogrammering van 2017, stonden werken van Britten, Mozart en Schubert op de lessenaars.