Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl

Wat is dodecafonie?

dodecafonie

Dodecafonie, of twaalftoonstechniek, is een twintigste-eeuwse compositietechniek gebaseerd op een vooraf bepaalde reeks van alle twaalf tonen uit de westerse muziek.

Wat is dodecafonie?

Dodecafonie – van het Griekse ‘dodeka’ (twaalf) -  is een compositietechniek waarin van alle twaalf verschillende tonen uit de westerse muziektraditie één basisreeks wordt gemaakt. Die reeks dient vervolgens als uitgangspunt voor de compositie.  

De techniek werd tussen 1917 en 1923 ontwikkeld door de vooruitstrevende Oostenrijkse componist Arnold Schönberg. Hij wilde atonale muziek een systeem geven dat zich kon meten met het tonale systeem. (zie tonaal)

Waarom bedacht Schönberg de dodecafonie?

Arnold Schönberg en zijn tijdgenoten wilden afrekenen met de aloude westerse compositieregels: de tonaliteit paste volgens hen niet bij de tijdgeest. Ze componeerden daarom 'atonale muziek', waarin de systemen van tonale muziek, zoals harmonieleer, bewust werden vermeden.

Deze 'vrije atonaliteit' miste een systeem (zoals de regels en functies van de tonaliteit); atonale muziek had daardoor geen eenheid. Schönberg vond dat het ontwikkelen van een atonaal systeem noodzakelijk was om volledig te kunnen breken met de tonale muziek. Hij deed dat door alle twaalf tonen van de chromatische toonladder dezelfde waarde toe te kennen. Schönberg noemde zijn methode 'componeren met twaalf alleen op elkaar betrokken tonen': de tonen verhielden zich niet meer tot een allesbepalende grondtoon.

In 1921 noemde Schönberg de dodecafonie een ontdekking die de 'superioriteit van de Duitse muziek' de komende honderd jaar zou waarborgen. Over die superioriteit valt te twisten, maar de dodecafonie werd na de Tweede Wereldoorlog het grote voorbeeld van serialisten, die de techniek niet alleen op toonhoogte toepasten, maar ook op bijvoorbeeld toonduur, klankkleur en dynamiek.

Mitusko Uchida speelt 'Rasch aber Leicht' uit Schönbergs 'dodecafonische' Sechs Kleine Klavierstücke, op. 19. 

Hoe werkt dodecafonie precies?

Aan de basis van elk dodecafonisch stuk staat een reeks van twaalf verschillende tonen, heel toepasselijk de twaalftoonreeks genoemd. Dit is de ‘primaire’ reeks. Maar door toepassing van procédés die al in de Renaissance en de Barok werden toegepast kunnen ook variaties hierop worden gebruikt: kreeft (retrograde), omkering (inversie), en de omkering van de kreeft (retrograde inversie).

Bij kreeftgang wordt de reeks van achter naar voor gespeeld. Bij omkering worden de intervallen tussen de noten van de reeks verticaal gespiegeld: een kwint omhoog wordt bijvoorbeeld een kwint omlaag. Retrograde inversie is een combinatie van beide technieken. Je kunt al deze variaties ook transponeren (op een andere toonhoogte plaatsen). 

Zo ontleed je een dodecafonie:

De basisreeks van een dodecafonie, op de oorspronkelijke toonhoogte, wordt P genoemd. Een retrograde wordt aangeduid met R, en een inversie met I. Een retrograde inversie wordt aangeduid met RI. Als deze variaties starten op een andere toonhoogte dan de begintoonhoogte, krijgen ze een cijfer (1 tot en met 11).

de basisreeks van rasch, aber leicht

De eerste maten van Schönbergs 'Rasch, aber leicht', het luistervoorbeeld bovenaan deze pagina.

P0 is de basisreeks op de begintoonhoogte, bijvoorbeeld ‘C'. P1 is de primaire reeks, maar de begintoon ligt een halve toon hoger (‘C#’). R6 is een retrograde van de reeks, maar de begintoon ligt 6 halve tonen hoger (‘F#’). Zo kun je dus aan veel verschillende reeksen komen met één basisreeks. Als de componist in zijn werk met een reeks begint, moet deze reeks vóór de compositie klaar is helemaal uitgespeeld worden. Natuurlijk zijn er strenge en minder strenge vormen van twaalftoonsmuziek.