Dit zijn de luistertips van Léo Genet
door de redactie 23 feb. 2026 23 februari 2026
De musici van het Concertgebouworkest spelen de mooiste muziek. Maar wat zijn hun eigen favorieten? Contrabassist Léo Genet deelt zijn luistertips.
1.
Jacques Boyvin – Ton 8: V. Récit grave uit ‘Livre d’orgue II’ (van Emmanuel Arakélian en Salomé Gasselin: Recit)
Salomé Gasselin is een geweldige gambaspeler. Récit, haar eerste cd, is niet aan één of meerdere componisten in het bijzonder gewijd, maar verkent de diepe band tussen het orgel en de gamba, waarbij een gemeenschappelijke taal voor beide instrumenten wordt gesuggereerd door de nadruk op de menselijke stem. Dit Récit Grave zet de lagere registers met grote tederheid in de schijnwerper.
2.
Johann Sebastian Bach: Toccata en fuga in d kl.t., BWV 538, ‘Dorian’ (van Marie-Claire Alain: Organ Masterpieces Volume 1)
De Franse Marie-Claire Alain (1926-2013) behoort tot de grootste organisten van haar generatie. Haar eerste opnamen van de complete orgelwerken van Bach, opgenomen in 1959-1968 en later heruitgebracht op 15 cd’s, leverde haar een Edison op en ze was een tijdlang docent aan de Haarlem Summer Organ Academy. De Toccata en Fuga in d klein BWV 538 is minder bekend dan zijn beroemde zusje, BWV 565 en om haar daarvan te onderscheiden wordt ze de ‘Dorische’ genoemd, omdat er geen Bes achter de sleutel staat zoals in de Dorische kerktoonsoort. De meest bijzondere passage begint op 4'42": het laatste dalende arpeggio van het pedaal tot aan de monumentale lage D, die meer dan twintig seconden wordt aangehouden onder de veranderende harmonieën tot aan de laatste akkoorden.
3.
Renaud Garcia-Fons: Marcevol (track 4 van Solo - The Marcevol Concert)
Renaud Garcia-Fons is echt een unieke en enorm virtuoze contrabassist. Dit album is opgenomen in de kerk van het Zuid-Franse Marcevol. Het is bijzonder omdat het volledig solo is uitgevoerd, met behulp van loops en effectpedalen die een verscheidenheid aan klanken laten horen die uitsluitend afkomstig zijn van de contrabas. Percussie, boventonen, harmonisaties, pizzicato’s… een steeds evoluerende orkestratie die het solo-improvisatiespel in al zijn breedte en verscheidenheid tot uiting laat komen. De inspiratie voor de thema's schommelt tussen Oost en West, maar ook tussen oude en hedendaagse muziek – middeleeuws, Barok, oosters, Afrikaans, Latijns-Amerikaans, rock, blues en flamenco.
4.
Flook: Wrong foot forward (track 6 van Haven)
Flook is een Anglo-Ierse folkband die instrumentale muziek speelt, waarvan een groot deel zelfgeschreven. Hun muziek wordt gekenmerkt door extreem snelle, soms percussieve fluit- en whistlepartijen bovenop complexe gitaar- en bodhránritmes. Superintuïtief spel. Absoluut adembenemend.
5.
Giuseppe Verdi: Libera me, domine uit ‘Messa di requiem’ (Claudio Abbado leidt de Berliner Philharmoniker, het Zweeds Radiokoor en solisten)
Verdi’s Requiem, de perfectie. Verder niets meer te zeggen behalve dat de contrabassen een ultralage B spelen die vooral heel aangenaam is rond 5’02”.
6.
Chris Thile & Edgar Meyer: Why only one? (van Bass & Mandolin)
Chris Thile, die wordt beschouwd als 's werelds grootste mandolinespeler, legt zich toe op zowel traditionele Amerikaanse folk-, country- en bluegrassmuziek als Bachs partita's en triosonates. Edgar Meyer is een hooggewaardeerde bassist in de klassieke muziekwereld, maar ook een vurige en diepgewortelde bluegrass- en countrymuzikant. Het duo speelde dit openingsnummer van hun album Bass & Mandolin in de bergen rond Telluride, Colorado. Meyers schijnbaar moeiteloze techniek en fantastische toon vormen een perfecte aanvulling op Thiles percussieve en provocerende lijnen, waardoor dit nummer een absoluut genot is om naar te luisteren.
7.
Gustav Mahler: Symfonie nr. 2 (Mariss Jansons leidt het Koninklijk Concertgebouworkest, het Groot Omroepkoor en solisten, RCO Live)
De allereerste opname van het Koninklijk Concertgebouworkest die ik hoorde, toen ik op achttienjarige leeftijd fragmenten van blad las (en er verliefd op werd). Gewoonweg buitengewoon.
1.
Jacques Boyvin – Ton 8: V. Récit grave uit ‘Livre d’orgue II’ (van Emmanuel Arakélian en Salomé Gasselin: Recit)
Salomé Gasselin is een geweldige gambaspeler. Récit, haar eerste cd, is niet aan één of meerdere componisten in het bijzonder gewijd, maar verkent de diepe band tussen het orgel en de gamba, waarbij een gemeenschappelijke taal voor beide instrumenten wordt gesuggereerd door de nadruk op de menselijke stem. Dit Récit Grave zet de lagere registers met grote tederheid in de schijnwerper.
2.
Johann Sebastian Bach: Toccata en fuga in d kl.t., BWV 538, ‘Dorian’ (van Marie-Claire Alain: Organ Masterpieces Volume 1)
De Franse Marie-Claire Alain (1926-2013) behoort tot de grootste organisten van haar generatie. Haar eerste opnamen van de complete orgelwerken van Bach, opgenomen in 1959-1968 en later heruitgebracht op 15 cd’s, leverde haar een Edison op en ze was een tijdlang docent aan de Haarlem Summer Organ Academy. De Toccata en Fuga in d klein BWV 538 is minder bekend dan zijn beroemde zusje, BWV 565 en om haar daarvan te onderscheiden wordt ze de ‘Dorische’ genoemd, omdat er geen Bes achter de sleutel staat zoals in de Dorische kerktoonsoort. De meest bijzondere passage begint op 4'42": het laatste dalende arpeggio van het pedaal tot aan de monumentale lage D, die meer dan twintig seconden wordt aangehouden onder de veranderende harmonieën tot aan de laatste akkoorden.
3.
Renaud Garcia-Fons: Marcevol (track 4 van Solo - The Marcevol Concert)
Renaud Garcia-Fons is echt een unieke en enorm virtuoze contrabassist. Dit album is opgenomen in de kerk van het Zuid-Franse Marcevol. Het is bijzonder omdat het volledig solo is uitgevoerd, met behulp van loops en effectpedalen die een verscheidenheid aan klanken laten horen die uitsluitend afkomstig zijn van de contrabas. Percussie, boventonen, harmonisaties, pizzicato’s… een steeds evoluerende orkestratie die het solo-improvisatiespel in al zijn breedte en verscheidenheid tot uiting laat komen. De inspiratie voor de thema's schommelt tussen Oost en West, maar ook tussen oude en hedendaagse muziek – middeleeuws, Barok, oosters, Afrikaans, Latijns-Amerikaans, rock, blues en flamenco.
4.
Flook: Wrong foot forward (track 6 van Haven)
Flook is een Anglo-Ierse folkband die instrumentale muziek speelt, waarvan een groot deel zelfgeschreven. Hun muziek wordt gekenmerkt door extreem snelle, soms percussieve fluit- en whistlepartijen bovenop complexe gitaar- en bodhránritmes. Superintuïtief spel. Absoluut adembenemend.
5.
Giuseppe Verdi: Libera me, domine uit ‘Messa di requiem’ (Claudio Abbado leidt de Berliner Philharmoniker, het Zweeds Radiokoor en solisten)
Verdi’s Requiem, de perfectie. Verder niets meer te zeggen behalve dat de contrabassen een ultralage B spelen die vooral heel aangenaam is rond 5’02”.
6.
Chris Thile & Edgar Meyer: Why only one? (van Bass & Mandolin)
Chris Thile, die wordt beschouwd als 's werelds grootste mandolinespeler, legt zich toe op zowel traditionele Amerikaanse folk-, country- en bluegrassmuziek als Bachs partita's en triosonates. Edgar Meyer is een hooggewaardeerde bassist in de klassieke muziekwereld, maar ook een vurige en diepgewortelde bluegrass- en countrymuzikant. Het duo speelde dit openingsnummer van hun album Bass & Mandolin in de bergen rond Telluride, Colorado. Meyers schijnbaar moeiteloze techniek en fantastische toon vormen een perfecte aanvulling op Thiles percussieve en provocerende lijnen, waardoor dit nummer een absoluut genot is om naar te luisteren.
7.
Gustav Mahler: Symfonie nr. 2 (Mariss Jansons leidt het Koninklijk Concertgebouworkest, het Groot Omroepkoor en solisten, RCO Live)
De allereerste opname van het Koninklijk Concertgebouworkest die ik hoorde, toen ik op achttienjarige leeftijd fragmenten van blad las (en er verliefd op werd). Gewoonweg buitengewoon.