Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
uit de archieven

De hetze tegen Karl Muck

door Nico Steffen
24 sep. 2020 24 september 2020

Karl Muck was van 1920 tot 1925 vaste gastdirigent van het Concertgebouworkest naast chef-dirigent Willem Mengelberg. Daar gingen een onverkwikkelijke affaire in de Verenigde Staten en roemloze deportatie naar Duitsland aan vooraf.

Karl Muck

in 1929; tekening van Ruth von Scholley

Karl Muck

in 1929; tekening van Ruth von Scholley

Karl Muck

in 1929; tekening van Ruth von Scholley

Karl Muck

in 1929; tekening van Ruth von Scholley

Toen Willem Mengelberg na een dertienjarige verbintenis met het orkest van de Frankfurter Museum-Gesellschaft zijn werkterrein met ingang van het seizoen 1920/21 deels naar de Verenigde Staten verlegde, moest het Concertgebouworkest voor de tweede helft van het seizoen een vervanger zoeken. Dat werd Karl Muck, geboren in Darmstadt op 22 oktober 1859.

Muck had in oktober 1920 al twee concerten met het Concertgebouworkest gegeven, die kennelijk zo goed bevallen waren, dat hij tot vaste gastdirigent naast Mengelberg (chef-dirigent van 1895 tot 1945) werd benoemd. Zijn voorliefde ging uit naar de Duitse Klassieken en Romantiek, met name Wagner en Bruckner, wiens Zevende symfonie hij in aanwezigheid van de componist had uitgevoerd.

Anti-Duitse sentimenten

Muck had een geweldige carrière gemaakt. Zijn belangrijkste functies waren Generalmusikdirektor van de Koninklijke Opera te Berlijn (1892-1912) en dirigent van het in 1881 opgerichte Boston Symphony Orchestra (1906-08 en 1912-18). Laatstgenoemd orkest heeft de eerste dertig jaar uitsluitend Duitse dirigenten gehad; ook veel orkestleden waren van Duitse afkomst.

Hoewel zij behoorlijk geassimileerd waren, sloten deze geëmigreerde Duitsers zich aan bij verenigingen en socië­teiten met als doel hun eigen cultuur en leefgewoonten te behouden. Naarmate de Eerste Wereldoorlog vorderde, namen anti-­Duitse sentimenten in de Verenigde Staten gigantische vormen aan, met als voornaamste protagonist de democratische president Woodrow Wilson.

In 1917 verzocht de redacteur van de Providence Journal de leiding van het Boston Symphony Orchestra om vóór het concert in Providence op 30 oktober het Amerikaanse volkslied The Star-Spangled Banner te spelen. De orkestleiding besloot hiervan af te zien, omdat zij dit niet gepast vond voor een symfonisch concert en er bovendien geen repetitietijd meer voor was. Toen bleek dat het volkslied niet gespeeld werd, ontstond er oproer in de pers. Men hield Muck verantwoordelijk. Hij was echter buiten de discussie gehouden, en nam pas een dag later kennis van het tumult.

De anti-Duitse gevoelens gingen zo ver dat Muck, hoewel hij de Zwitserse nationaliteit had, in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog met vele andere Duitse musici werd geïnterneerd in Camp Fort Oglethorpe in Georgia. In 1919 werd hij gedeporteerd. Men had zijn bezittingen verbeurd verklaard en zijn vermogen geconfisqueerd.

Hetze

In 2019 verscheen The Karl Muck Scandal – Classical Music and Xenophobia in World War I America door dr. Melissa D. Burrage, de weerslag van een onderzoek van meer dan tien jaar naar de gang van zaken rond Muck tijdens die periode en de gevolgen daarvan. Burrage beschrijft uitvoerig hoe Muck tijdens de oorlog slachtoffer werd van een hetze tegen hem en zijn orkest.

Muck werd beschuldigd van spionage en als een enemy alien beschouwd

Deze werd voornamelijk geleid door Lucie Jay, bestuurslid van het New York Philharmonic Orchestra, die hierin de pers aan haar zijde vond. Muck had zich al die jaren als een keurig staatsburger gedragen en zich aangepast aan de Amerikaanse gewoonten. Hij werd beschuldigd van spionage en als een enemy alien beschouwd, hoewel hiervoor geen enkel bewijs was. De reden voor Mucks arrestatie, internering en deportatie werd uiteindelijk gevonden in zijn buitenechtelijke relatie met de veel jongere sopraan Rosamund Young.

Ook doet Burrage de subversieve handelwijze van de Amerikaanse justitie omstandig uit de doeken. Hoewel het boek geen biografie beoogt te zijn, vermeldt Burrage dat Muck na zijn deportatie naar zijn geboorteland aanvankelijk als gastdirigent optrad bij onder meer het Concertgebouworkest en in 1922 tot dirigent van het Hamburgs Philharmonisch Orkest werd benoemd. Ook dirigeerde hij vele jaren achtereen Wagners opera Parsifal tijdens de Bayreuther Festspiele.

Na vijf succesvolle jaren nam Muck aan het eind van het seizoen 1924/25 afscheid van het Concertgebouworkest. Het bestuur verleende hem in 1929 de (in 1928 ingestelde) medaille van verdienste in zilver.

Antisemitische houding

Burrage heeft ook Mucks houding tijdens de eerste zeven jaar van het Hitler-regime uitgebreid in kaart gebracht. Muck blijkt een groot bewonderaar van de dictator te zijn geweest, een bewondering die wederzijds was. Hitler had zijn hond zelfs ‘Muck’ genoemd. In 1934 werd in opdracht van Hitler ter gelegenheid van Mucks 75ste verjaardag het plein voor de concertzaal Laeiszhalle in Hamburg omgedoopt tot Karl-Muck-Platz. In 1997 werd in verband met de herdenking van de honderdste sterfdag van Brahms het plein weer omgedoopt, nu tot Johannes-Brahms-Platz.

Hitler had zijn hond zelfs ‘Muck’ genoemd

Tot slot mag niet onvermeld blijven dat Burrage aantoont dat Muck een zeer antisemitische houding tentoonspreidde. Muck zou zelfs verantwoordelijk zijn geweest voor het ontslag van Joodse orkestleden van het orkest van de Bayreuther Festspiele en het Hamburgs Philharmonisch Orkest.

Muck, die na zijn afscheid van Hamburg wegens zijn slechte gezondheid niet meer optrad, overleed op 3 maart 1940 in Stuttgart.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.