Zemlinsky Kwartet speelt Dvořáks Amerikaanse Strijkkwartet

Zemlinsky Kwartet:
František Houček viool
Petr Střížek viool
Petr Holman altviool
Vladimír Fortin cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten op woensdag.

Antonín Dvořák (1841-1904)

Quartettsatz in F gr.t., B 120 (1881)

Cypressen, B 152 (1887)
twaalf korte karakterstukken naar de gelijknamige liedcyclus uit 1865
Moderato
Allegro ma non troppo
Andante con moto
Poco adagio
Andante
Andante moderato
Andante con moto
Lento
Moderato
Andante maestoso
Allegro scherzando
Allegro animato

pauze (± 21.10 uur)

Twaalfde strijkkwartet in F gr.t., op. 96 (1893)
‘Amerikaans’
Allegro ma non troppo
Lento
Molto vivace
Finale: Vivace ma non troppo

einde (± 22.05 uur)

Toelichting

Antonín Dvořák 1841-1904

Dvořák: Quartettsatz en Cypressen

Door Michiel Cleij

Negentiende-eeuwse componisten die wilden doorbreken profileerden zich doorgaans zó nadrukkelijk dat het publiek eenvoudigweg niet om hen heen kon. De hoofdroute liep via het podium: piano- en vioolvirtuozen lagen goed in de markt en konden hun eigen composities direct onder de aandacht brengen. Wat ook hielp was het oprichten van een eigen muziektijdschrift (zoals Robert Schumann deed) of scheldkanonnades en boze brieven afvuren (zoals Hector Berlioz).

Tussen zulke romantische ego’s maakt Antonín Dvořák een opvallend bescheiden indruk. Als ‘provinciaal’ componist uit Bohemen (in het huidige Tsjechië) maakte hij zijn entree via een zijdeur. Hij was de dertig al gepasseerd toen hij deelnam aan een Weens componistenconcours zonder te weten dat tot de jury componist Johannes Brahms en criticus Eduard Hanslick behoorden – twee muzikale autoriteiten die prompt overtuigd waren van Dvořáks talent. Dankzij hen was zijn internationale reputatie enkele jaren later een feit.

Veel van Dvořáks werken hebben een duidelijke Boheemse ­signatuur – mede omdat muziek met een ­folkloristisch-exotisch tintje een verkoopwaarde had die zijn Duitse uitgever maar al te goed inzag. Een ander kenmerk is zijn voorkeur voor strijkinstrumenten.

Zowel in zijn symfonieën als in zijn kamermuziek valt altijd weer de ‘welbespraaktheid’ van de strijkerspartijen op (‘instrumentkennis, tische rijkdom en grote bekwaamheid in meerstemmigheid’ waren de kwaliteiten die een beoordelingscommissie in Praag expliciet noemde). Dvořák onderscheidde zich als kind al met zijn vioolspel; de diverse ensembles en orkestjes waarvan hij spoedig deel uitmaakte (en vaak aanvoerder van werd) vormden het kweekbed van zijn eerste composities.

Geen wonder dus, dat hij verspreid over zijn hele leven strijkkwartetten produceerde. Het is een genre dat voor menig componist de ultieme uitdaging vormt, maar dat Dvořák relatief gemakkelijk afging. Dat hij daarbij wel degelijk strenge zelfkritiek toepaste blijkt uit de Quartettsatz die hij in 1881 componeerde: het had een volledig, vierdelig strijkkwartet voor het Hellmesberger Quartett moeten worden, maar Dvořák zag in het gecomponeerde deel geen vruchtbare basis voor een vervolg.

Er is geopperd dat hij de gekozen (F groot) niet geschikt achtte voor een strijkerscombinatie, maar jaren later zou hij zijn beroemdste strijkkwartet, het ‘Amerikaanse’, eveneens in die toonsoort componeren. Dvořák begon opnieuw, vergastte zijn opdrachtgevers op een kwartet in C groot en liet de Quartettsatz voor wat die was. De eerste uitvoering vond pas in 1945 plaats, ruim veertig jaar na de dood van de componist.

Een ander (en substantiëler) curiosum is Cypressen, een serie korte stukken met een lange ontstaansgeschiedenis. Dvořák componeerde ze op poëzie van de Tsjechische dichter Gustav ­Pfleger-Morávsky (1833-1875) op zijn vierentwintigste als liefdesliederen voor zijn zestienjarige leerlinge Josefa Cermáková.

Die ging niet op zijn avances in, maar Dvořáks baltsgedrag had onverwacht effect op langere termijn. Hij leerde Josefa’s zus Anna kennen, met wie hij uiteindelijk zou trouwen; en de ën (die hij nooit in oorspronkelijke vorm liet uitgeven) gebruikte hij later in zijn carrière in diverse andere composities, meestal als korte citaten – een bewijs van zijn verknochtheid aan een prille, impulsieve compositie.

Daarmee plunderde hij zijn eigen schatkist niet; in 1887 bewerkte hij de eren (op twee na) voor strijkkwartet. Sommige muziek moet jarenlang wachten op de juiste vorm of context; dit is een treffend voorbeeld. De kwartetversie stelt het zonder de oorspronkelijke Tsjechische liedteksten – die waren niet bevorderlijk voor verspreiding in het buitenland – terwijl de melodische kwaliteiten en de expressie nog sterker uit de verf komen.

Biografie

Zemlinsky Kwartet, kwartet

Het Zemlinsky Kwartet werd opgericht in 1994, toen de vier strijkers studeerden aan het conservatorium in Praag. Het ensemble kreeg hier lessen van onder anderen leden van het Talich Kwartet en het Pražák Kwartet. Ook studeerde het viertal bij Walter Levin, voormalig eerste violist van het LaSalle Kwartet.

Het kwartet is vernoemd naar componist en docent Alexander von Zemlinsky (1871-1942). Prijzen van de Wigmore Hall International String Quartet Competition (2006), de Banff International String Quartet Competition (2007) en het Internationaal Strijkkwartetconcours van Bordeaux (2010) onderstrepen het grote talent van het Zemlinsky Kwartet.

Het ensemble treedt veelvuldig op in thuisland Tsjechië en ging op tournee naar vele andere landen. In recente seizoenen speelde het in de bekende zalen van bijvoorbeeld Londen, Parijs en Montréal. Het brede repertoire van het Zemlinsky Kwartet omvat meer dan tweehonderd werken.

In Het Concertgebouw debuteerde het tijdens de Robeco SummerNights 2017 met muziek van Dvořák, Suk en Janáček.