Yefim Bronfman en RCO Chamber Soloists: Schumann

Yefim Bronfman piano

RCO Chamber Soloists:
Vesko Eschkenazy viool
Henk Rubingh viool
Saeko Oguma altviool
Gregor Horsch cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Essentials.

Johannes Brahms (1833-1897)

Derde sonate in d kl.t., op. 108 (1886-88)
voor piano en viool
Allegro
Adagio
Un poco presto e con sentimento
Presto agitato

Joseph Haydn (1732-1809)

Divertimento in Bes gr.t., Hob. V: 8 (ca. 1765)
voor viool, altviool en cello
Adagio con variazioni
Menuet – Trio
Finale: Presto

pauze (± 20.55 uur)

Robert Schumann (1810-1856)

Pianokwintet in Es gr.t., op. 44 (1842)
Allegro brillante
In modo d’una marcia: Un poco largamento – Agitato
Scherzo: Molto vivace
Finale: Allegro ma non troppo

einde (± 21.55 uur)

Toelichting

Johannes Brahms 1833-1897

Brahms: Derde vioolsonate

Door Axel Meijer

BrahmsDerde vioolsonate in d klein is feitelijk zijn zesde. De zelfkritische componist maakt met zijn eerste drie pogingen in het genre letterlijk de kachel aan. Met vier delen is dit de langste van de drie uitgegeven s, en verreweg de experimenteelste.

De sonate zit vol vondsten. Het eerste deel opent met twee schaduwrijke ’s die sterk in elkaars verlengde liggen. Volkomen onverwacht slaat de pianist vervolgens ruim een minuut lang, als een punt, dezelfde bastoon aan, terwijl de violist daarboven heel vrij en bijna Bach-achtig fantaseert. Daaruit stijgt plotseling weer de volledige hoofdmelodie op. Het bijzondere is dat die nu ineens haast zonnig klinkt.

Het is een eenvoudig ‘ ohne Worte’ en een toonbeeld van spaarzaamheid: uit de pianobegeleiding van de eerste twee maten ontwikkelt Brahms langzaam een tweede, contrasterend , dat verderop in de nog een keer zal opduiken. Het derde deel, een , heeft evenveel interpretaties als luisteraars: sommigen horen er diepe ernst in, anderen een vrolijk gesprek. Clara Schumann deed het zelfs denken aan ‘een mooi meisje, stoeiend met haar vrijer’.

De finale opent met opnieuw een variant op materiaal uit het Adagio. Toch kon het contrast niet groter zijn: dit laatste deel is een tarantella die alle kanten opvliegt en pas halverwege even tot rust lijkt te komen, als de piano heel langzaam, alleen en na de tel, de hoofdmelodie speelt. Maar schijn bedriegt: dit , en daarmee de hele sonate, komt tot een luidruchtig, gejaagd einde.

Joseph Haydn 1732-1809

Haydn: Divertimento

Door Lonneke Tausch

Joseph Haydn wordt wel een veelschrijver genoemd; een kwalificatie die zou kunnen suggereren dat de oudste van de drie grote Weense Klassieken – eerder geboren én ouder geworden dan Mozart en Beethoven – aan de lopende band routineus werk afleverde. Maar ­Haydns grote oeuvre legt juist een lange ontwikkeling aan de dag van elegante en misschien soms nog wat schoolse vermaaksmuziek naar meer vernuftige – en overigens nog steeds elegante – composities.

Haydn maakte met name school in de genres van het strijkkwartet en de symfonie, maar componeerde ook veel kamermuziek voor uiteenlopende bezettingen. Niet zelden was die bedoeld voor huiselijk gebruik. Samen musiceren in de eigen salon werd door de Habsburgers in de betere ­kringen gezien als aangename verpozing. ­Haydn en tijdgenoten speelden slim in op die trend door hun muziek te verkopen als ‘’: onderhoudende, licht verteerbare muziek voor kleine bezettingen.

Of de mensen thuis Haydns strijktrio’s naar behoren konden uitvoeren, is nog maar zeer de vraag. Onder catalogusnummer Hoboken V:1-21 zijn ze samengebracht: zeer verschillende werken in bijna alle en en allemaal – behalve het vandaag gespeelde nummer 8 voor viool, en – geschreven voor twee violen en een basinstrument. Dat kon een cello zijn, of een contrabas, een violone, een gamba; net wat voorhanden was.

Later in de muziekgeschiedenis wordt er getornd aan de ie van de bovenstem, maar in dit  in Bes groot heeft de viool nog duidelijk de hoofdrol. De lieflijke vioolmelodie van het openingsdeel wordt ondersteund en nageëchood door de altviool. In de zes variaties die volgen is de bas in steeds hetzelfde patroon van lange noten de drager van de speelse wisselwerking tussen viool en altviool. In het dansante en de snelle Finale trekt de bas juist wat vaker op met de altviool, wat de viool nog sterker de solis­tenrol geeft.

Robert Schumann 1810-1856

Schumann: Pianokwintet

Door Liesbeth Houtman

‘Voorwaarden voor creativiteit zijn geluk en diepe eenzaamheid’, schreef Robert Schumann. Met het geluk was het voor hem goed gesteld in 1842, het jaar van het Pianokwintet in Es groot.

Na jaren van tegenwerking door zijn aanstaande schoonvader was hij in september 1840 eindelijk getrouwd met zijn grote liefde, de pianiste Clara Wieck. Schumann voelde zo’n grote geestelijke verwantschap met haar dat hij haar kort voor hun huwelijk schreef: ‘Elk van jouw gedachten komt uit mijn ziel, ja, al mijn muziek heb ik aan jou te danken.’

Maar behalve gevoelens van geborgenheid en intimiteit waren er ook momenten van grote eenzaamheid. Begin 1842 vertrok het echtpaar voor een tournee naar Bremen, Oldenburg, Hamburg en Kopenhagen waarbij Clara concerten gaf en Robert zijn Eerste symfonie in Bes groot dirigeerde. In het gezelschap van de beroemde pianiste voelde Robert, die met zijn symfonie maar matig succes had, zich allesbehalve op zijn gemak. Terwijl Clara alleen naar Denemarken reisde, keerde hij voortijdig huiswaarts.

Terug in Leipzig miste hij haar elk moment van de dag en kreeg hij geen noot op papier. Zijn eenzaamheid verdreef hij met ‘bier en champagne’ maar ook met hard werken. Zo verdiepte hij zich in de strijkkwartetten van Haydn, Mozart en Beethoven en maakte hij ’s en andere oefeningen.

Die studie wierp haar vruchten af, want na de thuiskomst van Clara, eind april, kreeg hij weer de componeerkriebels. Behalve het Pianokwintet in Es groot schreef hij in datzelfde ‘kamermuziekjaar’ 1842 ook het Pianokwartet in Es groot, beide opgedragen aan Clara, en de drie strijkkwartetten.

Van Schumanns sluimerende geestesziekte is in het pianokwintet op het eerste gehoor niks te merken. Het werk is helder en evenwichtig van constructie, maar nergens staat deze strenge vormbeheersing de romantische verbeeldingskracht in de weg.

Integendeel, het pianokwintet is rijk aan contrasten, zowel binnen als tussen de delen onderling. Zo contrasteert de treurmars van het tweede deel met de snelle toonladderfiguren van het , maar tegelijkertijd wekt het werk de indruk in één adem te zijn geschreven. Zijn nieuw verworven kennis van het kwam Schumann goed van pas in de van de Finale: het openingsthema van dit slotdeel en dat van het eerste deel zijn hier samengesmeed tot een indrukwekkende dubbelfuga.

Hoewel het Pianokwintet in Es groot klinkt alsof de ën ervan hem zomaar kwamen aanwaaien, was Schumann aan het einde van zijn ‘kamermuziekjaar’ ernstig vermoeid. In januari 1843 leed de componist aan wat hijzelf ‘zwakke zenuwen’ noemde en componeerde hij even helemaal niets meer. Een lichtpuntje dat jaar was zijn ontmoeting met Hector Berlioz die de première bijwoonde van het pianokwintet en daarover vol enthou­siasme berichtte.

Biografie

Yefim Bronfman, piano

Yefim Bronfman werd geboren in Tasjkent, Oezbekistan (destijds Sovjet-Unie), emigreerde in 1973 met zijn familie naar Israël en begon zijn studie bij Arie Vardi in Tel Aviv. Hij vervolgde zijn opleiding in de Verenigde Staten – aan The Juilliard School, de Marlboro School of Music en het Curtis Institute of Music in Philadelphia bij Rudolf Firkusny, Leon Fleisher en Rudolf Serkin – en werd Amerikaans staatsburger. De pianist deelde het podium met de meeste grote en.

Zo trad hij in seizoen 2007/2008 als ‘Perspective Artist’ in Carnegie Hall in New York op met zowel het Concertgebouworkest als de Wiener Philharmoniker. In seizoen 2013/2014 was Yefim Bronfman in residence bij de New York Philharmonic. In Europa was hij te gast bij bijvoorbeeld de Berliner en de Münchner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de Staatskapelle Dresden.

Bij het Concertgebouworkest soleerde Yefim Bronfman sinds zijn debuut in 1999 in pianoconcerten van onder anderen Brahms, Liszt en Prokofjev en trad hij in 2021/2022 als artist in residence op in het Derde pianoconcert van zowel Beethoven als Rachmaninoff en de ­wereldpremière van het Pianoconcert, 175 van ­Firsova. In 2023 vergezelde hij het orkest op tournee naar Japan en Zuid-Korea.

Ook met het WDR Sinfonieorchester Köln en de Wiener Philharmoniker was Yefim Bronfman te horen in de . Solorecitals in Het Concertgebouw gaf hij in maart 2003, november 2011 en februari 2025. Yefim Bronfman werd gelauwerd met onder meer de Avery Fisher Prize en met een eredoctoraat van de Manhattan School of Music.

Vesko Eschkenazy, viool

De Bulgaarse violist Vesko Eschkenazy is concertmeester van het Concertgebouworkest sinds 1 januari 2000. Op zijn vijfde begon hij met vioolspelen, vier jaar later werd hij al concertmeester van het Pioneer Youth Philharmonic Orchestra.

Vesko Eschkenazy studeerde aan het Conservatorium van Sofia en aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen bij onder anderen Yfrah Neaman. In 1985 en 1988 won hij prijzen bij het Wieniawski Concours in Polen en het Londense Carl Flesch Concours.

Vóór zijn aantreden bij het Concertgebouworkest was de violist achtereenvolgens concertmeester bij het Radio Kamer Orkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest. Als solist trad hij op met het Royal Philharmonic Orchestra en het London Philharmonic Orchestra onder leiding van en als Yuri Bashmet, Colin Davis, Carlo Maria Giulini, Kurt Masur, Seiji Ozawa en Mstislav Rostropovitsj.

In november 2000 debuteerde Vesko Eschkenazy als solist bij het Concertgebouworkest in het Eerste ­vioolconcert van Szymanowski. Sindsdien soleerde hij regelmatig met het orkest, zoals in maart 2016 in het Vioolconcert in a klein, BWV 1041 van ­Johann Sebastian Bach. In 2010 werd Vesko Eschkenazy uitgeroepen tot Musicus van het Jaar in Bulgarije en opende hij het concertseizoen met een massaal bezocht openluchtconcert in zijn geboortestad Sofia met het Philharmonisch Orkest van Sofia.

Vesko Eschkenazy bespeelt de ‘ex-Silverstein’-Guarneri del Gesù uit 1742, eigendom van een particuliere mecenas en in bruikleen gegeven via de Foundation Concertgebouworkest.

Henk Rubingh, viool

Henk Rubingh kreeg zijn eerste vioollessen van Age Koning. Hij studeerde bij Jeanne Lemkes-Vos aan het Stedelijk Conservatorium te Groningen, waar hij in 1978 cum laude afstudeerde. Hij vervolgde zijn studie aan de Staatliche Musikhochschule te Freiburg bij Rainer Kussmaul. 

In 1981 ontving Rubingh de Prix d’Excellence. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot tweede concertmeester van het Noordelijk Philharmonisch Orkest (thans Noord Nederlands Orkest).

Henk Rubingh treedt regelmatig op als solist, speelt veel kamermuziek en werkte mee aan vele cd-opnamen. Als concertmeester van de Amsterdamse Bachsolisten trad hij op in vele belangrijke festivals over de gehele wereld.

Sinds september 1984 was Henk Rubingh verbonden aan het Koninklijk Concertgebouworkest, sinds 1989 als eerste aanvoerder van de tweede violen. In december 2021 ging hij met pensioen, in maart 2022 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Saeko Oguma, altviool

Saeko Oguma studeerde in aan de Toho Gakuen Muziekacademie in Tokio, waarna zij orkestervaring opdeed bij het Deutsches Symphonieorchester Berlin en bij enkele grote Japanse orkesten, waaronder het Tokyo Symphony Orchestra en het Tokyo Nomori Orchestra onder Riccardo Muti. Als kamermusicus trad zij op tijdens diverse festivals in Japan.

Aan het Conservatorium van Amsterdam studeerde ze verder bij Sven Arne Tepl, Marjolein Dispa en Nobuko Imai.

Tijdens het Internationale Johannes Brahms Concours in 2008 won Saeko Oguma de tweede prijs. Eerdere prijzen won ze onder meer tijdens de Tokyo Music Competition (2006) en de Nagoya International music competition (2003).

Na het winnen van het Nationaal concours Amsterdam trad ze in september 2010 als plaatsvervangend aanvoerder van de altviolen toe tot het Concertgebouworkest.

Gregor Horsch, cello

Gregor Horsch werd geboren in Duitsland en opgeleid aan de Musikhochschule van Freiburg bij Christoph Henkel en later aan het Royal Northern College of Music in Manchester bij Ralph Kirshbaum. Sinds hij in 1989 cum laude afstudeerde in Manchester woont Gregor Horsch in Nederland. Na een aantal jaren de groep van het Residentie Orkest in Den Haag aangevoerd te hebben werd hij in 1997 benoemd tot eerste solocellist van het Concertgebouworkest.

Als winnaar van de Pierre Fournier Award in London (1988) gaf hij talrijke s in Engeland en maakte hij verschillende radio-opnamen voor de BBC. Zo speelde hij in de Londense Wigmore Hall en trad hij op tijdens het eerste Internationale Festival in Manchester en tijdens het Schubert-Britten Festival in de Queen Elizabeth Hall. Gregor Horsch won prijzen bij de Scheveningen International Music Competition (1989) en het Concours Gaspar Cassado in Florence (1990).

Gregor bespeelt sinds 2010 een cello gebouwd door Giovanni Battista Rogeri, voorheen bespeeld door en eigendom van solocellist Jean Decroos. Deze cello werd door de Foundation Concertgebouworkest aangekocht en aan Gregor in bruikleen gegeven.