Wispelwey en Giacometti: Schubert en Brahms

Grote Strijkers 20.15 uur

Pieter Wispelwey cello
Paolo Giacometti piano

download dit programma als printvriendelijke pdf

Franz Schubert 1797-1828

Fantasie in C gr.t., D 934 (1827)
Andante molto
Allegretto
Andantino
Allegro vivace 
Allegretto 
Presto 

Johannes Brahms 1833-1897

Tweede sonate in F gr.t., op. 99 (1886)
Allegro vivace
Adagio affettuoso
Allegro passionato
Allegro molto 

pauze

Franz Schubert

Sonate in a kl.t., D 821 (1824) ‘Arpeggione’
Allegro moderato
Adagio
Allegretto

Johannes Brahms

Eerste sonate in e kl.t., op. 38 (1862-65)
Allegro non troppo
Allegretto quasi menuetto
Allegro 

begin van de pauze ca. 21.15 uur
einde van het concert ca. 22.25 uur

Toelichting

Franz Schubert 1797-1828

Fantasie

tekst: Christiane Schima

Het is bekend dat Franz Schubert als ‘profeet in eigen land’ in zijn vaderstad Wenen weinig erkenning vond. Van Eduard Bauern­feld, toneeldichter en vriend van Schubert, is het volgende rijm afkomstig: ‘Ein echter Wiener – und ein Genie. Es staunt das ganze Land – die Wiener selbst erfuhren’s nie. Als nur aus dritter Hand.’ 

Veel van Schuberts werken werden pas lang na het overlijden van de componist gepubliceerd. Tijdens een bezoek aan Wenen vond Robert Schumann tal van composities, on­­geordend tussen stapels van Schuberts nagelaten manuscripten. De Fantasie in C groot, D 934 werd pas in 1850 voor het eerst uitgegeven en de in a klein ‘ne’, D 821 in 1871.

Dat de Fantasie in C groot niet geschreven is voor viool en piano (zoals vermeld in de eerste ­uitgave uit 1850) maar voor ‘Pianoforte und ein Instrument’, blijkt uit de tweede kritische editie van Breitkopf & ­Härtel uit 1886. Schubert had de keuze van het ­-instrument blijkbaar opengelaten. Een uitvoering met en piano is dien­tengevolge legitiem.

Corresponderend met de benaming ‘fantasie’ knopen de delen vrij aan elkaar aan en wisselen ze van karakter en stemming. Met zijn voortdurende veranderingen van en kleurschakeringen is het werk uit 1827 Schubert ten voeten uit. Toch is het niet zo vaak in de concertzaal te horen. 

Johannes Brahms 1833-1897

Tweede Sonate

Johannes Brahms heeft veel kamermuziek geschreven. Hij hield van het musiceren in huiselijke kring en koesterde vriendschappelijke contacten met bekende musici. Brahms was een excellent pianist en een bevlogen koordirigent – een visitekaartje voor Wenen waar de Hamburger in 1872 tot leider van de Wiener Singakademie werd benoemd.

De biografie van de componist kan worden ingedeeld in twee levens- en scheppingsperiodes. Die in Duitsland, waar hij diverse banen als koordirigent heeft en in Leipzig bevriend raakt met de familie Schumann en de violist Joseph Joachim. En die in Wenen, waar hij zich in 1872 voorgoed vestigt en als componist carrière maakt. De twee sonates zijn afkomstig uit beide periodes, tussen hun ontstaan ligt meer dan twintig jaar. 

De Tweede in F groot,  99 is opgedragen aan de gelauwerde cellist Robert Hausmann (1852-1909), die ook Brahms’ Eerste sonate — die later op het programma staat — aan meer bekendheid hielp. Het vierdelige werk staat in een zonnig F groot. Omwille van het dramatische contrast maakt de componist in de twee middendelen een uitstapje naar f klein. 

Het achtige van het derde deel, passionato, wijst echter vooruit naar het sprankelende slotrondo Allegro molto. Brahms heeft zich in de Oostenrijkse hoofdstad tot beroemdheid ontwikkeld.

De Weense muziekcriticus Eduard Hanslick (1825-1904) prijst hem zelfs als waardige opvolger van Beethoven. De erfenis van het klassieke muzikale verleden heeft Brahms hier omgezet in een eigen laatromantische stijl.

Franz Schubert 1797-1828

'Arpeggione'-sonate

De  in a klein ‘ne’ uit 1824 verheugt zich in een grote populariteit. Schubert schreef hem voor een reeds in zijn tijd zeldzaam en nu volledig ­vergeten ­instrument: de arpeggione. De Weense instrumentenbouwer Johann Georg ­Staufer (1778-1853) had het ontworpen.

Het was een -achtig, maar net als een gitaar van zes snaren voorzien instrument dat bijzonder geschikt was voor het spel met ­gebroken en (arpeggio’s). Schubert heeft de grote toonomvang van het instrument ten volle benut.

De elegische en ontroerende e ën van deze sonate getuigen ervan dat Schubert een begenadigd eren­componist was. De ‘Arpeggione’ bezit de charme van Wenen, een stad die een smeltkroes was van verschillende volkeren van de Duits-Oostenrijks-Hongaarse Donau-monarchie.

Daarop wijzen veel door de componist ingelaste, door de Hongaarse zigeuner­muziek geïnspireerde gedeeltes, zeker in de goedgemutste finale, een . Toch keren ook in het slotdeel fragmenten uit de vorige delen terug als een weemoedige ­herinnering.

Johannes Brahms 1833-1897

Eerste cellosonate

De Eerste in e klein, 38 is het ambitieuze werk van een aanstormend componist. Hierin maakt Brahms – net als Ludwig van Beethoven in zijn late werken – in het slotdeel gebruik van de techniek van Johann Sebastian Bach.

Het openingsdeel is opgebouwd als deel met verschillende in groepen ondergebrachte melodische motieven. Het bekoorlijke, van doorspekte Allegretto quasi to heeft een ke allure. De sonate wordt afgesloten met een gewichtig - oftewel fugatodeel, waarin Brahms refereert aan Contrapunctus 4 en 13 uit BachDie Kunst der Fuge.

Toch stelt dit prestigieuze werk – het is opgedragen aan de bekwame Leipziger amateur-cellist Josef Gänsbacher – in speeltechnisch opzicht lagere eisen aan de solist dan de voorgaande Tweede sonate.

Biografie

Pieter Wispelwey, cello

Pieter Wispelwey maakte in de afgelopen decennia naam met originele interpretaties van een repertoire dat reikt van muziek uit de tot hedendaagse, aan hem opgedragen composities. Het werk van Johann Sebastian Bach neemt daarbij een centrale plaats in: Pieter Wispelwey speelde diens s voor ­ solo talloze malen in kerken en concertzalen en legde ze driemaal op cd vast.

De cellist was te gast op de belangrijke podia van steden als Londen, Berlijn, Brussel, New York, Melbourne en Buenos es. Als solist trad hij op met vele Nederlandse gezelschappen, maar ook met bijvoorbeeld het Boston Symphony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra Tokyo, het Sydney Symphony Orchestra en de Academy of Ancient Music.

Zijn discografie omvat meer dan twintig titels. De afgelopen tijd verschenen cd’s met concerten van Carl Philipp Emanuel Bach, Lalo, Saint-Saëns, Britten en Walton. Ook werkt hij aan een project waarin hij het complete duo­­­repertoire van Schubert en Brahms op cd vastlegt. Pieter Wispelwey studeerde bij Dicky Boeke, Anner Bijlsma, Paul Katz en William Pleeth. Hij bespeelt een instrument van Giovanni Battista Guadagnini uit 1760 en een Rombouts ­cello uit 1710. Zijn vorige optreden in de , in november 2015, was een programma met werken van Reger, Ligeti, Brahms en Kodály, ook toen samen met Paolo Giacometti.

Paolo Giacometti, piano

Paolo Giacometti treedt wereldwijd op als solist en kamermusicus, zowel op modern als historisch instrumentarium. Hij werd geboren in Milaan, maar woont sinds zijn vroege kindertijd in Nederland. Jan Wijn was zijn docent aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij met de hoogste onderscheiding afstudeerde. György Sebök was eveneens een belangrijk mentor en van grote invloed op Paolo Giacometti’s muzikale ontwikkeling.

De pianist deelde het kamermuziekpodium met collega’s als Pieter Wispelwey, Gordan Nikolić, Janine Jansen, Bart Schneemann en Viktoria Mullova. Naast zijn kamermuziekoptredens en solorecitals soleerde de pianist bij tal van orkesten; hij musiceerde onder leiding van en als Frans Brüggen, Kenneth Montgomery en Jaap van Zweden.

Paolo Giacometti bouwde een omvangrijke discografie op. Voor het derde deel van het complete pianowerk van Rossini (1998-2007) kreeg hij in 2001 een Edison, en ook zijn opnames van muziek van onder anderen Schubert, Schumann, Fauré en Chopin werden ­enthousiast ontvangen.

Paolo Giacometti geeft les aan de Robert Schumann ­Musikhochschule in Düsseldorf.

In de van Het Concertgebouw trad hij eerder bijvoorbeeld op met bariton Thomas Oliemans en met het Hamlet , dat hij vormt met violiste Candida Thompson en celliste Xenia Jancovic.