Wiener Philharmoniker in Sjostakovitsj' Symfonie nr. 5

Wiener Philharmoniker
Jakub Hrůša dirigent

Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Lees ook: boekentip Kreutzersonate (2001) van Margriet de Moor

Leoš Janáček (1854-1928)

Jaloezie (Žárlivost), JW 6/10 (1895)
ouverture voor orkest

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Montagues en Capulets
Julia als jong meisje
Maskers
Romeo en Julia
De dood van Tybalt
Broeder Laurentius
Dans van de vijf paren
Dans van de meisjes met de lelies
Romeo bij het graf van Julia
De dood van Julia
uit ‘Romeo en Julia’, op. 64 (1935-36)

pauze ± 21.00 uur

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Symfonie nr. 5 in d kl.t., op. 47 (1937)
Moderato
Allegretto
Largo
Allegro non troppo

einde ± 22.15 uur

Met dank aan de begunstigers van het Fonds Wereldberoemde ­Symfonieorkesten.

Toelichting

Leoš Janáček 1854-1928

Janáček: Jaloezie

Door Paul Janssen

Tussen 1894 en 1902 schreef Leoš Janáček zijn eerste grote meesterwerk, de Jenůfa. De man die geboren werd in de tijd dat Franz Liszt en Richard Wagner furore maakten was net vijftig toen de opera in 1904 in Brno in première ging, en zou zijn beste werken schrijven toen hij al in de zestig was en componisten als Arnold Schönberg, Igor Stravinsky en Sergej Prokofjev de dienst uitmaakten. Met Jenůfa introduceerde laatbloeier Janáček voor het eerst zijn eigen stijl, waarin de Tsjechische spraakinflecties een belangrijke rol spelen.

De eerste noten die de componist voor zijn opera neerschreef waren van een ouverture. Alleen zou deze nooit de première halen. Toen Janáček het schrijnende verhaal over Jenůfa – die bevalt van een buitenechtelijk kind dat uiteindelijk door haar pleegmoeder wordt verdronken in de bevroren rivier – op de piano voorspeelde aan zijn doodzieke dochter die enkele dagen later zou sterven, vond hij de ouverture niet passen bij het geheel. De muziek raakte weliswaar aan de beklemmende sfeer van de opera, maar had er verder dramatisch en the­matisch niets mee te maken; deze ouverture was gebaseerd op het Tsjechische Žárlivec (‘De jaloerse man’). Toen de componist in 1908 zijn operapartituur publiceerde liet hij de ouverture definitief weg.   Wel ging het werk onder de titel Žárlivost (Jaloezie) in 1906 zelfstadig in pre­mière bij het Filharmonisch Orkest van Praag. Het krachtige, compacte werk sloeg aan en ging een eigen leven leiden als concertouverture. Pas in 1959, meer dan dertig jaar na de dood van Janáček, werden Jenůfa en de ouverture even samengevoegd voor een uitvoering in Greiz in de toenmalige DDR. Het was geen succes. Sindsdien klinkt Jenůfa definitief zonder ouverture en is Jaloezie een mooi eerste orkestwerk van de rijpe Janáček.

Sergej Prokofjev 1891-1953

Prokofjev: Suite uit Romeo en Julia

Door Paul Janssen

Sergej Prokofjev was in de jaren 1930 een echte kosmopoliet en in die zin ver verwijderd van de negentiende-eeuwse Russische muziek. Hij ontvluchtte zijn vaderland na de Russische Revolutie, woonde enige tijd in de Verenigde Staten en verbleef vanaf de late jaren 1920 op verschillende plaatsen in Europa om in 1936 definitief terug te keren naar Rusland. Die ‘terugkeer’ is al te horen in Romeo en Julia, een ballet naar Shakespeares beroemde toneelstuk. Want naast de delicate Frans georiënteerde orkestbehandeling is de Russische ziel nooit ver weg.

De eenvoud van de ën, de opzwepende s, de ën die als zweepslagen uit het orkest opstijgen, het zijn elementen die terug te vinden zijn in de Russische volksmuziek. Bovendien past Prokofjev in de Russische ballettraditie, ook al heeft hij zijn plek met wat inmiddels de populairste twintigste-eeuwse balletpartituur is hard moeten bevechten. Toen hij ­Romeo en Julia als onderwerp voorstelde aan het Kirov Ballet, weigerde het bestuur dat hem eerder de opdracht had gegeven voor een avondvullend ballet naar keuze. De componist bood het ballet vervolgens in eerste instantie met succes aan bij het Bolsjoj Theater, maar daar vond men de bij nadere beschouwing ‘ondansbaar’. ­Prokofjev destilleerde vervolgens twee succesvolle s uit de partituur (in 1946 stelde hij nog een derde suite samen) die enthousiast ontvangen werden.

Vervolgens ging het complete ballet uiteindelijk in Brno – de stad van Leoš Janáček – in première. Het was zo’n succes dat het Kirov Ballet niet wist hoe snel het het op het programma moest zetten. Zo bracht het prestigieuze dansgezelschap in 1940 alsnog de Russische première. Naast het ballet zelf bleven ook de orkest­suites populair, en het is een gewoonte geworden voor orkesten en en om op basis van de drie bestaande suites hun ‘eigen suite’ samen te stellen, doorgaans met als doel het overbekende liefdesverhaal over de twee jonge verliefde mensen uit twee rivaliserende families zo compleet mogelijk te vertellen.

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Sjostakovitsj: Vijfde symfonie

Door Paul Janssen

Dmitri Sjostakovitsj heeft zijn hele leven gebalanceerd tussen zijn muzikale verbeeldingskracht en de toegestane artistieke grenzen van de Sovjet-autoriteiten. De kracht van deze componist is dat hij na elke veroordeling weer opkrabbelde en verder componeerde. Dat hij zich daarbij soms publiekelijk moest verontschuldigen, of ogenschijnlijk in de pas liep van de wensen van de machthebbers, doet niets af aan zijn partituren.

Ook zijn Vijfde symfonie balanceert op deze smalle richel tussen persoonlijke genoegdoening en handreiking aan de autoriteiten. De voorgeschiedenis begint met de door Stalin uitgesproken ban over zijn Lady Macbeth uit het district Mtsensk in 1936. In antwoord op het beroemde Pravda-artikel ‘Chaos in plaats van muziek’ trok Sjostakovitsj de terug en noemde hij zijn Vijfde symfonie bij publicatie ‘het creatieve antwoord van een sovjetartiest op rechtvaardige kritiek’.

Met de première op 21 november 1937 werd Sjostakovitsj’ reputatie als de openbaring van componerend Rusland even abrupt hersteld als hij eerder na Stalins ziedende kritiek was afgebroken. De Vijfde symfonie was immers een schoolvoorbeeld van ware sovjetkunst, zo wilde men geloven. Zelf omschreef Sjostakovitsj zijn Vijfde symfonie als ‘het resultaat van een dialoog met de symfonieën van Gustav Mahler’.

Toch heeft het werk, ondanks de schijnbaar traditionele opbouw, weinig van doen met de kenmerkende symfonische dialectiek. Met de schrijnende kleine sext van het eerste van het eerste deel begint een discours dat het e begin transformeert tot een sinistere mahleriaanse . De terugkeer van het beginthema is al even ongemakkelijk en wanhopig. Deze stemming beheerst ook het zure – het tweede deel – dat klinkt als een angstaanjagende en ironische parodie op populaire sovjetmuziek. In het ­Largo verandert de stemming enigszins en klinken lange melancholieke lijnen. Prachtig schildert Sjostakovitsj aan het eind van dit kamermuziekachtige deel de eenzaamheid met een melodie in ten op de harp ondersteund door een celesta. De finale sluit in stemming weer aan bij het scherzo en eindigt abrupt in een blatend D groot. Enkele sovjet-­commentatoren dachten daardoor in de symfonie een zweem van wanhoop te horen, wat verboden was. Sjostakovitsj weerlegde dit door ‘de mensheid’ met al zijn strijd, tri­omfen en levensvreugde tot thema van de symfonie te verklaren.

Later nam de componist afstand van deze holle retoriek en zei: ‘Ik denk dat het voor iedereen duidelijk is wat er gebeurt in deze symfonie. Het is alsof iemand je doorlopend slaat met een stok en zegt: ‘Het is jullie taak om vreugde te brengen, het is jullie taak om vreugde te brengen.’ Je staat vervolgens trillend op, loopt weg en prevelt: ‘Het is onze taak om vreugde te brengen, het is onze taak om vreugde te brengen.’ 

Biografie

Wiener Philharmoniker, orkest

De Wiener Philharmoniker speelt al meer dan 180 jaar een hoofdrol in de westerse klassieke muziek; mede vanwege zijn uitgesproken ‘Wiener Klang‘ en de wereldwijd uitgezonden Nieuwjaarsconcerten en Sommernachtskonzerte op Schönbrunn behoort het tot de beroemdste orkesten ter wereld.

In 2018 ging de eigen Orchesterakademie van start. 

De Wiener Philharmoniker werd in 1842 opgericht door Otto Nicolai als een vereniging van musici uit de hofopera, en de leden van de Wiener Philharmoniker worden vandaag de dag nog steeds gerekruteerd uit het orkest van de Wiener Staatsoper. Sinds 1860 verzorgt het orkest zijn eigen concertseries, sinds 1870 in de Goldener Saal van thuisbasis de Wiener Musikverein.

Het gezelschap trad voor het eerst buiten Wenen op bij de eerste Salzburger Festspiele in 1877 en is daar sinds 1922 jaarlijks te horen. Richard Strauss stond geregeld op de bok, en Gustav Mahler leidde het eerste buitenlandse concert: in 1900 op de Wereldtentoonstelling in Parijs. Internationale tournees werden steeds belangrijker en de betrekkingen met Japan zijn zó hecht dat daar zelfs in de pandemiejaren 2020 en 2021 onder speciale maatregelen opgetreden kon worden.

De eerste concerten van de Wiener Philharmoniker in Het Concertgebouw vonden plaats in oktober 1940, als onderdeel van een Weense week. Het laatste optreden, op 12 mei 2023, bestond uit werken van Janáček, Prokofjev en Sjostakovitsj onder leiding van Jakub Hrůša. Rolex is sinds 2008 sponsor van het orkest. 

Jakub Hrůša, dirigent

Jakub Hrůša is chef- van de Bamberger Symphoniker en – met ingang van 2025/2026 – music director van de Royal in Londen. Daarnaast is hij eerste gast­dirigent van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en van het Tsjechisch Filharmonisch Orkest, dat hem recent benoemde tot chef-dirigent met ingang van 2028.

Als gastdirigent onderhoudt Jakub Hrůša goede banden met onder meer de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Dresden, het Orchestre de Paris, het NHK Symphony ­Orchestra Tokyo, de orkesten van Cleveland, New York, ­Chicago en Boston en – sinds 2015 – het Concertgebouworkest.

­dirigeerde Jakub Hrůša op het Glyndebourne Festival en in de grote theaters van Wenen, Londen, Parijs en Zürich. In 2023 benoemde O­pus Klassik hem tot van het jaar. Voor opnames met de Bamberger Sym­phoniker won hij twee ICMA Prizes (werken van Rott respectievelijk Bruckner) en een Preis der deutschen Schallplattenkritik (Mahler), en in 2024 viel hij dubbel in de prijzen bij de Gramophone Awards, voor Brittens Vioolconcert met Isabelle Faust en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en voor Janáčeks Kát’a Kabanová op de Salzburger Festspiele.

Jakub Hrůša studeerde in Praag bij Jiří Bělohlávek en was in 2015 de eerste winnaar van de Sir Charles Mackerras Prize. Hij kreeg samen met zijn Bamberger Symphoniker de Bayerische Staatspreis für Musik, werd in zijn vaderland onderscheiden met de Antonín Dvořák Prize en de zilveren medaille 2024 van de ­Tsjechische Senaat, en is erelid van de Royal Academy of Music in Londen.