Widmann, Zimmermann en Várjon: Sprookjesvertellers
Jörg Widmann klarinet
Tabea Zimmermann altviool
Dénes Várjon piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Kamermuziek.
Robert Schumann (1810-1856)
Märchenerzählungen, op. 132 (1853)
voor klarinet, altviool en piano
Lebhaft, nicht zu schnell
Lebhaft und sehr markirt
Ruhiger Tempo, mit zartem
Ausdruck
Lebhaft, sehr markirt
Fantasiestücke, op. 73 (1849)
voor piano en klarinet
Zart und mit Ausdruck
Lebhaft, leicht
Rasch und mit Feuer
Jörg Widmann (1973)
Es war einmal... (2015)
‘Fünf Stücke im Märchenton für Klarinette, Viola und Klavier’
Es war einmal...
Fata Morgana
Die Eishöhle
Von Mädchen und Prinzen
Und wenn sie nicht gestorben
sind...
pauze ± 21.10 uur
Robert Schumann
Märchenbilder, op. 113 (1851)
voor altviool en piano
Nicht schnell
Lebhaft
Rasch
Langsam, mit melancholischem
Ausdruck
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Trio in Es gr.t., KV 498 (1786) ‘Kegelstatt’
voor piano, klarinet en altviool
Andante
Menuetto
Rondeaux: Allegretto
einde ± 22.10 uur
Toelichting
toelichting
Er was eens…
Door Liesbeth Houtman
Er was eens… Het volkssprookje, met zijn idyllische en morbide ondertoon, was dankzij de gebroeders Grimm in de negentiende eeuw razend populair. Voor menig romantisch componist was het een bron van inspiratie. Zo ook voor Robert Schumann. Aan het einde van zijn leven componeerde hij een reeks sprookjesachtige kamermuziekwerken.
Een specifiek verhaal ligt aan deze stukken veelal niet ten grondslag. Eerder nodigt hij ons uit in een wereld vol poëzie, intimiteit en beweeglijkheid. Zoals in de Märchenerzählungen, een van zijn laatste werken. Schumann koos hiervoor dezelfde bezetting als Mozarts ‘Kegelstatt’-: klarinet, en piano. Het donkere, omfloerste timbre van de klarinet en de altviool leent zich bij uitstek voor fantasierijke taferelen. Gefascineerd door sprookjes én Schumanns kamermuziek schreef de klarinettist en componist Jörg Widmann een werk voor diezelfde combinatie van instrumenten.
Schumann
Schumann componeerde zijn Märchenerzählungen, 132 in slechts drie dagen tijd: tussen 9 en 11 oktober 1853. Een paar maanden later stortte de manisch-depressieve componist zich in de ijskoude Rijn. Dankzij toesnellende vissers overleefde hij de zelfmoordpoging. Zijn laatste treurige jaren bracht hij door in een kliniek in Endenich, in de buurt van Bonn. Niets van dit naderende onheil is in de Märchenerzählungen te horen. Het openingsdeel is een luchtige vertelling vol charme en eenvoud.
Deel twee heeft de opbouw van een , met een achtig gedeelte dat wordt herhaald en een gevoelig middendeel. In het derde deel zingen klarinet en een innig liefdeslied, kabbelend begeleid door de piano. Het slotdeel begint heroïsch: als een stoutmoedige ridder die in het gracieuze middengedeelte zijn prinses verwacht. De Märchenerzählungen klonken vlak na voltooiing in huiselijke kring met Schumanns vrouw Clara aan de piano. Kort daarop speelde een ensemble met violist Joseph Joachim het werk in het openbaar. Schumann droeg het werk op aan zijn leerling Albert Dietrich, aan wie hij in februari 1854 het eerste gedrukte exemplaar overhandigde.
De Fantasiestücke, 73 voor klarinet en piano ontstonden in 1849 in Dresden, het jaar voordat Schumann met zijn gezin naar Düsseldorf verhuisde. Ook deze stukken componeerde hij razendsnel: tussen 11 en 13 februari. De drie delen, die zonder onderbreking in elkaar overgaan, worden gaandeweg steeds levendiger. Elk is geschreven in de A-B-A-vorm. De klarinet pakt in het eerste deel uit met een hartstochtelijke , begeleid door len in de pianopartij.
In het scherzoachtige middendeel buitelen de twee instrumentalisten over elkaar heen in een spel van tegengestelde ’s, die eerder elegant dan van karakter zijn. Het slotdeel begint met vertoon van kracht. Het mondt uit in een uitgebreide waarin Schumann de musici tot twee keer toe aanspoort ‘schneller’ te spelen. ‘Mit grossen Vergnügen’ speelde Clara de Fantasiestücke op 18 februari in besloten kring, samen met Johann Gottlieb Kotte, klarinettist van de Hofkapelle van Dresden.
Twee jaar later, in maart 1851, componeerde Schumann zijn Märchenbilder, opus 113 voor altviool en piano. Uit recent onderzoek is gebleken dat Schumann mogelijk werd geïnspireerd door het gelijknamige gedicht van de Berlijnse dichter Louis du Rieux. Een tekst over een onvervulde liefde waarvan de slotregels luiden: ‘Unser sinnig Liebeleben / Wird mein letztes Märchen sein’. Hoe dan ook: Schumann overwoog ook andere titels, zoals Violageschichten, Märchengeschichten, Märchenlieder of eenvoudigweg Märchen.
Het werk kent een tot dan toe ongekende opbouw: langzaam-snel-zeer snel-langzaam. Vol verlangen zet de het eerste deel in met een smachtende die later in verschillende gedaantes opnieuw opduikt. Deel twee, een , heeft als tweede couplet een . Via het virtuoze derde deel, een perpetuum mobile, rondt Schumann de Märchenbilder af met een teder wiegelied. Schumann zelf noemde de stukken bescheiden ‘Kinderspässe, es ist nicht viel damit’.
Widmann
‘Zolang ik me kan herinneren, ben ik gefascineerd door sprookjes, met hun archetypische karakters en vaste uitdrukkingen als ‘Er was eens…’ en ‘Ze leefden nog lang en gelukkig en kregen veel kinderen’, aldus Jörg Widmann.
‘Sprookjes waren voor mij echter ook een bron van onrust omdat ze een seismograaf zijn van de diepere angsten en verlangens van de mens. Daarom heb ik als uitvoerder en componist in Schumanns Märchenerzählungen altijd een onbestemd, complex hedendaags werk gezien – ondanks de eerste aanblik van onschuld en naïviteit. Met mijn eigen Es war einmal… had ik dan ook geen louter sentimentele, nostalgische vlucht naar een ver verleden voor ogen, maar eerder een onbevangen en fantasierijk alternatief voor onze wereld vol ontreddering.’
En fantasierijk is dit werk, dat Widmann als ondertitel meegaf: ‘Fünf Stücke im Märchenton für Klarinette, Viola und Klavier’. Hevige lyriek en beklemmende passages wisselen elkaar af. Er was eens... Widmann begint zijn vertelling goedgemutst, vol klankpracht en wisselende en. Vliegende tapijten flitsen voorbij in het oriëntaals aandoende tweede deel. Maar in het centrale middendeel is het bitterkoud.
Een ijsgrot doemt op, verklankt door ‘Knarzlaute’ (knarsgeluiden) van de , een helse klarinet en spookachtige pianoklanken. In deel vier ontpoppen klarinet en altviool zich als ware tortelduifjes. En als ze niet gestorven zijn… Met etherisch wegstervende noten blaast Widmann ten slotte zijn sprookje uit, ons in vertwijfeling achterlatend.
Mozart
Volgens een anekdote schreef Wolfgang Amadeus Mozart zijn in Es groot, KV 498 tijdens het kegelen. Vandaar de bijnaam ‘Kegelstatt’-Trio. Of het waar is mag Joost weten, maar het zegt in elk geval iets over het grote gemak waarmee hij componeerde. Een werk voor klarinet, altviool en piano was anno 1786 nog nooit vertoond.
Niet alleen de bezetting was nieuw, ook experimenteerde Mozart met vorm door te beginnen met een langzaam deel. Bij het componeren had Mozart een paar goede vrienden in gedachten: zijn pianoleerlinge Franziska von Jacquin en de klarinetvirtuoos Anton Stadler. Mozart zelf nam bij de première de altviool ter hand. In het hele trio heersen de warmte en spontaniteit die hij bij het musiceren met vrienden moet hebben ondervonden.
De drie instrumenten behandelt hij als gelijkwaardige gesprekpartners. Zo treden de musici in het afsluitende Rondeaux beurtelings solistisch op de voorgrond. Bij de eerste uitgave schreef Mozart een viool voor met als alternatief een partij voor de klarinet. Opmerkelijk, want juist de klarinet is essentieel in het tedere en sonore klankbeeld.
Biografie
Tabea Zimmermann, altviool
Tabea Zimmermann, opgeleid bij Ulrich Koch en Sándor Végh, soleert bij de grootste orkesten ter wereld. Bij de International Classical Music Awards 2017 werd de Duitse altvioliste uitgeroepen tot Artist of the Year.
Residencies bekleedde ze onder meer bij de Berliner Philharmoniker en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, en ook bij het Concertgebouworkest (seizoen 2020/2021), waar ze al in 1988 debuteerde.
In 2022 was Tabea Zimmermann artistiek partner van het Saint Paul Chamber Orchestra en afgelopen zomer verzorgde ze meerdere concerten voor de Schwetzinger SWR Festspiele. Een speerpunt voor haar is hedendaagse muziek. In april 1994 bracht ze Ligeti’s voor haar geschreven voor in wereldpremière.
In recente jaren presenteerde ze opdrachtcomposities van Heinz Holliger, Wolfgang Rihm, Georges Lentz, Enno Poppe en Bruno Mantovani. Op het gebied van kamermuziek nam haar Arcanto Quartett (2004-2016) een speciale plaats in. Naast haar podiumcarrière is Tabea Zimmermann voorzitter van het Beethoven-Haus Bonn en van de Hindemith-Stiftung; van deze componist nam ze ook het verzamelde werk voor altviool op. Met haar eigen David-Shallon-Stiftung ondersteunt ze bijzondere muzikale projecten. In 2023 werd ze voorzitter van de Ernst von Siemens Musikstiftung, waarvan ze in 2020 zelf laureaat was, en erelid van de Deutscher Musikrat. Lesgeven doet Tabea Zimmermann aan de Musikhochschule van Frankfurt en aan de Kronberg Academy.
In de was er in februari 2006 een Weekend met Tabea Zimmermann, en haar laatste (Brahms, Hindemith, Clarke en Sjostakovitsj) was op 12 november 2022 met pianist Kirill Gerstein. Met pianist Javier Perianes bracht Tabea Zimmermann het album Cantilena uit, vol muziek uit Spanje en Latijns-Amerika.
Jörg Widmann, klarinet
Jörg Widmann heeft een glansrijke carrière als klarinettist, en componist. Als solist trad hij op met vele beroemde orkesten, waaronder de Wiener Philharmoniker en het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin. Tal van hedendaagse toondichters schreven nieuw werk voor hem.
Als componist kan Jörg Widmann bogen op een omvangrijk oeuvre met onder meer symfonische werken, muziektheater en strijkkwartetten. In 2012 ging zijn Babylon in première bij de Bayerische Staatsoper in München, en in 2017 schreef hij het grootschalige ARCHE voor de opening van de Elbphilharmonie in Hamburg.
Als debuteerde Jörg Widmann in 2009, toen hij in de Bastille in Parijs zijn muziektheaterwerk Am Anfang leidde. Hij stond voor onder meer The Cleveland Orchestra, de en van Atlanta en Detroit, het Radio Filharmonisch Orkest en het Budapest Festival Orchester. Artist in residence was hij bij onder meer het Lucerne Festival, de Bamberger Symphoniker, het Tonhalle-Orchester Zürich en het Gewandhausorchester Leipzig. Jörg Widmann is eerste gastdirigent van de NDR Radiophilharmonie begint in 2026 aan zijn eerste seizoen als artistiek directeur van de Lucerne Festival Academy.
Jörg Widmann debuteerde als klarinettist in de van Het Concertgebouw in de Rising Stars-serie van 2000/2001. Composities van zijn hand klonken al vele malen in de Grote en Kleine Zaal. Zo stond de veelzijdige musicus in 2022/2023 centraal bij de ZaterdagMatinee. Het Concertgebouworkest speelde van hem Teufel Amor, de Babylon- en de cyclus Das heisse Herz; in december 2025 leidt Andris Nelsons het orkest en tist Håkan Hardenberger in Towards Paradise (Labyrinth IV).
Dénes Várjon, piano
Dénes Várjon studeerde in 1991 af aan de Franz Liszt Muziekacademie in zijn geboorteplaats Boedapest. Hier volgde hij lessen bij onder anderen György Kurtág en Ferenc Rados.
Hij won eerste prijzen op het Leo Weiner Kamermuziekconcours in Boedapest en het Géza Anda Concours in Zürich en bouwde een internationale carrière op met optredens in de Londense Wigmore Hall, Carnegie Hall in New York en het Wiener Konzerthaus en solobeurten bij het Budapest Festival Orchestra, het Tonhalle-Orchester Zürich, het Chamber Orchestra of Europe, de Kremerata Baltica en de Academy of St Martin in the Fields.
Dénes Várjon vormt een pianoduo met zijn vrouw Izabella Simon en speelt ook graag kamermuziek met collega’s als Tabea Zimmermann, Kim Kashkashian, Jörg Widmann en András Schiff. Met Leonidas Kavakos musiceerde de pianist in 2004 en 2006 in de , waar hij in 2001 zijn debuut had gemaakt met cellist Miklós Perényi.
Hij keerde er nog terug met violist Joshua Bell en cellist Steven Isserlis (2010), en in de speelde hij in april 2022 Bartók met het Concertgebouworkest en Iván Fischer. Dénes Várjon doceert aan de Franz Liszt Muziekacademie en aan de Kronberg Academy in Duitsland. In 2020 kreeg hij de Kossuth Prijs, de belangrijkste culturele onderscheiding van Hongarije.






