Vladimir Jurowski leidt Bruckners Eerste bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Vladimir Jurowski dirigent

Dit concert maakt deel uit van de Bruckner-cyclus. Het wordt kort ingeleid op het podium.

Ook interessant:
- Interview met Vladimir Jurowski

Anton Bruckner (1824-1896)  

Symfonie nr. 1 in c kl.t. (1865-66, versie ‘Linz’ 1868) 
Allegro
Adagio, Andante
Scherzo: Schnell – Trio: Langsamer
Finale: Bewegt, feurig

er is geen pauze
einde ± 15.10 uur 

              

Toelichting

Anton Bruckner (1824-1896)

Eerste symfonie

Door Dirk Luijmes

Toen Anton Bruckner in januari 1865 in Linz begon aan zijn Eerste symfonie in c klein was hij uitstekend voorbereid. De veertigjarige musicus had inmiddels zijn sporen verdiend als organist van de Dom en als componist van verschillende kerkmuzikale werken, maar bleef nog vanaf 1855 compositielessen volgen bij Simon Sechter en Otto Kitzler. In 1863 had hij een studiesymfonie geschreven, maar die kon als ‘Schularbeit’ zijn eigen goedkeuring niet wegdragen. De ‘officiële’ Eerste symfonie, die in april 1866 geheel op papier stond, leek aanvankelijk nauwelijks levensvatbaar.

  • Anton Bruckner in zijn jongere jaren

Bruckner stuurde een afschrift van de naar Wenen, maar kreeg dat zonder commentaar terug. In mei 1868 wist hij de symfonie (in de zogenaamde ‘Linzer Fassung’) met een ad hoc orkest uit te voeren in Linz, maar er kwam weinig publiek luisteren en de pers besteedde er nauwelijks aandacht aan. Bruckner bleef zelf in zijn officiële symfonische eersteling geloven. In de jaren die volgden bracht hij er af en toe wijzigingen in aan en in 1890 – hij had toen al zeven symfonieën op zijn naam staan – begon hij met een grondige revisie. Een jaar later droeg Bruckner de nieuwe ‘Wiener Fassung’ op aan de Weense universiteit die hem een eredoctoraat had verleend. In december 1891 klonk deze herziene symfonie voor het eerst onder leiding van Hans Richter. 

Bruckner noemde zijn Eerste zelf – in het Oostenrijkse dialect dat hij bezigde – ‘’s kecke Beserl’, dat wel vertaald is als ‘het brutale meisje’, of als ‘kwajongen’. Anders dan bij de meeste andere symfonieën valt Bruckner in zijn Eerste met de deur in huis. Het trotse, achtige en ritmische zal voor een groot deel het openingsdeel bepalen. ‘Wie kan zelfs na een keer horen het scherp afgetekende, echt symfonische en tegelijkertijd Bruckneriaanse thema vergeten, waarmee het eerste deel begint?’, schreef Theodor Helm, een Weense criticus, in 1891. Het tweede thema presenteert Bruckner op een meer kamermuzikale manier in de eerste en tweede violen. In het derde thema laat het koper van zich horen. Dat dit thema doet denken aan Wagners Tannhäuser is niet verwonderlijk: Kitzler had Bruckner in 1863 kennis laten maken met dit muziektheater. Al in deze Eerste symfonie is goed te horen dat Bruckner zich in ’s als een vis in het water voelt. In het zwaarmoedige tweede deel duurt het zo’n twintig, harmonisch spannende maten voordat de duidelijk is. Centraal in dit deel staat een ; volgens dirigent Richter moet Bruckner zeer verliefd geweest zijn toen hij deze passage schreef, iets wat door de componist niet werd ontkend. ‘Een diepgaander, belangrijker Adagio is sinds Beethoven niet geschreven’, meende Helm in 1891. Het derde deel is een vrij conventioneel ; het was het enige deel dat bij de première in Linz in de smaak viel. Toen Bruckner zich in 1865 aan deze symfonie zette, schreef hij eerst de Finale. Misschien had de componist vooral bij dit deel een brutaal meisje voor ogen. In het stoutmoedige deel laat hij, meer dan in zijn andere symfonieën, zijn fantasie de vrije loop. Terugkijkend op zijn Eerste symfonie schreef Bruckner zelf: ‘Zo koen en trots ben ik nooit meer geweest, ik componeerde toen als een verliefde nar; ik wierp de hele wereld de handschoen toe; zo heb ik nooit meer geschreven.’ De eerste keer dat Willem Mengelberg bij het Concertgebouworkest deze symfonie op de lessenaars zette was in januari 1919. Recensent Matthijs Vermeulen noteerde destijds: ‘Reeds in deze Eerste bevrijdde hij [Bruckner] het idee ‘symphonie’ van tientallen academismen en vakmatige beperkingen, reeds in deze Eerste baande hij den weg voor Mahler.’

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Vladimir Jurowski, dirigent

Vladimir Jurowski wordt geprezen om zijn avontuurlijke artistieke koers. Hij studeerde aan het conservatorium in zijn geboortestad Moskou en voltooide zijn studie in Dresden en Berlijn. In 1995 maakte hij zijn internationale debuut op het Wexford Festival (met Rimski-Korsakovs Meinacht), meteen gevolgd door een productie van Verdi’s Nabucco in het Royal House Covent Garden in Londen.

Vladimir Jurowski is chef- en artistiek directeur van het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin (sinds 2017), muziekdirecteur van de Bayerische Staastoper in München (sinds 2021) en conductor emeritus van het London Philharmonic Orchestra, waar hij van 2007 tot en met 2021 aan het roer stond. Ook is hij principal artist van het Orchestra of the Age of Enlightenment.

Voorheen was hij chef-dirigent van de Komische Oper Berlin (1997-2000) en artistiek leider van de Glyndebourne ­Festival O­pera (2001-2013) en stond hij aan het roer van het Russisch Staats Sy­mfonieorkest en het George Enescu Festival. Hij is regelmatig te gast bij orkesten als de Wiener Philharmoniker, de Berliner Philharmoniker, de New York Philharmonic, het Chicago Symphony Orchestra, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Gewandhausorchester Leipzig. Als zeer actief dirigent oogstte hij in München successen met onder meer StraussDer Rosenkavalier, De neus van Sjostakovitsj en Penderecki’s Die Teufel von Loudun.

Bij het Concertgebouworkest maakte Vladimir Jurowski zijn debuut in 2006. In 2014 leidde hij onder meer de wereld­première van Michel van der Aa’s Vioolconcert met Janine Jansen als soliste. In juni 2019 dirigeerde hij werken van Birtwistle, Debussy, Messiaen en Ravel.