Víkingur Ólafsson speelt Grieg, Dénève leidt Rachmaninoffs Symfonische dansen
Víkingur Ólafsson piano
St. Louis Symphony Orchestra
Stéphane Denève dirigent
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.
Ook interessant:
- Wat zeggen de noten van Rachmaninoffs Symfonische dansen?
- Een postuum interview met Serge Rachmaninoff
- Lees hier meer artikelen over Serge Rachmaninoff
- Interview met Víkingur Ólafsson van februari 2022
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Uit ‘De liefde voor de drie sinaasappelen’, op. 33bis
(1919, première Chicago 1921, suite 1924)
De clown
De magiër Chelio en de heks Fata Morgana spelen kaart
Mars
Scherzo
De prins en prinses
De vlucht
Edvard Grieg (1843-1907)
Pianoconcert in a kl.t., op. 16 (1868, herzien 1907)
Allegro molto moderato
Adagio
Allegro moderato molto e marcato
pauze ± 21.00 uur
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Symfonische dansen, op. 45 (1940)
Non allegro
Andante con moto (Tempo di valse)
Lento assai – Allegro vivace
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Sergej Prokofjev 1891-1953
De liefde voor de drie sinaasappelen
Door Michiel Cleij
De liefde voor de drie sinaasappelen is gebaseerd op een achttiende-eeuws toneelstuk van de Venetiaan Carlo Gozzi. Sergej Prokofjev kreeg het toneelstuk aangereikt van de Moskouse theaterdirecteur Vsevolod Meyerhold, die het aanvankelijk aan Richard Strauss had willen aanbieden, maar uiteindelijk besloot dat die ‘smakeloze’ muziek schreef. Een gemiste kans, want Strauss had wel raad geweten met het kakelbonte verhaal (over hofintriges en zwarte magie).
Prokofjev, die het materiaal gebruikte voor een opdracht van de Chicago Company, maakte er een muzikaal maskerspel van dat alle kolder, tovenarij en exotiek weergeeft met scherpe lijnen die voor een romanticus als Strauss ondenkbaar zouden zijn geweest. Soms doet het klankbeeld Russisch aan, soms Italiaans (in de vlinderachtige strijkerstutti van De vlucht), en soms zelfs jazzy. In de zesdelige is die cartooneske benadering nog veel duidelijker dan in de complete opera. In het eerste deeltje kondigt ‘het publiek’ (bestaande uit theatrale archetypen als ‘excentriekelingen’, ‘tragici’, ‘komedianten’ en ‘leeghoofden’) het toneelspel aan – en vanaf dat moment razen de karikaturen voorbij, met al hun kennelijke magie, pseudoheroïek en quasiserieuze romances. De liefde voor de drie sinaasappelen was Prokofjevs enige opera die meteen (en blijvend) een onverdeeld succes was.
Edvard Grieg 1843-1907
Pianoconcert
Door Michiel Cleij
Edvard Grieg zette Noorwegen op de muzikale kaart. Hij liet zich inspireren door de inheemse cultuur en tradities, legde daarmee het nationale DNA bloot en vestigde internationaal aandacht op een land dat tot dan toe een randgebied was. Behalve een pionier was Grieg een romanticus, door zijn Duitse scholing en zijn verknochtheid aan – vooral – Robert Schumann. en ‘het volkstümliche’ gaan bij hem gewoonlijk hand in hand.
Maar Grieg is net zo min een standaardnationalist als een doorsnee-romanticus, of een Schumann-volgeling. Allereerst is het Noorse gehalte van zijn muziek niet zo simpel aan te wijzen; toespelingen op volksmuziek – het stokpaardje van bijna elke ‘nationale componist’ – ontbreken in veel van zijn werken. Evenzo kun je Griegs Pianoconcert (1868) maar tot op zekere hoogte met dat van Schumann (1841-45) vergelijken, ondanks de overeenkomsten in en k. Wat onderscheidt Grieg van zijn tijdgenoten en (Duitse) wegbereiders?
‘Wildheid’ – zo noemde de Noorse Bjarte Engeset het ooit. Deze hedendaagse Grieg-autoriteit trekt een rechte lijn tussen de Noorse natuur en de abrupte wendingen en compacte melodische frasen in Griegs muziek. Zo heeft de overrompelende roffel waarmee het Pianoconcert in a klein begint een ‘oerknal-effect’, aldus Engeset, dat vooruitloopt op het ‘barbaristische’ natuurgeweld van Igor Stravinsky’s Le sacre du printemps – een gewaagde, maar interessante visie. Het is een feit dat Griegs oeuvre het stelt zonder het dramatische gepsychologiseer waarmee Schumann zijn romantische kunstenaarschap invulde – waar Schumann zijn zielenroerselen presenteerde als een titanengevecht, of een innerlijke tweestrijd tussen zijn alter ego’s Florestan en Eusebius, was Grieg gewoon verliefd, of gefascineerd door de aanblik van een machtige waterval. Opmerkelijk is ook dat Claude Debussy Griegs Pianoconcert ‘grof en onsamenhangend’ vond. Debussy was zelf een gevoelig componist die ‘de natuur en haar verborgen geheimen’ wilde weergeven, maar dat moest dan wel op een geraffineerde, gestileerde, gecultiveerde manier die hij bij Grieg kennelijk miste.
Als Liszt zijn zegen over een nieuwkomer uitsprak, hoefde die nauwelijks nog aan zichzelf te twijfelen.
Grieg komt hoe dan ook uit de bus als een technisch bekwaam componist met een spontane, eigenzinnige taal – al vanaf het Pianoconcert dat hij als vijfentwintigjarige componeerde. Bij de première in 1869 was hij zelf niet aanwezig, maar de solist Edmund Neupert deed hem per brief verslag van ‘een overweldigend succes. De drie meest gevreesde critici – Niels Gade, Anton Rubinstein en Johan Hartmann – applaudisseerden staande, razend enthousiast.’ Dat succes moet voor Grieg een geruststelling zijn geweest, maar nauwelijks een verrassing. Al vóór de première had Franz Liszt het werk geprezen als ‘fameus en authentiek’. En voor jonge musici, waar dan ook in Europa, was Liszt nu eenmaal een idool; als die zijn zegen over een nieuwkomer uitsprak, hoefde die nauwelijks nog aan zichzelf te twijfelen.
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Symfonische dansen
Door Michiel Cleij
Een Russische componist die opgroeit in de traditie van Tsjaikovski en vijftig jaar later – na een gedwongen emigratie naar de Verenigde Staten, oorlogen en extreme modernisering van de muziekcultuur – nog steeds in datzelfde romantische idioom componeert: is dat tragisch? Of juist een bewijs van trots en onwrikbaarheid? Als je Rachmaninoffs muziek hoort, is het beide. Al in zijn vroegste werken hoor je dat hopeloos smachtende, verlangende, zwelgende van de Russische . Maar zijn symfonieën en concerten hebben ook altijd een opzwepend, vitaal slot: optimisme wint het uiteindelijk van tegenslag. Aan noodlottigheden heeft het Rachmaninoff nooit ontbroken. Een vader die het familiekapitaal verbraste, een jong gestorven zusje, daarna langdurige miskenning van zijn compositorisch talent, revolutie, oorlog – al die omstandigheden dreven hem van de ene woonplaats naar de andere, steeds verder van zijn Russische oorsprong. En ondanks al die verhuizingen, eindigend in Beverly Hills, bleef zijn muziek altijd zeer Russisch en zeer negentiende-eeuws.
Ook in de Symfonische dansen uit 1940 – zijn laatste werk – ontbreekt het geenszins aan Russische melancholie, ook al woonde Rachmaninoff toen al jaren in Amerika. Typerend is het commentaar dat hij achteraf gaf: ‘Het stuk zou eigenlijk gewoon Dansen heten, maar ik wilde de indruk vermijden dat ik dansmuziek voor jazzorkest had geschreven.’ Het had gekund; in zijn Vierde pianoconcert uit 1926 zitten bigband-effecten die zijn liefde voor jazz verraden. Daarvan is hier geen spoor. Deze dansen zijn te onvoorspelbaar en te grillig voor een dansvloer. Zelfs de tweede, gebaseerd op een ritme, volgt geen bestaand patroon. Ze klinken ook lang niet altijd uitbundig, al wordt de weemoedige onderstroom vaak gemaskeerd door gloedvolle, energieke uitbarstingen.
Hoogtepunt is het slotdeel, dat de voortdurend aan heimwee lijdende componist van autobiografische trekjes voorzag. Overal in zijn oeuvre – al vanaf zijn vroegste composities – citeerde Rachmaninoff het e , een dreigende , traditioneel geassocieerd met de Dag des Oordeels, die hij tot een soort handtekening maakte. Hier is dat Dies irae de stuwende kracht achter het hele deel, zeer hoorbaar in de xylofoonpartij. Daarnaast citeert Rachmaninoff vlak voor het slot ook een indringende passage uit zijn eigen Russisch-orthodoxe koorwerk All-Night Vigil. Het is muziek van een doorgewinterde, oude, oer-nostalgische componist die met een aangrijpende slagkracht nog éénmaal zijn demonen uitbant. ‘Ik denk dat dit mijn beste werk is’, zei hij na voltooiing. En in de noteerde hij onder de slotmaten: ‘Ik dank U, Heer.’
Kirill Kondrashin zette het werk op 19 november 1976 als eerste op de lessenaar bij het Concertgebouworkest. De laatste uitvoering werd op 13 mei 2016 geleid door Semyon Bychkov.
Biografie
Víkingur Ólafsson, piano
Víkingur Ólafsson studeerde aan de Juilliard School in New York bij Jerome Lowenthal en Robert McDonald. Zijn vaak conceptuele solo-albums – bijvoorbeeld Debussy Rameau (2020), Mozart & Contemporaries (2021), From Afar (2022) – leverden al meer dan een miljard streams op.
Na een wereldtournee in 2023/2024 met negentig uitvoeringen van Bachs Goldberg-variaties won Víkingur Ólafsson met zijn opname daarvan in 2025 een Grammy in de categorie Best Classical Instrumental Solo.
Andere belangrijke onderscheidingen zijn de Rolf Schock Music Prize, de Orde van de Valk (de IJslandse ridderorde) en de Icelandic Export Award, en zowel bij Gramophone als bij Musical America was hij ‘artist of the year’. Afgelopen seizoen was de IJslandse pianist artist in residence bij de Tonhalle Zürich en de Royal Stockholm Philharmonic, en focusartiest bij de Wiener Musikverein. Bovendien tourde hij met The Cleveland Orchestra en het London Philharmonic Orchestra, was hij met de Berliner Philharmoniker te gast op de BBC Proms en keerde hij terug bij de New York Philharmonic. Ook bundelde hij zijn krachten met Yuja Wang voor duorecitals in Europa en Noord-Amerika.
In januari van dit jaar verzorgde Víkingur Ólafsson met het San Francisco Symphony Orchestra de wereldpremière van het pianoconcert After the Fall, dat John Adams voor hem componeerde, en afgelopen voorjaar tourde hij in de Verenigde Staten en Europa met een nieuw solorecital rondom Beethovens 109. Víkingur Ólafssons vorige optreden in Het Concertgebouw was op 28 maart 2023 in het Pianoconcert van Grieg met het St. Louis Symphony Orchestra onder leiding van Stéphane Denève.
Stéphane Denève, dirigent
Stéphane Denève is music director van het St. Louis Symphony Orchestra, artistiek leider van de New World Symphony in Miami, en sinds 2023 vaste gastdirigent van het Radio Filharmonisch Orkest. In recente jaren was hij eerste gastdirigent van The Philadelphia Orchestra en chef- van de Brussels Philharmonic, en voorheen stond hij aan het roer van het Radio-Sinfonieorchester Stuttgart en het Royal Scottish National Orchestra.
Als gastdirigent stond Stéphane Denève voor de Wiener Symphoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra, de en van Boston en Chicago en The Cleveland Orchestra. producties leidde hij in Amsterdam, Londen, Parijs, Milaan, Berlijn, Madrid en Brussel en tijdens de festivals van Matsumoto en Glyndebourne.
Stéphane Denève heeft bijzondere affiniteit met de muziek van zijn geboorteland Frankrijk en is mede via zijn directeurschap van het Centre for Future Orchestral Repertoire (CffOR) een pleitbezorger van hedendaags repertoire. Na zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest met Frank Martins Golgotha in 2013 keerde hij meerdere malen terug. Zo leidde hij in september 2018 Honeggers opera- Jeanne d’Arc au bûcher, waarvan de cd-opname op RCO Live internationaal hoog geprezen werd. In 2019 leidde hij het orkest in Debussy’s Pelléas et Mélisande bij De Nederlandse Opera.
Stéphane Denève werd geboren in het Noord-Franse Tourcoing. Hij studeerde af aan het conservatorium van Parijs en werkte al vroeg in zijn carrière met en als Georg Solti, Georges Prêtre en Seiji Ozawa.
St. Louis Symphony Orchestra
Opgericht in 1880 – door Joseph Otten als St. Louis Choral Society – is het St. Louis Symphony Orchestra het op één na oudste orkest van de Verenigde Staten. Sinds september 2019 is de Fransman Stéphane Denève chef- van het gezelschap, en samen staan zij niet alleen voor artistieke kwaliteit maar ook voor een sterke verbinding met de gemeenschap en een grote inzet voor muziekeducatie.
De organisatie omvat naast het orkest twee koren: het St. Louis Symphony Chorus (sinds 1976, voor het grote repertoire van de tot nu) en het St. Louis Symphony IN UNISON Chorus (sinds 1994, voor het uitvoeren en behouden van ‘black musical expression’.
Het St. Louis Symphony Youth Orchestra, in 1970 opgericht door de tegenwoordige eredirigent Leonard Slatkin, is in de regio een belangrijk opleidingsinstituut. Thuisbasis van het St. Louis Symphony Orchestra is al meer dan vijftig jaar de historische Powell Hall, en de orkestleden laten ook van zich horen op andere plekken in de stad zoals in ziekenhuizen, kerken en scholen. Bovendien is het orkest vaste begeleider van de producties van het plaatselijke huis.
Voor zijn discografie kreeg het orkest verschillende Grammy Awards en ook via geregelde radio-uitzendingen, concertstreams en nationale en internationale tournees bereikt het een groot publiek. Het St. Louis Symphony Orchestra was eerder te gast in november 1993 onder leiding van Leonard Slatkin en in oktober 1998 onder leiding van Hans Vonk.




