Van Baerle Trio Met Henze, Tsjaikovski en Beethoven

Spotlight op Hannes Minnaar | Pianotrio’s 20.15 uur

Van Baerle Trio:
Hannes Minnaar piano
Maria Milstein viool
Gideon den Herder cello

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Pianotrio in c kl.t., op. 1 nr. 3 (1794-95)
Allegro con brio
Andante cantabile con variazioni
Menuetto: Quasi allegro – Trio
Finale: Prestissimo

 

Hans Werner Henze 1926-2012

Kammersonate (1948/1963)
voor pianotrio
Allegro assai
Dolce, con tenerezza
Lento
Allegretto
Epilogo

pauze

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Pianotrio in a kl.t., op. 50 (1881-82)
Pezzo elegiaco
Tema con variazione – Variazoni, Finale e Coda 

begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

pianotrio

tekst: Christiane Schima

Had het aan zijn leraar Joseph Haydn gelegen dan zouden Ludwig van Beethovens drie ’s 1, en zeker het doorwrochte laatste in c klein, niet zo gauw na hun ontstaan in druk verschenen zijn. Volgens Ferdinand Ries, Beethovens leerling, vriend en biograaf, had Haydn de publicatie ervan afgeraden: hij vond de werken te gewaagd.

Maar de reeds in het compositiejaar 1795 bij Artaria in druk verschenen ’s vonden een snelle verspreiding. Fürst Karl von Lichnow­sky, één van Beethovens Weense mecenassen aan wie de trio’s zijn opgedragen, nam de drukkosten op zich.

Haydns bedenkingen lijken achteraf begrijpelijk. Vooral het derde , het  in c klein, 1 nr. 3 dat vandaag klinkt, vertoont kenmerken die als typerend kunnen worden beschouwd voor Beethovens latere stijl: de rigoureuze doorwerkingsgedachte en het afzien van ornamentele bijzaken; de spookachtig-titanische kracht en de pathetische expressie waarmee de componist het materiaal in een geconcentreerde dramatische vorm dwingt.

Reeds in de expositie van het eerste deel con brio staan het stuwende eerste en het e tweede thema in nauw verband met elkaar. Ieder muzikaal detail lijkt thematisch. Na minder zwaarwichtige middendelen – een als variatiedeel geconcipieerd cantabile en het luchtige to – volgt de virtuoze Finale: prestissimo. Daarin leeft de pianist Beethoven, die in dit triowerk het klavier de hoofdrol heeft toebedeeld, zich uit.

Hans Werner Henze 1926-2012

kammersonate

Na de Tweede Wereldoorlog werd Hans Werner Henze door de serialisten als ‘neoclassicist’ verguisd. Henze wilde zich niet uitsluitend met seriële rekenmethodes bezighouden, niet ‘afzien van wat de eeuwen ons toespelen’. In 1953 keerde hij het kille naoorlogse Duitsland de rug toe om zich voorgoed in Italië te vestigen. In Goethes ‘Land wo die Zitronen blüh’n’ kon hij zichzelf artistiek verwezenlijken. Veel ’s getuigen van zijn voorliefde voor een weelderige, haast aandoende klankstijl.

Door politiek geëngageerde werken, waarin zich zijn communistische overtuigingen en sympathie voor de studentenbeweging manifesteren, werd Henze nog meer het mikpunt van kritiek van het westerse muzikale establishment.

Toen het een doodlopende weg bleek te zijn en de grenzen tussen Oost en West begonnen af te brokkelen werd Henze gerehabiliteerd. Door compositieopdrachten van het Koninklijk Concertgebouworkest was hij ook regelmatig te gast in Amsterdam. De componist overleed in 2012 op 85-jarige leeftijd in zijn villa in het ten zuiden van Rome gelegen Marino.

Henzes vroege Kammersonate uit 1948 is gestoeld op zowel klassieke vormen als avant-gardistische elementen die ontleend zijn aan Schönbergs twaalftoonstechniek. Artistiek gezien een compromis, want na zijn vertrek naar Italië was de componist minder bang om terug te grijpen op traditionele stijlen. Het uit een twaalftoonsreeks opgebouwde melodische in het eerste deel assai valt in de volgende delen steeds meer uit elkaar en is dan nauwelijks meer herkenbaar. Het keert pas in de (in 1963 toegevoegde) epiloog als vluchtige herinnering terug.

Wat de luisteraar vooral waarneemt zijn de karakters van de delen die overeenkomen met bekende klassieke voorbeelden: op een -achtig openingsdeel volgen een dromerig Dolce, con tenerezza, een somber Lento en een lichtvoetig Allegretto. Ook door het gebruik van vrij-tonale (atonale) en tonale klanken refereert Henze bewust aan de traditie. Zo wekt het dramatische es-klein-­ in de inleiding van het Lento associaties met het pathetische ‘misterioso’ van menig langzaam deel van Beethoven. 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

pianotrio

Toen Pjotr Iljitsj Tsjaikovski zijn in a klein, 50 componeerde was de ­periode van artistieke twijfels, van financiële onzekerheid en psychische conflicten in verband met zijn homoseksualiteit voorbij. In 1881-82 bracht de componist de meeste tijd in het buitenland door en vierde daar successen die hem ook in zijn Russische vaderland populairder maakten.

Uit Tsjaikovski’s gehele ­oeuvre – ook uit zijn enige pianotrio – blijkt dat hij zich oriënteerde op Europese klassiek-­romantische stijlen, die hij uiteraard naar zijn hand zette. Een historische kanttekening: in sommige Russisch-nationalistische kringen werd hem verweten meer een Europeaan dan een echte Rus te zijn. Maar Tsjaikovski was in eerste instantie componist.  

Het , 50 met de ondertitel ‘in memoriam aan een groot artiest’, is een eerbetoon aan een in 1881 overleden vriend, de pianist, en in kunstenaarskringen als bon vivant geldende Nicolaj Rubinstein. In het werk overheerst een toon van melancholie.

De compositie bestaat uit een dramatisch deel (Pezzo elegiaco) met als introductie een weemoedige melodie, en een uitgebreid variatiedeel. In beide delen duikt een treurmars- op dat tenslotte in de alles samenvattende laatste variatie (Variazioni, Finale e ) terugkeert.

Compositorisch vertoont het werk raakvlakken met allerlei traditionele stijlen: het variatiedeel herinnert met zijn contrasterende episoden en stemmingswisselingen aan de romantische pianocycli van Robert Schumann. In variatiedeel VIII refereert Tsjaikovski aan de techniek van Johann Sebastian Bach. Het gehele pianotrio bezit mede door zijn weelderige pianopartij een orkestrale allure.

Biografie

Van Baerle Trio, trio

De musici van het Van Baerle leerden elkaar kennen in 2004 op het Amsterdamse conservatorium, destijds gevestigd aan de Van Baerlestraat op een steenworp afstand van Het Concertgebouw. Het kreeg vorm onder de hoede van cellist Dmitri Ferschtman en volgde lessen bij de pianisten Ferenc Rados en Claus-Christian Schuster, mede-­oprichter van het Altenberg Trio. Een masterclass bij Menahem Pressler – de nestor van het Beaux Arts Trio – in de in 2008 was een grote bron van inspiratie.

In 2011 won het Van Baerle zowel het Vriendenkrans Concours als het Internationale Kamermuziek Concours in Lyon. In 2012 ontving het de Kersjesprijs en in 2013 won het het ARD Concours in München. In seizoen 2013/2014 tourde het drietal als Rising Stars van de European Concert Hall Organisation; deze gezamenlijke nominatie van Het Concertgebouw en Bozar (Brussel) maakte debuten mogelijk op de bekendste Europese podia.

De debuut-cd met werken van Saint-Saëns, Ravel en Loevendie werd in 2013 bekroond met een Edison. Hierna bracht het Van Baerle Trio een Mendelssohn-album uit, en de verzamelde werken voor van Beethoven inclusief het Tripel­concert met het Residentie Orkest onder ­leiding van Jan Willem de Vriend. Maria Milstein bespeelt een viool van Michel Angelo Bergonzi en Gideon den Herder een van Giuseppe dall’Aglio, beide in bruikleen van Het Muziekinstrumentenfonds.

Sinds 2014 geven de leden van het Van Baerle Trio hun ervaring door aan een volgende generatie musici aan het ­Conservatorium van Amsterdam. Het vorige optreden van het Van Baerle Trio in de was een programma met Beethoven, Liszt en Saint-Saëns ­tijdens de VriendenLoterij ZomerConcerten 2024.