Valery Gergiev en de Münchner Philharmoniker: Bruckner

Münchner Philharmoniker
Valery Gergiev dirigent
Daniel Lozakovitsj viool

Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door ABN AMRO.

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Vioolconcert in D gr.t., op. 61 (1806)
Allegro ma non troppo
Larghetto
Rondo: Allegro

pauze ± 21.00 uur

Anton Bruckner (1824-1896)

Zevende symfonie in E gr.t. (1881-83)
Allegro moderato
Adagio: Sehr feierlich und sehr langsam – Moderato – Tempo primo
Scherzo: Sehr schnell – Trio: Etwas langsamer
Finale: Bewegt, doch nicht schnell

einde ± 22.30 uur

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Vioolconcert

Door Frits de Haen

Ludwig van Beethoven liet weinig werken voor viool en orkest na: een vroeg vioolconcert maakte hij waarschijnlijk nooit af en verder schreef hij kortere werken (twee ­Romanzen), of werken voor viool in combinatie met andere soloinstrumen­ten (het Tripelconcert).

Toch moet Beethovens enige volwaardige vioolconcert in korte tijd zijn voltooid. Het was bestemd voor Franz Clement (1780-1842). Deze tien jaar jongere tijdgenoot had als wonderkind overal tri­omfen gevierd. Toen de violist als veertienjarige een concertreis ondernam naar Londen en Oxford, schreef Beethoven hem: ‘Beste Clement, ga door op de weg die je tot nog toe zo overtuigend en glorieus bewandeld hebt. Natuur en kunst wedijveren om jou tot een van de grootste artiesten te maken. Volg ze beide en je hoeft niet bang te zijn dat je mislukt in het bereiken van het hoge, het hoogste doel dat een artiest op aarde kan ambiëren. Wees gelukkig, dierbare jonge vriend, en kom spoedig terug opdat ik je verrukkelijke en uitstekende spel weer mag horen.’

Clement keerde inderdaad terug; vanaf 1802 werkte hij als in het Weense Theater an der Wien. Hoewel Beethoven zijn Vioolconcert in D groot later opdroeg aan zijn jeugdvriend Stephan von Breuning, betitelde hij het oorspronkelijk als ‘Concerto per la Clemenza pour Clement, primo violino e direttore al theatro a Vienne dal L. v. Bthvn, 1806’.

  • Ludwig van Beethoven

Bij de première dwong Clement niet alleen respect af door het concert nagenoeg à prima vista te spelen (dat moest ook wel, de inkt was nog nat), maar ook door de huzarenstukjes die hij uithaalde: hij nam de vrijheid een van zijn eigen hand te spelen tussen het eerste en tweede deel van Beethovens concert en deed dat ‘mit umggekehrter Violine’.

De reacties waren zuinig: de Wiener Theaterzeitung erkende dat het publiek het Vioolconcert ‘omwille van zijn originaliteit en veelvuldige mooie passages’ verwelkomde met buitengewone bijval, maar tekende wel aan dat naar het oordeel van kenners ‘de gehele samenhang vaak helemaal ontbrak en de eindeloze herhalingen van enkele triviale fragmenten gemakkelijk vermoeien kon’.

Het heeft inderdaad een tijdje geduurd voordat iedereen overtuigd raakte van de kwaliteiten van het Vioolconcert. Ondanks incidentele uitvoeringen zou pas jaren later een ander wonderkind de aanzet geven tot een hernieuwde belangstelling: in 1844 speelde de dertienjarige Joseph Joachim het concert onder Felix Mendelssohn. Joachim hield het op zijn repertoire (hij voerde het ook onder Robert Schumann uit) en lijfde Beethovens Vioolconcert daarmee definitief in het ijzeren repertoire in.

Met Franz Clement liep het minder goed af: na allerlei tournees stierf hij in 1842 in behoeftige omstandigheden.

Anton Bruckner 1824-1896

Bruckner: Zevende symfonie

Door Jos van der Zanden

‘Ja mijnheer, het heb ik inderdaad geschreven naar aanleiding van het overlijden van die grote onvervangbare meester. Deels was het voorgevoel, deels echte treurmuziek bij die catastrofe.’ Anton Bruckner liep naar de piano en speelde een in C groot gevolgd door een diminuendo, uitroepend: ‘Kijk, precies tot hier was ik gekomen toen op het conservatorium het noodlottige bericht uit Venetië binnenkwam. Janken moest ik, o ja wat heb ik gehuild! Pas daarna kon ik me ertoe zetten om voor de meester echte treurmuziek te componeren.’

Met deze anekdote bevestigde Theodor Helm in 1894 dat Bruckner zich bij het componeren van het Adagio van zijn Zevende symfonie liet leiden door emoties bij het bericht dat zijn idool Richard Wagner was gestorven. Toen hij bij machte was verder te componeren besloot hij tot een postuum eerbetoon: op een fortissimo hoogtepunt in C groot liet hij een ingetogen, -achtige klaagzang volgen. Met de van dit lamento verwees hij eveneens naar Wagner, middels vier zogenoemde Wagnertuba’s, instrumenten die Wagner enkele jaren tevoren had laten ontwerpen voor zijn Der Ring des Nibelungen. De klank houdt het midden tussen die van een en een trombone.

  • Anton Bruckner

Wat betreft dat voorgevoel van Bruckner – het lijkt erop dat we dat met een korreltje zout moeten nemen. Al betitelde hij het met ‘Todesklage’, het grootse deel van het tweede deel heeft niets met de dood, laat staan met die van Wagner uit te staan. De opening is weliswaar ingetogen, maar er is wel degelijk ook zonneschijn. Zoals het e tweede , een breed, lieflijk gezang in de strijkers dat eerder associaties oproept met Oostenrijkse natuurpracht dan met smart.

De doods­tijding is te horen een minuut of vier voor het eind van dit ongeveer tweeëntwintig minuten durende deel, na een tutti climax en het hoofdthema dat nazoemt in de fluiten. Dan zetten de Wagnertuba’s in, statig en pregnant. Ze nemen het thema van de fluiten over en moduleren verrassend naar een smartelijk cis klein. De stemming slaat om en het tweede thema krijgt geen kans meer om zich te ontplooien. Vanaf hier heerst de dood.

De overige delen zijn minder dramatisch. Het openingsdeel is gebouwd op een heerlijk lange, romantische die aan het eind de hoofdtoonsoort verlaat, waardoor een harmonische spanning wordt gecreëerd die pas laat weer wordt opgelost. Daarin ligt Bruckners meesterschap: in vooruitschuiven en uitstellen, in het met brede gebaren continueren van melodische en harmonische spanning.

  • Anton Bruckner

Het is nagenoeg monothematisch. Het verstilde is als een eiland van rust te midden van zoveel orkestraal geweld. De Finale is gebouwd op een dat het openingsdeel weer in herinnering roept. De cyclische neigingen worden onderstreept met de terugkeer van het Wagnertuba-thema.

Met drieëndertig uitvoeringen tijdens zijn leven vormde deze Zevende symfonie voor Bruckner het hoogtepunt van zijn symfonische oeuvre. Nooit eerder had hij na afloop van een première zo kunnen genieten van een dankbaar en enthousiast publiek en een welwillende pers. Aan de wieg van dit succes stond Arthur Nikisch, een jonge die deze Zevende op 30 december 1884 in het Stadttheater in Leipzig ten doop hield. ‘Duizendmaal wil ik je omhelzen, je bent de bron van mijn geluk, hartelijk bedankt!’, schreef Bruckner hem.

Biografie

Daniel Lozakovich, viool

Daniel Lozakovich maakte op zijn achtste zijn solisten­debuut bij de Moscow Virtuosi en ­tekende op zijn vijftiende bij Deutsche ­Grammophon. Hij studeerde in 2021 af in Karlsruhe bij Josef Rissin, en sinds 2015 is Eduard Wulfson (Genève) zijn mentor.

Hij speelde met het Boston Symphony Orchestra op het Tanglewood Festival en met het BBC Symphony Orchestra op de BBC Proms, was artist in residence van het Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo, soleerde bij de Filarmonica della Scala in Milaan onder chef- ­Riccardo Chailly en had ­engagementen in Seoul en Singapore.

Eerder werd Daniel Lozakovich uitgenodigd door de grote en in de ­Verenigde Staten. Kamermuziek speelde hij in het Théâtre des Champs-Élysées en de ­Fondation Louis Vuitton in Parijs, de Tonhalle Zürich, de Elbphilharmonie in Hamburg en het Wiener Konzerthaus en tijdens de festivals van Verbier, Gstaad, Sint-­Petersburg (Witte Nachten) en Sapporo. Hij deelde het podium met Emanuel Ax, Ivry Gitlis, Mikhail Pletnev, Sergei Babayan, Martin Fröst en Mischa Maisky.

In Het Concertgebouw debuteerde Daniel Lozakovich op 17 december 2019 met de Münchner Philharmoniker onder Valery Gergiev in het Vioolconcert van Beethoven. Hij keerde sindsdien nog enkele malen terug in de . Op 13 oktober 2022 gaf hij in de een solorecital. Afgelopen maart deelde hij het podium van de Kleine Zaal met pianist ­Alexandre Kantorow. Daniel Lozakovich heeft de ‘ex-­Sancy’-Stradivarius uit 1713 in bruikleen.

Münchner Philharmoniker, orkest

De Münchner Philharmoniker bestaat sinds 1893 en werd opgericht door Franz Kaim, zoon van een pianobouwer. Sinds die tijd is het gezelschap toonaangevend in het muziekleven van zijn thuisstad. Beroemde componisten hoorden hun werk bij het orkest in première gaan; zo dirigeerde Gustav Mahler er ­eerste uitvoeringen van zijn Vierde (1901) en Achtste symfonie (1910). In 1911 verzorgde het orkest onder leiding van Bruno Walter de wereldpremière van Mahlers Das von der Erde.

In de loop der jaren stond de Münchner Philharmoniker onder leiding van een reeks chef-en van naam, onder wie Felix Weingärtner, Ferdinand Löwe (een leerling van Bruckner die de rijke ­Brucknertraditie van het orkest in 1898 inzette), Hans Rosbaud, Sergiu Celibidache, James Levine, Lorin Maazel, Christian Thielemann en Valery Gergiev (2015-2022).

Ere­dirigent is sinds 2004 Zubin Mehta, en de nieuwe chef-­dirigent per seizoen 2026/2027 is Lahav Shani. Naast de vele reguliere concerten presenteert de Münchner Philharmoniker onder de noemer ‘Spielfeld Klassik’ een uitgebreid educatief programma, en sinds 1997 runt het orkest zijn eigen orkestacademie. In oktober 2021 werd de nieuwe thuiszaal, de Isarphilharmonie, feestelijk geopend.

Het vorige optreden van de Münchner Philharmoniker in Het Concertgebouw was op 28 februari 2023 met Mahlers Zesde symfonie gedirigeerd door Lorenzo Viotti. De huidige tournee voert langs Toulouse, Amsterdam, Antwerpen en Dortmund.