Twintig jaar Belcea Kwartet!
Belcea Kwartet:
Corina Belcea viool
Axel Schacher viool
Krzysztof Chorzelski altviool
Antoine Lederlin cello
Een gesprek tussen vier verstandige mensen die kunnen luisteren, rustig praten, maar nooit te veel zeggen. Zo omschreef Wolfgang von Goethe ooit het strijkkwartet. Een soort democratie in tonen. Voor componisten geldt het sinds tweehonderdvijftig jaar als het hoogste examen. Het fijnproeversgenre eist immers een perfecte beheersing van het intellectuele en artistieke spel van evenwicht tussen vier stemmen. Van een ideaal midden tussen onafhankelijkheid en samenhang.
Joseph Haydn 1732-1809
Strijkkwartet in G gr.t., op. 77 nr. 1 (1799)
Allegro moderato
Adagio
Menuet: Presto
Finale: Presto
Béla Bartók 1881-1945
Eerste strijkkwartet in a kl.t., Sz. 40, op. 7 (1908-1909)
Lento
Allegretto – (Introduzione) Allegro
Allegro vivace
pauze
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Strijkkwartet in cis kl.t., op. 131 (1826)
Adagio ma non troppo e molto espressivo
Allegro molto vivace
Allegro moderato – Adagio – Più vivace
Andante ma non troppo e molto cantabile
Presto
Adagio quasi un poco andante
Allegro
Toelichting
Joseph Haydn 1732-1809
Strijkkwartet opus 77 nr. 1
Joseph Haydn waagde zich aan zijn eerste proeve met zijn Strijkkwartetten 3 uit 1764, de tijd dat het nieuwe genre langzaam ontkiemde. Vijfendertig jaar later, in 1799, het jaar van zijn laatste strijkkwartetten, was zijn vroegere ‘leerling’ Wolfgang Amadeus Mozart al zo’n acht jaar dood en begon zijn andere kortstondige leerling Ludwig von Beethoven aan zijn eerste kwartetten. Het was de tijd van Haydns beroemdste werken: de laatste van zijn 106 symfonieën, het Die Schöpfung, de Nelson-mis, en ook zijn laatste strijkkwartetten. Na zijn Strijkkwartetten opus 77 kon Haydn met veel moeite nog een half kwartet op papier krijgen, daarom zei hij het genre toen definitief vaarwel. Eigenlijk had hij zijn opus 77 met de gebruikelijke zes stuks zullen vullen, zo was de afspraak met zijn opdrachtgever prins Lobkowitz. Toch bleef het bij twee stuks. Had dat te maken met een andere bestelling van diezelfde prins? Want die had ook Beethoven gevraagd om een serie, nota bene Beethovens eerste zes kwartetten opus 18.
Terwijl Haydn nog aan zijn schetste en schaafde, circuleerden Beethovens geruchtmakende kwartetten al in de Weense huiskamers. Overal klonk bewondering en verbazing om deze totaal nieuwe, onbeteugelde en assertieve muziek. Was Beethoven zijn meerdere geworden? Trok Haydn daarom zijn handen definitief af van het strijkkwartet?
Béla Bartók 1881-1945
Eerste strijkkwartet
De zes verbazingwekkend gevarieerde strijkkwartetten van Béla Bartók zijn ware mijlpalen van het repertoire. En dat terwijl Bartók van huis uit pianist was. Verder bieden de werken doorkijkjes op de verschillende fases in zijn carrière als componist. Het genre omspant nagenoeg zijn hele carrière, met uitzondering van zijn laatste jaren in Amerika, hoewel hij ook daar schetste aan een nooit voltooid zevende strijkkwartet. In zijn jonge jaren had Bartók al geëxperimenteerd, maar pas het stuk dat hij op zijn zevenentwintigste losliet vond hij goed genoeg om te bewaren: het Eerste strijkkwartet. Wel had hij toen al zijn Rapsodie voor piano en orkest (1904) achter de rug, zijn n voor piano en het Eerste vioolconcert (beide 1908), werken waarin naast echo’s van Richard Strauss en Claude Debussy steeds meer Bartóks eigen stem ging doorklinken.
Zo ook in het Eerste strijkkwartet. Daarnaast is goed te horen dat Bartók destijds al twee jaar intensief volksmuziek had verzameld en bestudeerd, bijvoorbeeld aan de ën en de ritmische gedrevenheid. De drie delen gaan zonder onderbreking in elkaar over. Rode draad door het langzame eerste deel is het smachtende beginmotief dat geleidelijk uitgroeit tot een polyfoon lijnenspel, met in het middendeel een dialoog op gang gebracht door de . Het tweede deel lijkt steeds op zoek naar zijn tempo en expressie, al is er houvast van een van herhaalde tonen. Duidelijke invloeden van ritmische volksmuziek zijn er pas in het laatste deel op initiatief van de cello. Maar dat is pas na de inleiding met unisonofiguren en solorecitatieven van de cello en viool. Aan het eind komen alle ideeën in een krachtige samen en besluit het kwartet met een positief .
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Strijkkwartet opus 131
In zijn zestien strijkkwartetten verlegde Ludwig van Beethoven, innovatief als altijd, de grenzen. En dat bij een genre dat zijn hoogtepunt en perfectie allang bereikt leek te hebben bij Haydn en Mozart. Na een pauze van dertien jaar pakte Beethoven in 1823 de draad weer op. Het was prins Nikolaus Galitzin (1794-1866), een fanatieke muziekliefhebber uit Sint-Petersburg en een begaafd cellist, die Beethoven in 1822 daartoe aanspoorde. Volgens Galitzin waren veel liefhebbers van Beethovens muziek sinds zijn volledige doofheid totaal vervreemd van zijn werk, zoals de Klaviersonate, nr. 32 in c klein, 111. Juist daarom nodigde Galitzin Beethoven uit het verwaarloosde strijkkwartet nieuw leven in te blazen.
En inderdaad leverde Beethoven met zijn opus 127, 130, 131 en 132 de laatste toppen van zijn kwartetkunst. Het eerste kwartet liet drie jaar op zich wachten en de eerste uitvoering werd een compleet fiasco. Het instuderen en spelen was geen sinecure geweest voor de spelers onder leiding van Ignaz Schuppanzigh, door Beethoven plagerig Falstaff genoemd. Een tweede poging onder leiding van Joseph Böhm, Beethovens ‘wakkere fiedelaar’, slaagde beter. Beethoven zelf was er niet bij, maar wachtte in een naburige kroeg op het nieuws, dat niet best was: het publiek was zeer kritisch. Zijn Strijkkwartet in cis klein, opus 131 schreef Beethoven in een tijd van grote zorgen om geld en gezondheid. Het werk telt zeven nauw met elkaar verbonden delen, en werd pas uitgegeven na Beethovens dood. Het kwartet betekende veel voor Beethoven, ook al omschreef hij het werk voor zijn uitgever ‘als bij elkaar gestolen van deze en gene.’ Het bestaat uit een meesterlijk tisch eerste deel, een uitgelaten , een ontroerend , een met variaties, een snel scherzo en een duister langzaam deel. Het snelle slotdeel met zijn bruuske brengt uiteindelijk verzoening en citeert het begin van het kwartet.
Clemens Romijn
Biografie
Belcea Quartet
Het Belcea Quartet ontstond in 1994 aan het Royal College of Music in Londen en studeerde bij het Alban Berg Quartet en het Amadeus Quartet. Sinds vorig seizoen worden de Roemeense primarius Corina Belcea, de Poolse altviolist Krzysztof Chorzelski en de Franse cellist Antoine Lederlin vergezeld door de Koreaans-Australische Suyeon Kang (als opvolger van Axel Schacher).
Het repertoire van het Belcea Quartet reikt van de Weense Klassieken tot vandaag: compositieopdrachten worden gegeven vanuit de Belcea Quartet Trust, die niet alleen als doel heeft de strijkkwartetliteratuur uit te breiden maar ook jonge kwartetten te ondersteunen.
De discografie van het Belcea Quartet omvat – onder veel meer – de complete strijkkwartetten van Britten, Bartók, Brahms (Diapason d’Or de l’année 2016) en Beethoven (live). In 2022 verschenen de twee sextetten van Brahms samen met altiste Tabea Zimmermann en cellist Jean-Guihen Queyras.
Van 2017 tot 2020 was het Belcea Quartet ensemble in residence van de Pierre Boulez Saal in Berlijn, en sinds 2010 maakt het vast deel uit van het strijkkwartetaanbod van het Wiener Konzerthaus. Recentelijk was het viertal te beluisteren op de biënnales van Parijs, Lissabon en Amsterdam, in Carnegie Hall in New York, de Elbphilharmonie in Hamburg, Flagey in Brussel, de National Concert Hall in Dublin, de Tonhalle in Zürich en Toppan Hall in Tokio.
In Het Concertgebouw debuteerde het Belcea Quartet in seizoen 1999/2000 als Rising Stars en was het voor het laatst te gast op 29 mei jongstleden, toen het samen met het Quatuor Ébène de strijkoctetten van Mendelssohn en Enescu speelde.
