Trio Zimmermann met dynamische Beethoven

Trio Zimmermann:
Frank Peter Zimmermann viool
Antoine Tamestit altviool
Christian Poltéra cello

Franz Schubert 1797-1828

Strijktrio in Bes gr.t., D 471 (1816)
Allegro
Andante sostenuto


Paul Hindemith 1895-1963

Eerste strijktrio, op. 34 (1924)

Toccata (schnelle Halbe)
Langsam und mit grosser Ruhe
Mässig schnelle Viertel
Fuge (sehr lebhafte Halbe)

Franz Schubert 1797-1828

Strijktrio in Bes gr.t., D 581 (1817)

Allegro moderato
Andante
Menuetto: Allegretto
Rondo: Allegretto

pauze

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Strijktrio in G gr.t., op. 9 nr. 1 (1797-98)

Adagio – Allegro con brio
Adagio ma non tanto e cantabile
Scherzo: Allegro
Presto

Toelichting

Franz Schubert 1797-1828

Strijktrio´s in bes groot

Franz Schubert waagde zich tenminste tweemaal aan een strijktrio, een genre dat nauwelijks vaste voet aan de grond kreeg in het begin van de negentiende eeuw. In tegenstelling tot het strijkkwartet, met zijn vaste bezetting en vorm, werd het strijktrio niet meteen een hit. Met zijn transparante bezetting van drie gelijkwaardige stemmen was het genre een uitdaging voor elke componist. De twintigjarige Schubert had een gedegen opleiding in genoten, kende de muziek van Haydn, Mozart en Beethoven van haver tot gort en sprak de taal van de Weense Klassieken vloeiend. Na een productief jaar waarin hij behalve een strijkkwartet, anderhalve symfonie en zo’n 140 eren componeerde, ging hij de uitdaging aan. Zijn eerste bewaard gebleven poging strandde in september 1816 na bijna veertig maten in het tweede deel. Waarom Schubert dit niet afmaakte is niet bekend. Ooit opperde een biograaf dat Schubert wellicht niet zeker was over de vorm. Het voltooide ademt de sfeer van Mozart en verleidt de luisteraar met grote melodische schoonheid en elegantie. Het tweede en laatste strijktrio voltooide hij een jaar later. Het volgt de vertrouwde vierdelige vorm van de symfonie: na het Allegro moderato volgen een langzaam deel, een en tot slot een . De viool neemt het voortouw in de muziek die al meer klinkt als de Schubert die we van de latere strijkkwartetten kennen. In het trio van het menuet krijgt de de gelegenheid te schitteren.

Paul Hindemith 1895-1963

eerste strijktrio

Hoe succesvol de pogingen van Schubert ook waren, het strijktrio bleef in de negentiende eeuw een matig populair genre. Pas in de twintigste eeuw werd het echt volwassen. Er ontstonden vaste ensembles, de vraag naar nieuwe werken nam toe en het niets verbloemende karakter van de bezetting trok de aandacht van een nieuwe generatie componisten, onder wie Paul Hindemith. Hij speelde sinds zijn kinderjaren viool, als twintiger stapte hij over op de . Met zijn spelende broer Rudolf richtte hij het Amar Kwartet op. De drie strijkinstrumenten kenden voor hem geen geheimen. Als rebelse vernieuwer was Hindemith al jong geliefd bij de avantgarde. Met zijn strijkkwartet speelde hij alleen nieuwe muziek en hij werd een drijvende kracht achter het Donaueschingen Festival, broedplaats voor muzikale experimenten. Richard Strauss vroeg hem ooit waarom hij toch atonale muziek componeerde, hij had tenslotte voldoende talent. Hindemith antwoordde: ‘Herr Professor, componeert u uw muziek, dan componeer ik de mijne.’ Zijn eerste strijktrio componeerde hij in 1924 voor eigen gebruik, hij speelde het met twee collega’s uit zijn strijkkwartet. De stemmen zijn in dit volkomen gelijkwaardig, zelfs dynamisch gaan ze hun eigen weg. Hindemith schreef in de partijen voor welk instrument wanneer op de voorgrond moest treden. De altviool klimt op de in het laatste deel regelmatig de viool voorbij. In een opname van het trio uitgevoerd door de componist, zijn broer Rudolf en violist Walter Caspar klinkt een koortsachtig en eerste deel, in het tweede deel weven de drie stemmen een ragfijn kant. Na een virtuoos deel sluit het trio in de finale unisono af, zoals het eerste deel ook unisono begon.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

strijktrio

Ook Ludwig van Beethoven was nog geen dertig toen hij zijn Strijktrio in G groot, 9 nr. 1 componeerde. In tegenstelling tot Hindemith echter, die door een vast maandsalaris van zijn uitgever Schott zich inmiddels geheel kon wijden aan vrij componeren, moest de Weense meester opdrachtwerken produceren om de geldstroom van mecenassen op gang te houden. Het Strijktrio in G groot is het eerste uit een set van drie, opgedragen aan graaf Johann Georg von Browne. De graaf en zijn vrouw waren zo verrukt van Beethovens muziek, dat ze hem een paard cadeau gaven, een vergoeding waar de kleine zelfstandige waarschijnlijk niet goed raad mee wist. Beethoven had in de voorgaande jaren al eerder werken voor dezelfde bezetting gecomponeerd, in uiteenlopende vormen. Het Terzetto in Es groot bestond uit maar liefst zes delen, vermoedelijk in navolging van Mozarts recent verschenen voor dezelfde bezetting. Het werk dat voorafging aan het trio in G had als titel . Hoewel ontegenzeggelijk , waren het werken met een gebruikskarakter. Het was incidentele en functionele muziek ter vermaak van de gegoede kringen. Pas het derde opus voor deze bezetting – de drie trio’s voor Browne – lijkt in vorm op het strijktrio zoals we dat nu kennen: vierdelige werken voor drie min of meer gelijkwaardige stemmen. Voor Beethoven waren de klassieke vormregels niet zozeer het kader waarbinnen hij componeerde, maar het vertrekpunt voor vernieuwing. Zijn doel was verrassen, overweldigen, maar het behoudende Weense publiek kon dat niet echt waarderen. De drie trio’s werden vrijwel meteen uitgegeven, maar aangezien Beethoven bij het componeren waarschijnlijk virtuozen als violist Schuppanzigh en cellist Duport in gedachten had, was de muziek voor amateurs in huiselijke kring nauwelijks te spelen. Onder kenners en collega’s werd de vorm die Beethoven in deze drie strijktrio’s gebruikte echter het grote voorbeeld.

Carine Alders