Trio Weithaas - Vogt - Steckel: Schubert en Dvořák

Lars Vogt piano
Antje Weithaas viool
Julian Steckel cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Pianotrio’s.

Franz Schubert (1797-1828)

Pianotrio in Bes gr.t., D 898 (1827)
Allegro moderato
Andante un poco mosso
Scherzo: Allegro – Trio
Rondo: Allegro vivace

pauze ± 21.00 uur  

Antonín Dvořák (1841-1904)

Pianotrio in f kl.t., op 65 (1883)
Allegro ma non troppo
Allegretto grazioso
Poco adagio
Finale: Allegro con brio
 
einde ± 22.00 uur

Toelichting

Antonín Dvořák 1841-1904

Pianotrio

Door Jason Hillebrand

Velen kennen Antonín Dvořák van zijn vrolijke en ­ritmische Slavische dansen of zijn beroemde Negende symfonie (‘Uit de Nieuwe Wereld’), gecomponeerd tijdens een langdurig werkverblijf in Amerika. Tussen de publicatie van deze werken zit een periode van vijftien jaar, waarin de Boheemse componist steeds vaardiger werd in zijn toonzetterij. Het in f klein is een werk uit deze periode.

De algehele toon van de compositie staat in schril contrast met Dvořáks vroegere werk. Ze klinkt grilliger en duisterder, minder zorgeloos dan bijvoorbeeld de voornoemde Slavische dansen. Volgens sommigen komt dit door persoonlijk leed in Dvořáks leven; zijn moeder was recent overleden en in de jaren daarvoor had hij ook alle drie zijn kinderen verloren. Het zou ook kunnen dat Dvořák met deze nieuwe stijl trachtte het ‘Slavische’ element, dat voorheen in zijn stijl vervlochten zat, teniet te doen. Wellicht was dit een reactie op een toename van anti-Boheemse sentimenten in Wenen. Hoewel de componist nooit open en bloot heeft toegegeven zijn stijl te hebben aangepast vanwege zulke vooroordelen, gaf hij in een brief aan de Hans Richter wel duidelijk aan zich bewust te zijn van het politieke klimaat: ‘Het Weense publiek lijkt bevooroordeeld te zijn tegen werken met een Slavische ondertoon.’

Desondanks waren er nog genoeg prominente Weners die Dvořák en zijn muziek steunden. Niet de minste was Johannes Brahms, die – hoewel hij slechts zeven jaar ouder was – dienst deed als mentor, zowel creatief als financieel. Zo wist Brahms ooit zijn Berlijnse uitgever ervan te overtuigen om met Dvořák in zee te gaan met de woorden: ‘[Dvořák] is een bijzonder getalenteerde man. Daarbij is hij arm! Neem het alstublieft in overweging.’ 

Het  in f klein wordt soms wel het meest ‘brahmsiaanse’ werk in Dvořáks oeuvre genoemd, omdat zijn nieuwe stijl meer aansloot bij wat op dat moment gebruikelijk was onder Weense componisten. De componist heeft zich echter nooit uitgelaten over Brahms’ invloed op dit specifieke werk.

Of de duisternis in het pianotrio nu voortkomt uit dood, racistische tendenzen of Brahms, ze overheerst al vanaf het prille begin. De viool en de spelen samen een statige en sombere , waarbij ze al snel ruw worden onderbroken door de piano. Deze spoort de strijkers hierna aan zoals een ervaren ruiter zijn paard aanspoort; soms lijkt het geheel in opzwepende ’s uit de bocht te vliegen, maar alvorens het dier zich dood rent wordt er op tijd aan de teugels getrokken.

Tussendoor gloort er hoop in de vorm van langzame, melodieuze, haast vrolijke passages. Na de hectische eerste twee delen doet het derde deel dienst als een oase van rust, maar ook dit is van korte duur. Uiteindelijk keert de duisternis altijd terug en hoewel de Finale besluit in voelt het alsof je genept wordt met schijnvrolijkheid.  

Franz Schubert 1797-1828

Pianotrio

Door Lies Wiersema

Het werd in de negentiende eeuw een bijzonder populair genre. Toch begon Franz Schubert pas op zijn dertigste pianotrio’s te schrijven, maar toen schreef hij er ook meteen twee, in Bes groot en in Es groot. Het Pianotrio in Bes groot is een van zijn meest lichte en e kamermuziekwerken. Het is verleidelijk te denken dat het werk voor de componist een zonnige afwisseling betekende met de donkere melancholie van de omstreeks die tijd gecomponeerde cyclus Winterreise.

Collega Robert Schumann was verrukt over het . Hij schreef dat een vluchtige blik op het werk alle misère van het menselijk bestaan doet verdwijnen. Echt schubertiaans zijn het lyrische en zingende karakter en de rijkdom aan harmonische verrassingen. De muziek is een spel tussen drie gelijkwaardige partners. In het openingsdeel contrasteert Schubert twee tische groepen met elkaar. Een eerste energiek en zwierig thema waarin strijkers en pianist elkaar afwisselen wordt gevolgd door een veel lyrischer tweede thema, om de beurt toebedeeld aan piano en strijkers.

‘Een gelukkige droom’, zo noemde Schumann het tweede deel, het driedelige met zijn wiegende en zingende ën. Het begint met een solo, waarna zich een verleidelijk duet tussen beide strijkers ontspint. Zorgeloosheid en vrolijkheid beheersen het , vooral ook door de . Het , een strijkersmelodie met natikkende piano-en, is een onvervalst je.

De finale, door Schubert een genoemd, is geen rondo in klassieke zin. Het steeds terugkerende refrein is veel meer een spel met motieven uit de oorspronkelijke melodie. Het doet denken aan een rondedans waarbij de dansers steeds van richting wisselen. Het vormt een levenslustige afsluiting van een dat Schumann de uitspraak ontlokte: ‘Een kostbare erfenis; de tijd produceert veel moois, maar niet snel een tweede Schubert.’

Biografie

Antje Weithaas, viool

Antje Weithaas studeerde onder andere bij Werner Scholz aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ in Berlijn, waar ze sinds 2004 zelf les geeft. De Duitse violiste won in 1987 het Kreisler Concours in Graz, in 1988 het Internationale Bachconcours in Leipzig en in 1991 het Joseph Joachim Viool­concours in Hannover.

Ze musiceerde met het Deutsches Symphonie-­Orchester Berlin, de Bamberger Symphoniker, het Bundesjugend­orchester en een groot aantal Duitse omroeporkesten; internationaal werd ze geëngageerd door bijvoorbeeld het Philharmonia Orchestra, het BBC Symphony Orchestra, het San Francisco Symphony Orchestra, de Los Angeles Philharmonic, het Taiwan Philharmonic Orchestra, het Residentie Orkest Den Haag en het Nederlands Philharmonisch Orkest.

Antje Weithaas was tien jaar artistiek leider van Camerata Bern en was in 2021/2022 artiste associé bij het Orchestre de Chambre de Paris.

In de van Het Concertgebouw was ze onder meer te gast met het Arcanto Quartett, dat ze vormde met violist Daniel Sepec, altvioliste Tabea Zimmermann en cellist Jean-Guihen Queyras. In mei 2022 speelde ze er met pianist Enrico Pace, cellist Julian Steckel en klarinettiste Sharon Kam, en in oktober 2023 in een met Julian Steckel en pianiste Kiveli Dörcken. Antje Weithaas bespeelt een viool van Peter Greiner uit 2001.

Julian Steckel, cello

De solocarrière van Julian Steckel kwam definitief op gang nadat hij in 2010 het ARD Concours in München had gewonnen. Eerder was hij al gelauwerd bij de Grand Prix Rostropovich in Parijs, de Grand Prix Feuermann in Berlijn en de Kronberg Pablo Casals Competition. Voor zijn opname van de concerten van Korngold en Goldschmidt en Blochs ­Schelomo kreeg hij in 2012 een Echo Klassik Preis.

Julian Steckel soleerde bij onder meer het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Gewandhausorchester Leipzig, de Bamberger Symphoniker, het Orchestre de Paris, het Royal Philharmonic Orchestra, het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest Den Haag en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

In het afgelopen concertseizoen vertolkte hij het Eerste concert van Sjostakovitsj bij de Badische Staatskapelle en bij de orkesten van Dortmund en Cottbus, en het Eerste celloconcert van Saint-Saëns in Münster en Belgrado.

Naast zijn optredens met orkest betreedt Julian Steckel graag het kamermuziekpodium met collega’s als Janine Jansen, Christian Tetzlaff, Renaud Capuçon, Veronika Eberle, Vilde Frang, Antoine Tamestit, Elisabeth Leonskaja, Paul Rivinius, Denis Kozhukhin en het Modigliani, Armida en Ébène Kwartet. De cellist studeerde bij Ulrich Voss, ­Gustav Rivinius, Boris Pergamenschikow, Heinrich Schiff en Antje Weithaas en geeft les aan de Hochschule für Musik und Theater in München. Hij bespeelt instrumenten van Francesco Rugeri (Cremona, 1695) en Andrea Guarneri (Cremona, 1685).

Lars Vogt, piano

In 1990 won de Duitse pianist Lars Vogt de tweede prijs van de Leeds International Piano Competition, en in 2018 nam hij er plaats in de jury. De pianist soleerde onder leiding van grote en bij orkesten als het Koninklijk Concertgebouworkest, de New York Philharmonic, de orkesten van Chicago, Boston, San Francisco en Philadelphia, het NHK in Tokio, het Gewandhausorchester Leipzig, de Berliner en de Wiener Philharmoniker en het London Symphony Orchestra. Zijn concertrepertoire reikt van de Weense Klassieken tot en met Lutosławski en Berg.

Zijn educatieproject Rhapsody in School was een succes in Duitsland en Oostenrijk, en in 2013 werd hij docent aan het conservatorium in Hannover. Bovendien richtte Lars Vogt zich steeds meer op dirigeren; sinds september 2015 was hij chef- van de Royal Northern . Als gast-dirigent debuteerde hij bij de en van Singapore en Nieuw-Zeeland, het Warschau Philharmonisch Orkest en het Orchestre de Chambre de Paris.

Lars Vogt was ook een bevlogen kamermusicus en in 1998 richtte hij zijn eigen festival ‘Spannungen’ op in een art nouveau waterkrachtcentrale bij Keulen. Met Christian en Tanja Tetzlaff tourde hij door Noord-Amerika, en hun opname van ’s van Brahms werd genomineerd voor een Grammy. Lars Vogts meest recente soloalbums bevatten werken van Schubert en BachGoldberg-variaties.

Op 5 september 2022, drie dagen voor zijn 52ste verjaardag, overleed pianist Lars Vogt. Hij leed al geruime tijd aan leverkanker, maar bleef ondanks de diagnose tot op het laatst optreden.