Trio Wanderer: Haydn, Schumann en Rachmaninoff

Trio Wanderer
Vincent Coq piano
Jean-Marc Phillips-Varjabédian viool
Raphaël Pidoux cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Pianotrio’s.

Joseph Haydn (1732-1809)

Pianotrio in As gr.t., Hob. XV:14, op. 39 (1790)
Allegro moderato
Adagio
Rondo. Vivace

Robert Schumann (1810-1856)

Eerste pianotrio in d kl.t., op. 63 (1847)
Mit Energie und Leidenschaft
Lebhaft, doch nicht zu rasch
Langsam, mit inniger Empfindung
Mit Feuer

pauze ± 21.05 uur

Serge Rachmaninoff (1873-1943)

Trio élégiaque in d kl.t., op. 9 (1893, revisies 1907 en 1917)
Moderato – Allegro vivace
Quasi variazione – Andante
Allegro risoluto

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Joseph Haydn 1732-1809

Haydn: Pianotrio in As groot

Door Henriëtte Sanders

Een werd in de tijd van Joseph Haydn voor klavier met begeleiding van viool en ’ genoemd. De vioolpartij functioneerde ten dele als versterking van de lijn van de (forte-)piano en de cellopartij bestond overwegend uit het meespelen met de baslijn, een erfenis uit de traditionele basso-continuopraktijk.

Ook Haydns vijfenveertig pianotrio’s bezitten deze ‘ouderwetse’ rolverdeling tussen de instrumenten. De fortepiano was niet erg sterk van toon, zodat de steun van de strijk­instrumenten de klinkende ­compositie volume en duidelijke melodische contouren verleende.

Maar in bepaalde zettingen binnen het pianotrio kregen de strijkinstrumenten wel degelijk een zelfstandige rol, zoals de viool in het achtige van het Pianotrio in As groot.

Het in As groot, Haydns enige in die , heeft een gewaagd harmonisch schema met escapades naar ver van As groot verwijderde toonsoorten. Zo wordt in het eerste deel, moderato, in een schijnreprise het hoofdthema in B groot gepresenteerd (vijf en in plaats van vier mollen) en eindigt de doorwerking in Dis groot, waarbij Dis naar Es vertaald wordt en daarmee een solide basis voor de terugkeer naar As biedt.

Zowel in het – dat eveneens in een ‘verre’ toonsoort staat, namelijk E groot – als in het levendige laatste deel, een -, zijn in de enkele harmonisch onverwachte tonen te horen. Het eerste deel heeft, voordat de toonsoorten in de doorwerking in beweging komen, een eveneens onverwachte lange pauze. Dit draagt bij aan de mening dat de eerste twee delen van het gedistingeerde Pianotrio in As groot een wat contemplatief karakter hebben.

Robert Schumann 1810-1856

Schumann: Eerste pianotrio

Door Anneloes Brand

Robert Schumann componeerde zowel het Eerste in d klein, 63 als het Tweede pianotrio in F groot, opus 80 in 1847; zijn Derde pianotrio in g klein, opus 110 stamt uit het jaar 1851.

Aangezien de piano Schumann het meest na aan het hart lag – en zijn vrouw Clara een beroemde concertpianiste was – is het niet zo verbazingwekkend dat de piano de drijvende kracht van de ’s is, waarbij de strijkers de pianopartij volgen of er samen tegenwicht aan bieden.

Het Eerste pianotrio wordt algemeen beschouwd als het sterkste van de drie. Schumann begon er een paar dagen voor zijn verjaardag (8 juni) aan, en nam er naar eigen zeggen uitgebreid de tijd voor. ‘Vroeger schreef ik praktisch al mijn kortere werken in een soort bezetenheid en voltooide ik er vele haast ondenkbaar snel. […] Vanaf 1845 ontwikkelde ik een nieuwe methode van componeren, waarbij ik alles in mijn hoofd bedacht en uitwerkte.’

Het leverde een compositie op die romantisch van stijl is, maar met een grote rol voor (de oude kunst van het combineren van verschillende melodische lijnen). De componist had de schets alsnog in tien dagen klaar op 16 juni en presenteerde het volledige werk aan Clara op haar verjaardag, 13 september.

Kort erna voerde zij het voor het eerst uit tijdens een besloten concert, samen met twee strijkers uit de Dresdner Hofkapelle. De pianiste was erg te spreken over de nieuwe pennenvrucht van haar echtgenoot: ‘Dit werk klinkt alsof het is gecomponeerd door een aanstormend talent, zo jeugdig en krachtig en tegelijkertijd zo meesterlijk uitgewerkt. Het eerste deel is een van de fraaiste die ik ken.’

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Rachmaninoff: Trio élégiaque

Door Lies Wiersema

Serge Rachmaninoff schreef twee ’s. Beide schreef hij op jonge leeftijd, vlak na elkaar, en beide kregen als titel élégiaque.

Het laatste was een persoonlijk rouwdicht. Op 6 november 1893, enkele dagen na de première van zijn Zesde symfonie, ‘Pathétique’, stierf Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, 53 jaar oud, aan een cholera-infectie. Op dezelfde dag begon de twintigjarige Rachmaninoff met de compositie van zijn Trio élégiaque in d klein ter nagedachtenis aan de componist.

Tsjaikovski was zijn grote voorbeeld en diens dood raakte hem diep. Het schrijven van het trio viel hem zwaar: ‘Ik beefde voor elke zin en soms streepte ik alles door en begon weer opnieuw te denken…’ Over het resultaat was hij ontevreden en er volgden verscheidene herzieningen.

Dramatisch en tragisch klinkt het openingsdeel, dat begint met een zich obsessief herhalend lamento van dalende tonen in de pianobegeleiding. Het tweede deel bestaat uit een set van acht variaties op basis van een uit een eerder geschreven ­orkestfantasie, waar Tsjai­kovski diep van onder de indruk was. Langzame en achtig snelle passages wisselen elkaar af.

In de lange piano-inleiding van de finale wordt de affiniteit van Rachmaninoff met de piano hoorbaar. Ter afsluiting laat hij het klagende openingsthema uit het eerste deel terugkeren.

Biografie

Trio Wanderer, pianotrio

De leden van het Wanderer – vernoemd naar de romantische ­figuur van de ‘Wanderer’ – leerden elkaar kennen als studenten in Parijs, en als ensemble volgden ze tevens lessen aan de Jacobs School of Music in Bloomington en de Juilliard School of Music in New York.

Het trio won in 1988 het ARD Concours in München en in 1990 de Amerikaanse Fischoff Chamber Music Competition. Al ruim drie decennia is het Trio Wanderer te beluisteren op festivals als die van Salzburg, Edinburgh, Montreux, Colmar en La Roque d’Anthéron, in de belangrijke concertzalen van de Europese hoofdsteden en op podia in Osaka, Tokio, Washington en Rio de Janeiro.

Naast het oudere repertoire voor staat er ook hedendaagse muziek op de lessenaars; onder anderen Bruno Mantovani en Thierry Escaich kregen componeer­opdrachten.

In tripel- en dubbelconcerten werkten de musici samen met onder meer het Orchestre National de France, het Gürzenich Orchester en Les Siècles en met orkesten in Luik, Berlijn, Graz, Genève, Stockholm, Warschau, Tenerife en Maleisië. Voor zijn meer dan twintig cd’s kreeg het Wanderer onderscheidingen als de Diapason d’Or, de Choc du Monde en de Midem Classical Award.

Het meest recente album bevat naast alle pianotrio’s van Robert Schumann ook diens pianokwartet en -et. In de van Het Concertgebouw debuteerde het trio in oktober 2004, en het laatste optreden was in oktober 2019.