Trio Shaham Erez Wallfisch & Hartmut Ronde
Kleine Zaal Melange 20.15 uur
Trio Shaham Erez Wallfisch:
Arnon Erez piano
Hagai Shaham viool
Raphael Wallfisch cello
Hartmut Rohde altviool
Gideon Klein 1919-1945
Strijktrio (1944)
Allegro
Thema con variazioni
Molto vivace
Gabriel Fauré 1845-1924
Eerste pianokwartet in c kl.t., op. 15 (1876-79)
Allegro molto moderato
Scherzo: Allegro vivo
Adagio
Finale: Allegro molto
pauze
Johannes Brahms 1833-1897
Derde pianokwartet in c kl.t., op. 60 (1855-75)
Allegro ma non troppo
Scherzo: Allegro
Andante
Finale: Allegro comodo
begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.00 uur
Toelichting
Gideon Klein 1919-1945
Strijktrio
Tekst: Axel Meijer
Binnen de toch al tragische categorie van in concentratiekampen vermoorde joodse componisten is het levensverhaal van Gideon Klein extra schrijnend, omdat hij zijn beste werken in gevangenschap schreef. In 1919 geboren in het Oost-Tsjechische Přerov geeft Klein, gestimuleerd door zijn ouders, al vroeg blijk van groot muzikaal talent.
Rond zijn twintigste wordt het hem door de nazi’s echter onmogelijk gemaakt verder te studeren aan het Praags Conservatorium. Onder schuilnamen weet hij nog enige tijd als musicus te blijven werken. Maar in 1941 volgt deportatie naar het pas gebouwde kamp Theresienstadt.
Daar zet hij zich bijna drie jaar lang in voor onderwijs aan weeskinderen, organiseert hij concerten en ontwikkelt zich verder als componist, onder onvoorstelbare omstandigheden. Typisch voor Kleins latere stijl zijn een brede interesse in nieuwe stromingen als jazz en seriële muziek, naast invloeden van Berg en Janáček. Toch is Kleins muziek niet ontoegankelijk modern, mogelijk omdat hij in Theresienstadt een zo breed mogelijk publiek wilde bereiken.
In 1944 schrijft Klein er zijn laatste werk, het Strijktrio, in drie delen. Het eerste is een kort en krachtig , met stevige baslijnen en gebaseerd op twee hoofdthema’s, beide in de eerste minuut geïntroduceerd. De samenklanken doen hier en daar wel denken aan de dudy, de traditionele Tsjechische doedelzak.
Het tweede deel is een serie variaties op een Moravisch volkslied, De toren van Kněždub. Daarin doodt de hoofdpersoon een gans, in Moravië traditioneel een vrijheidssymbool. Ook de finale, Molto , staat sterk onder invloed van Moravische muziek, volksdansen ditmaal. Het tweede beschrijft Klein zelf als burlesco.
Het is moeilijk deze opgewekte muziek te rijmen met wat we weten: namelijk dat Klein iets meer dan een week na voltooiing op transport naar Auschwitz wordt gezet, en kort daarna in het nabijgelegen Fürstengrube als dwangarbeider in de kolenmijnen de dood vindt, waarschijnlijk door een Duitse kogel.
Gabriel Fauré 1845-1924
Eerste pianokwartet
Gabriel Fauré schreef zijn Pianokwartet in c klein, 15, nadat zijn geliefde Marianne de verloving had verbroken. Het is dan ook een zeer gepassioneerd werk, en het werd een van de meest gespeelde stukken in het repertoire voor deze bezetting.
Het gloedvolle eerste deel, molto moderato, staat in , waarbij bijna alle ’s uit de openingsmaten voortkomen. Typisch voor Fauré zijn de ambigue ën, en die telkens op een andere manier in de volgende overgaan, en daardoor steeds verschillende betekenissen krijgen.
Het speelse tweede deel is een , waarin Fauré vaak van wisselt, en zelfs de verschillende instrumenten onderling soms verschillende en voorschrijft. Dat geeft, samen met het veelvuldige , een extra springerig effect, behalve in het traditioneel wat gedemptere -gedeelte.
Het is een klaagzang, gebaseerd op een stijgend in de strijkers. De piano ondersteunt deze figuur op steeds andere wijze: met volle en, wiegende begeleidingen en fijngeweven ’s. Met zo’n aangrijpend deel in het hart van het werk is het geen wonder dat Tsjaikovski zo enthousiast was over dit kwartet.
Milde kritiek bracht Fauré ertoe om vier jaar na de première een nieuwe finale te schrijven. Opnieuw in biedt dit sluitstuk strijdbaar tegenwicht aan de somberheid van het voorgaande deel. Helemaal tegen het eind hergebruikt Fauré enkele ideeën uit eerdere delen en rondt het geheel zo mooi af.
Johannes Brahms 1833-1897
Derde pianokwartet
Tekst: Axel Meijer
‘Op het voorblad moet een afbeelding komen van een man met een pistool tegen zijn hoofd. Zo krijgt u een idee van de muziek. Ik zal u daarvoor mijn foto sturen.’
Dat schrijft Johannes Brahms in 1875 aan zijn uitgever, als hij zijn Pianokwartet in c klein, 60 aanbiedt. ‘En omdat u zo van kleurendruk houdt, kunt een blauwe jas, een gele broek en hoge laarzen gebruiken.’
De brief dateert van 1875, zo’n twintig jaar nadat Brahms aan het kwartet was begonnen. De kledingbeschrijving verwijst direct naar Goethes tragische held Werther, met wie Brahms zich twee decennia eerder kennelijk identificeerde. Toen was hij hevig verliefd geweest op de onbereikbare Clara Schumann.
Het verklaart waarom de voltooiing van het kwartet zo lang duurde. Brahmsbiograaf en componist Jan Swafford: ‘Brahms schreef te dicht op zijn gevoel. Het probleem is dan nooit om het leed op papier te krijgen, maar om kaf van koren te scheiden, en de afstand te vinden om het materiaal te vormen, te beheersen en te beoordelen.’
En de Brahms van middelbare leeftijd beheerst die kunst als geen ander. Zo grijpt hij in alle vier de delen van de compositie terug op twee elementaire ideeën uit de opening: het in de piano en de Seufzer, of zucht, in de strijkers. ‘In de beperking toont zich de meester’, zou Goethe zeggen.
Opvallend is dat Brahms in de periode van eerste schets tot publicatie de van zijn kwartet heeft veranderd. Stond het eerst in cis klein, een toonsoort die Brahms associeerde met diepromantische, jeugdige Schmerz, in de definitieve versie staat het kwartet in c klein, de heroïsche Beethoventoonsoort die overwinning op het noodlot symboliseert. Alsof Brahms wil zeggen dat hij eindelijk geheel volwassen is geworden.
Biografie
Trio Shaham Erez Wallfisch, ensemble
Het Shaham Erez Wallfisch bestaat sinds 2009 en nam sindsdien muziek op van Beethoven, Mendelssohn, Brahms, Schumann en Grieg en van een aantal grote Franse en Russische componisten. Voordat de drie musici besloten een te vormen, hadden ze elk al een bloeiende carrière opgebouwd.
Violist Hagai Shaham trad als solist op met onder meer het BBC Philharmonic Orchestra, het Praags Philharmonisch Orkest en orkesten in Hong Kong, Sjanghai, Taipei en Seoul. Bij het zeventigjarig bestaan van het Israëlisch Filharmonisch Orkest werkte hij samen met Zubin Mehta en Misha Maisky. Het ARD Concours 1990 in München won Hagai Shaham samen met pianist Arnon Erez.
Naast zijn vele s op belangrijke podia als Carnegie Hall in New York, de Beethoven Halle in Bonn en de Wiener Musikverein soleerde Arnon Erez bij onder meer het Israëlisch Filharmonisch Orkest. Daarnaast is hij verbonden aan de Buchmann-Mehta School of Music van de Universiteit van Tel Aviv.
Cellist Raphael Wallfisch tenslotte won op vierentwintigjarige leeftijd het Gaspar Cassado Internationaal concours in Florence en werd als solist geëngageerd door de grote orkesten van bijvoorbeeld Londen, Los Angeles, Leipzig, Berlijn en Warschau. Hij neemt geregeld zitting in jury’s, zoals bij het Enescu Concours in Boekarest en de Rostropovich International Competition in Parijs.
Het Shaham Erez Wallfisch speelt op de belangrijkste kamermuziekpodia in Europa, Israël en Canada. In Het Concertgebouw debuteerde het tijdens de Robeco SummerNights 2013; bij het laatste optreden in de , in oktober 2017, stonden werken van Bloch, Dvořák en Schubert op het programma.
Hartmut Rohde, altviool
Hartmut Rohde was leerling van Hatto Beyerle en won prijzen tijdens de Deutsche Musikwettbewerb en de New Yorkse International Naumburg Competition. Als solist werkte de Duitse altist met gezelschappen als het Beethoven Orchester Bonn, de Staatskapelle Weimar en het Litouws Filharmonisch Orkest.
Hartmut Rohde was een van de oprichters van het Mozart Pianokwartet en van het Joachim Quartett Berlin. Als kamermusicus deelde hij het podium tevens met bijvoorbeeld Itamar Golan, Frans Helmerson, Lars Vogt, Heinrich Schiff en Janine Jansen.
Hartmut Rohde vertolkt graag hedendaagse composities, van componisten als Aribert Reimann, Wolfgang Rihm, Jörg Widmann en Brett Dean. In 1991 maakte hij een eigen arrangement van het concert van Bartók, dat hij in het premièrejaar 2010 nog verder verfijnde.
Naast zijn concertagenda geeft Hartmut Rohde wereldwijd masterclasses en is hij als docent verbonden aan de Universität der Kunste Berlin en aan de Royal Academy of Music in Londen.

