Ton Koopman 80 jaar: Händels Esther

Amsterdam Baroque Orchestra & Choir
Ton Koopman dirigent
Julia Lezhneva sopraan
Maarten Engeltjes countertenor
Andreas Wolf bas

Dit concert wordt voorzien van boventiteling.

Georg Friedrich Händel (1685-1759)

Esther, HWV 50
nieuwe versie, samengesteld uit de masque HWV 50a (1718-20) en het oratorium HWV 50b (1732)
op een libretto van John Arbuthnot en Alexander Pope

pauzetijdstip n.t.b.
einde ± 22.35 uur

Toelichting

Georg Friedrich Händel (1685-1759)

Toelichting

Door Frits Vliegenthart

Händel en het oratorium

Is het overdreven om te beweren dat Georg Friedrich Händel het Engelstalige heeft uitgevonden? In ieder geval was zijn inbreng bij de ontwikkeling daarvan essentieel en baanbrekend. 

Tijdens het afronden van zijn studie in Italië (1706-10) was de jonge componist niet alleen vertrouwd geraakt met de Italiaanse en , maar ook met het oratorium in die taal. Dit genre was vaak te beluisteren in de Romeinse paleizen van kardinalen en aristocraten. Zo klonk in het door markies Ruspoli gehuurde Palazzo Bonelli op Paaszondag 1708 Händels eigen La Resurrezione – weelderig aangekleed, maar niet geacteerd.

Engeland kende in de zeventiende eeuw religieuze muziekvormen als de verse anthem en dramatische dialogen. Deze soorten smolten echter nooit samen tot één groter geheel, zoals een oratorium. Het wachten was – zo leek het – op de komst van de Duitser Händel. Hij putte uit drie inspiratiebronnen voor het oratorium: de Duitse protestantse kerkmuziek (waaronder de Passionen), de Engelse koortraditie en de Italiaanse opera. Een typisch Händel-­oratorium heeft een indeling in drie akten en een geestelijke handeling. Het koor neemt een belangrijke plaats in.

Esther I

Nadat Händel zich in 1712 in Londen had gevestigd, waar zijn opera Rinaldo een jaar eerder een groot succes was geweest, creëerde hij tussen 1718 en 1720 de geestelijke ‘masque’ Esther, voor solisten, koor en orkest (HWV 50a). Hoewel een masque meestal een hoofs zangspel is, was dit in feite het eerste Engelse oratorium, voor zover we weten.
Het uit zes scènes bestaande werk is onder meer gebaseerd op het gelijknamige bijbelboek en het toneelstuk van Jean Racine uit 1689, waarin het koor een prominente muzikale rol heeft zoals in een Griekse tragedie. Een Engelse vertaling door Thomas Brereton verscheen in 1715.

Een bijbels drama als Esther kon – zeker wanneer er werd geacteerd – alleen in een privé-omgeving worden gepresenteerd, zoals in het nieuwe landhuis Cannons van graaf Carnarvon, de latere hertog van Chandos, of in diens Londense stadspaleis. Händel was in de jaren 1717-1719 verbonden aan Cannons, dus er is een sterke link; door het besloten karakter van de uitvoering(en) missen we echter veel concrete informatie.

  • Gravure gevels van Cannons (landhuis van Graaf Carnarvon) (1748)

Gravure van een van de gevels van Cannons, het landhuis van Graaf Carnarvon, 1748

Esther II

Hoewel hij voor Londen Italiaanse ’s bleef componeren, zette Händel in 1732 weer een stap in de richting van het Engelse . In The Crown and Anchor Tavern aan de Strand leidde zijn collega Bernard Gates ter gelegenheid van Händels 47ste verjaardag op 23 februari een besloten scenische uitvoering van Esther, met medewerking van het jongenskoor van de Chapel Royal. Prinses Anne, Händels klavecimbelleerlinge, was zo enthousiast dat zij aandrong op een productie in het King’s Theatre aan de Haymarket. 

De componist bewerkte, bijgestaan door de dichter Samuel Humphreys, het stuk tot een avondvullend oratorium in drie akten. De spannende plot, die zich laat lezen als een verhaal uit Duizend-en-één nacht, is in deze versie veel beter te volgen.

Händel breidde de orkestratie uit met onder meer ten en , en kondigde wijselijk aan: ‘There will be no Action on the Stage, but the House will be filled up in a decent Manner, for the Audience. The Musick to be disposed after the Manner of the Coronation Service.’ Hij moest wel, want de bisschop van Londen verbood het scenisch weergeven van een bijbels verhaal in een openbaar theater; bovendien zou in dat geval de onmisbare deelname van het koor uitgesloten zijn.

De tr­iomf van deze versie van Esther (HWV 50b) zette Händel weldra aan tot het schrijven van de oratoria Deborah en Athalia – over twee andere heldinnen uit het Oude Testament. Met enige onderbrekingen zou hij zich tot aan het eind van zijn leven bezighouden met het oratorium, een vooral bij de middenklasse zeer geliefde kunstvorm.

Esther III

Ton Koopman en zanger/koormeester Peter de Groot stelden hun eigen, extra feestelijke Esther samen uit HWV 50a en 50b. Daarbij combineren ze de beste muziek uit beide versies. Ze bevinden zich in goed gezelschap, want ook Händel handhaafde in 1732 veel muziek uit de oorspronkelijke masque, aangevuld met nieuwe delen en hergebruikt notenmateriaal. Zo citeerde hij uit zijn Coronation Anthems die hij schreef bij de kroning van George II in 1727: uit My Heart Is Inditing hergebruikt hij het koordeel ‘Kings’ Daughters’ (Act I) en uit Zadok the Priest – met deels aangepaste tekst – het koor ‘Blessed Are All They... God Save the King’ (einde Act II). Bij reprises van Esther tussen 1733 en 1757 zou Händel telkens wijzigingen aanbrengen in samenstelling en bezetting.

Het verhaal

I.
De Joden zijn in ballingschap in Perzië. Koning Ahasverus (Xerxes) heeft onder hen de mooie Esther uitgekozen als zijn vrouw. De hooggeplaatste hoveling Haman is beledigd omdat Esthers voogd Mordecai hem (en ‘dus’ de koning) niet voldoende eer bewijst. Haman eist dat alle Joden worden uitgeroeid. Ahasverus geeft hem zijn zin.

II.
Esther besluit bij Ahasverus, die haar zeer liefheeft, te pleiten voor het lot van haar volk. Hoewel op het onuitgenodigd benaderen van de koning de doodstraf staat, waagt zij haar leven, maar uit angst valt ze flauw. Door een gebaar met zijn scepter maakt Ahasverus duidelijk dat hij haar vergeeft. Hij moedigt haar aan te zeggen wat zij verlangt. Esther verzoekt de koning met Haman naar een feest komen, dat zij te zijner ere zal houden. Ahasverus kan dit niet weigeren.

III.
Tijdens het feest vertelt Esther Ahasverus dat Haman haar en Mordecai naar het leven staat. Zij herinnert de koning eraan dat Mordecai eerder een aanslag op hem had verijdeld. Prompt veroordeelt Ahasverus Haman ter dood en gunt Mordecai diens positie aan het hof. Het Joodse volk is gered.

Biografie

Amsterdam ­Baroque Orchestra & Choir

Ton Koopman richtte het Amsterdam Baroque Orchestra op in 1979 en is daarvan sindsdien muzikaal-­artistiek leider. De groep bestaat uit internationaal vermaarde oudemuziekspecialisten. Het Amsterdam Baroque Choir werd vervolgens in 1992 in het leven geroepen en debuteerde tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht van dat jaar met muziek van Biber. 

Het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir concerteert veelvuldig in Europa, de Verenigde Staten en Azië. Het repertoire omvat muziek gecomponeerd tussen 1600 en 1791; de grens ligt daarmee bij de dood van Mozart. Tussen 1994 en 2004 werkte het gezelschap aan de integrale opname van Bachs wereldlijke en geestelijke s. In 2014 werd een volgend bijzonder opnameproject afgerond: de complete werken van Buxtehude.

Voor zijn veelomvattende discografie – met bijvoorbeeld ook concerti grossi van Locatelli, symfonieën van Mozart en oud-Hollandse kerstliederen – kreeg het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir prijzen als de Gramo­phone Award, de BBC Award, de Edison en de Diapason d’Or.

In kleine bezetting treden de musici ook op met werken als Bachs Musikalisches Opfer en Brandenburgse concerten. In Het Concertgebouw was het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir eerder onder meer te gast met Bachs Weihnachtsoratorium in 2014 en diens Matthäus-Passion in 2017.

Ton Koopman, dirigent

Ton Koopman studeerde , klavecimbel en muziekwetenschap in Amsterdam, ontving tweemaal de Prix d’Excellence en groeide uit tot een leidende persoonlijkheid binnen de oude­muziekbeweging. In 1979 richtte hij het Amsterdam Baroque Orchestra op en in 1992 ook het Amsterdam Baroque Choir.

Van 1994 tot 2004 werkten ze samen aan het uitvoeren en opnemen van alle overgeleverde s van Bach, goed voor de allereerste VSCD Klassieke Muziekprijs. 

Naast zijn eigen ­projecten is Ton Koopman een veelgevraagd gastdirigent bij bijvoorbeeld de Berliner en de Münchner Philharmoniker, het Symphonie­orchester des Bayerischen Rundfunks, het Orchestre Philharmonique de Radio France, de Wiener Symphoniker en de orkesten van San Francisco, Cleveland, Chicago, Boston en New York.

Hij debuteerde in 1991 bij het Concert­gebouworkest en keerde daar onder meer terug voor Bachs ­Matthäus-Passion (2018) en een programma met blokfluitiste Lucie Horsch (2020). Ton Koopman publiceert regelmatig en verzorgt nieuwe uitgaven. In het Bach-herdenkingsjaar 2000 kreeg hij van de Universiteit Utrecht een eredoctoraat, in 2006 de Bach-­Medaille van de stad Leipzig en in 2010 een ereprofessoraat aan de Anton Bruckner Universität in Linz. In 2012 werd hem de Buxtehude-Preis van de stad Lübeck uitgereikt, en in 2016 werd hij ereprofessor aan de Musikhochschule ­Lübeck en honorair artistiek adviseur van het Guangzhou House. In 2017 was de Edison Oeuvre Award voor Ton Koopman.

Onlangs werd Ton Koopman in Frankrijk onderscheiden met de titel Commandeur des Arts et des Lettres. De musicus heeft ruim 25 jaar lesgegeven aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, is emeritus professor van de Universiteit Leiden, erelid van de Royal Academy of Music in Londen en artistiek directeur van het Franse muziekfestival ‘Itinéraire Baroque’.

Julia Lezhneva, sopraan

Julia Lezhneva brak in 2010 door nadat ze door Kiri te Kanawa was uitgenodigd Rossini te zingen bij de Brit Awards in de Royal Albert Hall in Londen. Na haar zang- en piano-­opleiding in Moskou won ze op haar zeventiende het Elena Obrasztsova Concours.

Een jaar later opende ze aan de zijde van Juan Diego Flórez het Rossini Festival in Pesaro. Onder haar leraren en mentoren waren Yvonne Kenny, Dennis O’Neill, Alberto Zedda, Richard Bonynge en Thomas Quasthoff. Voor haar eerste solo-cd (Rossini) won Julia Lezhneva in 2011 een Diapason d’Or.

De sopraan zong bij de Berliner Philharmoniker en Concerto Köln, tourde met het Freiburger Barockorchester, stond in de Wiener Musikverein en in de huizen van Hamburg, Brussel en Barcelona en was te gast in de Verenigde Staten en Japan. In Het Concertgebouw trad Julia Lezhneva sinds 2013 op in concertante opera’s van Händel, Hasse, Porpora en Scarlatti in de NTR ZaterdagMatinee. Nu maakt ze haar debuut bij het ­Concertgebouworkest.

Maarten Engeltjes, countertenor/dirigent

Maarten Engeltjes zong vanaf zijn vierde jaar als jongens­sopraan, maakte op zijn zestiende zijn debuut als in Bachs ­Matthäus-Passion en studeerde in 2007 cum laude af aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij werkte als solist met en als Emmanuelle Haïm, Vladimir Jurowski, William Christie, Jordi Savall, Reinbert de Leeuw, Markus Stenz en Lars Ulrik Mortensen.

Hij zong in Bachs Hohe Messe en Weihnachtsoratorium bij de Akademie für Alte Musik Berlin, Pergolesi’s Stabat Mater bij Concerto Köln en Händels Messiah bij de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome.

Actuele highlights zijn een zevenjarige Bachcyclus met Les Arts Florissants onder leiding van Paul Agnew, Bachcantates in Praag en Leipzig met Ton Koopman en zijn Amsterdam ­Baroque Orchestra, Händels Israel in Egypt met het NDR Chor onder leiding van Klaas Stok en – in december 2024 onder leiding van Ton Koopman – zijn debuut bij de New York Philharmonic in Händels ­Messiah.

Het podium betrad Maarten Engeltjes bij de Opéra de Ma­rseille, de Opéra Comique in Parijs, het Boston Early Music Festival, het Tokyo Metropolitan Theatre en De Nationale Opera in Amsterdam.

In de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was hij sinds 2008 meermaals te gast, onder meer op 27 oktober 2024 in Händels Esther met het Amsterdam Baroque Orchestra ter gelegenheid van Ton Koopmans tachtigste verjaardag. In 2017 richtte de zanger zijn eigen ­ensemble PRJCT Amsterdam op, dat hij ook dirigeert.

Andreas Wolf, bariton

Na zijn studie bij Heiner Eckels en Thomas Quasthoff vestigde ­Andreas Wolf zijn naam in zalen als de Philharmonie de Paris, het Barbican Center in Londen, de Philharmonie in Berlijn, het Lincoln Center in New York en de Herkulessaal in München.

Tot zijn -­engagementen van de ­afgelopen seizoenen behoren Mozarts Così fan ­tutte bij het Teatro Real in Madrid, De Munt in Brussel en de Wiener Fest­wochen, Don Giovanni aan De Munt en het Staatstheater Stuttgart, Le nozze di Figaro in Madrid en aan de Opéra National du Rhin en Die Zauberflöte aan het Grand Théâtre de Genève.

Met de Staatsoper München heeft de Duitse bas-bariton een hechte band: hij stond er onder meer in Bizets Carmen, Richard Strauss’ ­Ar­iadne auf Naxos en ­Schrekers Die Gezeichneten. In Händels Serse tourde hij met il Pomo d’Oro. ­s geeft Andreas Wolf met pianist Kit Armstrong.

In Het Concertgebouw was hij onder meer te horen in Bachs Matthäus-Passion – met de Nederlandse Bachvereniging, het Nederlands Kamerorkest en het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir – en diens Weihnachtsoratorium met het Nederlands Kamerkoor en Concerto Köln. In oktober 2024 zong hij in Händels Esther met het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir ter gelegenheid van Ton Koopmans tachtigste verjaardag, en in een programma met werken van Bach en Händel door het het Concertgebouworkest. Op 2 april jongstleden was hij in de een van de solisten in Beethovens Negende symfonie door het Symfonieorkest Vlaanderen en het Estonian Philharmonic Chamber Choir.