Thomas Quasthoff spreekt, Florian Boesch zingt
Thomas Quasthoff spreker
Florian Boesch bariton
Justus Zeyen piano
Heine-liederen
Robert Schumann 1810-1856
Der arme Peter 1:
Der Hans und die Grete tanzen herum
Der arme Peter 2:
In meiner Brust
Der arme Peter 3:
Der arme Peter wankt vorbei
uit ‘Romanzen und Balladen III’, op. 53 (1840)
Franz Schubert 1797-1828
Ihr Bild
Der Doppelgänger
Der Atlas
uit ‘Schwanengesang’, D 957 (1828)
Franz Liszt 1811-1886
Vergiftet sind meine Lieder (1844/49)
Ein Fichtenbaum steht einsam (1845-60)
Die Loreley (1841/1854-59)
pauze
Robert Schumann
Es leuchtet meine Liebe
uit ‘Lieder und Gesänge’, op. 127 (1840-50)
Belsatzar, op. 57 (1840)
Dein Angesicht, so lieb und schon
uit ‘Lieder und Gesänge’, op. 127 (1840-50)
Du bist wie eine Blume
Die Lotosblume
uit ‘Myrthen’, op. 25 (1840)
Liederkreis, op. 24 (1840)
Morgens steh’ ich auf und frage
Es treibt mich hin, es treibt mich her
Ich wandelte unter den Bäumen
Lieb Liebchen, leg’s Händchen
Schöne Wiege meiner Leiden
Warte, warte, wilder Schiffsmann
Berg’ und Burgen schau’n herunter
Anfangs wollt’ ich fast verzagen
Mit Myrthen und Rosen, lieblich und hold
begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.00 uur
teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal
Toelichting
1810-1856
Robert Schumann
Sinds Robert Schumann in Leipzig eind 1839, begin 1840 veel met Felix Mendelssohn omging en diens eren en duetten leerde kennen, raakte ook hij in het klavierlied geïnteresseerd. Mogelijk met de gedachte aan Mendelssohn op de achtergrond schreef Schumann de eerste vocale compositie van zijn productierijke liederenjaar 1840 op een tekst van Shakespeare. Maar daarna diende Heines Buch der Lieder, een in 1827 verschenen bundel van verschillende al eerder gepubliceerde reeksen gedichten, hem tot inspiratiebron, hetgeen tot Belsatzar en Liederkreis, 24 zou leiden. Vele teksten uit het Buch der Lieder zwemen naar volkspoëzie, zoals de drie gedichten Der arme Peter. Schumann paste daar de van het danslied Der Hans und die Grete en van het stemmingsstuk In meiner Brust bij aan. Dat bij Schumann vaak de muzikale c.q. instrumentale vorm prevaleert boven de betekenis van de tekst, blijkt onder andere uit het feit dat de frase ‘Ich steig’ hinauf des Berges Höh’ op een sterk dalende melodielijn staat. Een variant van deze melodie leidt een langzame stapdans in driekwartsmaat in, die ‘der arme Peter’ tenslotte naar zijn graf begeleidt, niet ‘wankend’ (wankelend), zoals het tekstbegin suggereert, maar schrijdend.
1797-1828
Franz Schubert
Tot Heines Buch der er, dat Franz Schubert in januari van zijn sterfjaar 1828 leerde kennen, behoort ook de bundel Die Heimkehr (1826), waaruit de gedichten stammen die aan Schuberts Heine-liederen (augustus 1828) ten grondslag liggen. De sombere sfeer in Ihr Bild, Der Doppelgänger en Der Atlas wordt sterk bepaald door de lage octaven en en in de begeleidingen, zoals in de tussenspelen van Ihr Bild, dat zich kenmerkt door de transparantie van unisono lijnen, die het immateriële karakter van het visioen weergeven. De duistere akkoorden, die het bijna achtige Der Doppelgänger begeleiden, vormen een rondgang, zo eindeloos als het liefdesleed van de ik-persoon. En het lot van Atlas wordt weergegeven door een inleidende figuur die hem als een vloek lijkt te treffen.
1811-1886
Franz Liszt
Franz Liszt heeft gedurende het grootste deel van zijn carrière als pianist, en componist eren geschreven, die uitblinken door originaliteit in vorm, k en kleurrijke, vaak virtuoze begeleidingen. Zo is het lied Vergiftet sind meine Lieder, dat in 1842 ontstond en misschien met de verwijdering tussen Liszt en zijn toenmalige levensgezellin, gravin Marie d’Agoult, in verband gebracht kan worden, in wezen een begeleid , dat dan ook van het uitvoeringsvoorschrift ‘heftig deklamiert’ is voorzien. De uitroep ‘Und dich, Geliebte mein!’ krijgt een ‘ongehoord’ in de pianopartij mee. Nog vooruitstrevender in harmoniek is Ein Fichtenbaum steht einsam; het ijle beeld van de verre palmboom ligt, als weergave van de afstand waarvan het gedicht verhaalt, qua (A groot) ver verwijderd van dat van de spar (es klein). Liszts spannende recitatief--achtige zetting van het gedicht Die Loreley getuigt van een totaal andere liedopvatting dan Friedrich Silchers alom bekende coupletlied (1837). Liszt maakt, door het recitatieve begin en de muzikale nadruk op de melancholie van ‘dass ich so traurig bin’, van het lied de raamvertelling die het eigenlijk is. Het visioen van de verteller duidt er ongetwijfeld op, dat ook hij ten offer is gevallen aan de charmes van een voor hem onweerstaanbare vrouw. Liszt laat de Loreley zingen in een met een prachtige en benadrukt door herhalingen van ‘das hat mit ihrem Singen die Loreley getan’ dat het speciaal de zang is die een betoverende uitwerking op de toehoorder heeft: ondanks het lot van de visser eindigt dit lied in .
1810-1856
robert schumann
Heines sombere sprookjesbeeld in Es leuchtet meine Liebe heeft in Schumanns zetting met zijn in twaalf achtsten doorlopende enpatroon het karakter van een gepassioneerd klavierstemmingsstuk en wel in g klein, zeer vaak de van de slecht aflopende ballade.
Ook Heines gedicht over de geschiedenis van koning Belsatzar werd door Schumann in g klein getoonzet in een prachtig opgebouwde compositie, die vanuit een zich met het verhaal ontwikkelende begeleiding zowel de coupletvorm van het gedicht als een consequente gang naar de indrukwekkende climax ‘Ich bin der König von Babylon’ presenteert. Net zoals in Schuberts Erlkönig (ook in g klein) heeft de slotfrase een karakter.
In Dein Angesicht schildert Heine een droombeeld van de geliefde – enigszins prematuur – in fin de siècle-stijl: bleek en ‘schmerzensreich’ met rode lippen, een teken van leven dat ook Schumanns serene toonzetting tot ‘warmte’ (tertsengangen) brengt. Verandering in dit beeld wordt echter gebracht door de Dood, onder meer weergegeven in onverwachte k (‘bald aber küsst sie bleich der Tod’). De twee ‘bloemenliederen’, het verstilde Du bist wie eine Blume, waarin de ‘Wehmut’ een kleine chromatische verstoring brengt, en Die Lotosblume, stammen beide uit Myrthen (februari/maart 1840), de huwelijksliederenbundel voor Clara Wieck. In Die Lotosblume wordt de stem wordt voornamelijk homofoon gedragen door herhaalde akkoorden, die het gehele lied begeleiden. Ze zijn suggestief voor de droomstemming, maar tevens voor het kosmische aspect van het gedicht. De ruimte gevende diepe bassen in de linkerhand verdwijnen wanneer de blik omhoog gericht wordt naar de maan.
Liederkreis
De negen eren van de Liederkreis, 24 ontstonden in februari 1840. Ze vormen een cyclus, waarin in de eerste twee liederen de ongeduldige verwachting van de geliefde het is. In het derde, Ich wandelte unter den Bäumen, is de vervlogen liefde het onderwerp, vervolgens de naderende dood (Lieb Liebchen), dan het afscheid (Schöne Wiege en Warte, warte, wilder Schiffmann), gevolgd door een vaart over de Rijn, in deze context misschien het water dat de verblijfplaatsen van levenden en gestorvenen scheidt. Dan volgt er een korte nabeschouwing van de liefdestocht (Anfangs wollt’ ich).Het aanhoudend trippelende begeleidingspatroon, dat de basis vormt van het gehele lied Morgens steh’ ich auf und frage, kan ervaren worden als ongeduld of als het wegtikken van de tijd tijdens het lange wachten op de geliefde. De frustratie wordt in Es treibt mich hin weergegeven door figuren die ‘sehr rasch’ uitgevoerd moeten worden maar van een vertragende zwaarte zijn. IJle unisono’s symboliseren de traag verglijdende uren en in het naspel werken figuren met een verschoven ritmiek als symbool van de tegenwerking van de antipathieke tijdgodinnen (Horen).In het verstilde lied Ich wandelte unter den Bäumen creëerde Schumann een blik in een andere wereld, door een plotselinge overgang naar de onderterts en een ritmische variant van het hoofdthema bij ‘Es kam ein Jungfräulein’.
Lieb Liebchen leg’s Händchen aufs Herze mein, zou – onder andere door de veelzeggende pauzes voor de doodssymbolen ‘Totensarg’ en ‘ewig schlafen kann’ – een ‘dramatische miniatuur’ genoemd kunnen worden. In Schöne Wiege meiner Leiden, het afscheid van een plaats van liefdesgeluk, heeft Heine waarschijnlijk Hamburg in gedachten gehad, waar hij in het huis van zijn vermogende oom Salomon Heine verbleef en verliefd werd op een van diens dochters. Ritmisch uitgangspunt voor het flexibele begeleidingspatroon van het lied is het symbool van de ‘Schöne Wiege’. Met Warte, warte, wilder Schiffmann wordt Charon, de veerman naar de onderwereld, bij het vertrek betrokken. Het tempo en de doorgaande - en akkoordfiguren suggereren gejaagdheid en emotie. In een , Berg’ und Burgen schau’n herunter, met een geraffineerd suggestief in de begeleiding, vaart de dichter over de Rijn, waarin zich het karakter van zijn geliefde weerspiegelt. Hoe slepend en zwaar de liefdesgeschiedenis van de dichter verliep, vertelt hij in Anfangs wollt’ ich fast verzagen, in een zetting met een continu voortstappen, zoals we vaak horen in liederen waarin sprake is van moeizaam streven. Het als een doodskist met bloemen overdekte boek, dat tenslotte in Mit Myrthen und Rosen de liederen van liefdesleed bevat, zal ooit in handen van de geliefde geraken, voor Schumann die van zijn verloofde Clara Wieck.
Henriëtte Sanders
Biografie
Thomas Quasthoff, spreker
De Duitser Thomas Quasthoff was meer dan twee decennia als bariton actief op de internationale concertpodia. Hij musiceerde als solist met vele grote orkesten en werkte met en als Bernard Haitink, Claudio Abbado en Simon Rattle. Hij gaf tal van s en zong vele rollen.
In februari 2009 was hij voor het laatst te beluisteren in de van Het Concertgebouw, als een van de solisten in het Requiem van Dvořak door het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Mariss Jansons.
In 2012 beëindigde Thomas Quasthoff zijn carrière als zanger. Sindsdien ontplooide hij een aantal andere talenten. Hij is actief als verteller en trad als zodanig op met onder meer het Belcea Kwartet en de Berliner Philharmoniker; bij het Radio Symphonie Orchester Wien vertolkte hij de spreekpartij in Schönbergs A Survivor from Warsaw.
Thomas Quasthoff maakte zijn acteerdebuut met de rol van Feste in Shakespeare’s Twelfth Night, or What You Will. Samen met auteur Michael Frowning en pianist Jochen Kilian debuteerde hij in 2013 op het cabaretpodium. Het drietal presenteert dit jaar een nieuw programma.
In 2015 trad Thomas Quasthoff voor het eerst op als , met Bachs Matthäus-Passion door het Verbier Festival Orkest en het RIAS Kammerchor. Thomas Quasthoff geeft bovendien les aan de Musikhochschule ‘Hanns Eisler’ in Berlijn.
Florian Boesch, bas-bariton
Florian Boesch soleerde bij het Concertgebouworkest, de Berliner Philharmoniker, de omroeporkesten in München en Parijs, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Dresden en het Mozarteumorchester Salzburg.
Met Nikolaus Harnoncourt (1929-2016) had de zanger een bijzondere band, ze voerden samen oratoria van Händel en Haydn uit op podia in Europa en Japan.
Hoogtepunten in het lopende seizoen zijn optredens met het London Symphony Orchestra onder Simon Rattle en met Il Giardino Armonico onder Giovanni Antonini, Beethovens Negende symfonie met de Münchner Philharmoniker en met het Tsjechisch Philharmonisch Orkest, Brahms’ Ein deutsches Requiem en Bachs Matthäus-Passion met het Collegium Vocale Gent onder Philippe Herreweghe en Beethovens Missa solemnis met de Wiener Philharmoniker onder Herbert Blomstedt. Florian Boesch is ook een geliefd zanger; in het Theater an der Wien stond hij in Händels Orlando, Weills Die Dreigroschenoper, Bergs Wozzeck en Mozarts Le nozze di Figaro, bij de Berliner Staatsoper in Berlioz’ La damnation de Faust, op de Salzburger Festspiele in Mozarts Così fan tutte en bij De Nationale Opera in Händels Jephtha.
Afgelopen seizoen debuteerde hij bij de Wiener Staatsoper in het Mahlerproject Von der Liebe Tod en deed hij een geënsceneerde Die schöne Müllerin van Schubert in Berlijn, Bregenz, Graz en Gmunden. In de gaf Florian Boesch zijn eerste in de Rising Stars-serie van 2004/2005 en was hij voor het laatst te gast op 13 maart 2018 in een Schubert-programma met pianist Malcolm Martineau. Een recital dat was gepland op 26 mei 2020 is niet doorgegaan vanwege de pandemie.
Justus Zeyen, piano
Justus Zeyen is afkomstig uit Kiel en studeerde in Hannover. Onder zijn docenten zijn Karl Engel en Bernhard Ebert, en daarnaast volgde hij cursussen bij Erik Werba en Hartmut Höll. De pianist treedt veelvuldig op in Europa, de Verenigde Staten en Japan.
Naast kamermuziek en zijn solistische optredens met orkest concentreert Justus Zeyen zich op de kunst van het begeleiden. Hij musiceerde met tal van bekende zangers, onder wie Diana Damrau, Sibylla Rubens, Measha Brueggergosman en Florian Boesch.
Zijn vorige optreden in de van Het Concertgebouw was op 4 november 2014 met tenor Michael Schade.
Sinds een eerste gezamenlijk optreden in 1994 werkte Justus Zeyen regelmatig samen met Thomas Quasthoff. Het duo trad op in onder meer de Philharmonie in Berlijn, de Scala in Milaan, de Londense Wigmore Hall, Carnegie Hall in New York en de van Het Concertgebouw. Hun opname van eren van Brahms en Liszt kreeg in 2001 een Cannes Classical Award en werd genomineerd voor een Grammy Award; op andere albums van het duo staan liederen van Schumann, Schubert, Mendelssohn en Richard Strauss.
Justus Zeyen is als docent verbonden aan de Musikhochschule in Hannover.


