Thomas Oliemans en Malcolm Martineau: Mahler en Duparc

Thomas Oliemans bariton
Malcolm Martineau piano

pauze ca. 21.00 uur
einde ca. 22.00 uur 

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2.

Henri Duparc 1848-1933

Le manoir de Rosemonde (1879)

Sérénade (1869)

Chanson triste (1868-1902)

Testament (1883)

Le galop (1869)

Gustav Mahler 1860-1911

Scheiden und meiden
uit ‘Des Knaben Wunderhorn’ (1892-1901)

Frühlingsmorgen
Erinnerung
Hans und Grethe
uit ‘Lieder und Gesänge’ (1880-87)

Lieder eines fahrenden Gesellen (1883-85)
Wenn mein Schatz Hochzeit macht
Ging heut’ morgen übers Feld
Ich hab’ ein glühend Messer
Die zwei blauen Augen

pauze

Henri Duparc

L’invitation au voyage (1870)

La vague et la cloche (1871)

Phidylé (1882)

Gustav Mahler

Um Mitternacht
Ich atmet’ einen linden Duft
Blicke mir nicht in die Lieder
Ich bin der Welt abhanden gekommen
uit ‘Rückert-Lieder’ (1901-02)

Toelichting

Henri Duparc 1848-1933

Mélodies

tekst: Axel Meijer

Op een avond in 1884 vindt er een inbraak plaats in Marnes-la-Coquette. De burgemeester wordt gewaarschuwd en hij begeeft zich naar de plaats delict. Wanneer hij bijna ter plaatse is, trekt een prachtig zingende vrouwenstem zijn aandacht, en monsieur le maire verdwijnt spoorloos.

Uren later wordt hij teruggevonden aan de piano van de beroemde ster Albion, die sinds kort ook in deze voorstad van Parijs woont. ‘Met de afhandeling van de diefstal kwam het pas veel later in orde, min of meer,’ aldus de zoon van de burgervader.

De burgemeester in kwestie is de componist Henri Duparc. Hij is ten tijde van de inbraak pas zesendertig, maar heeft, zo zal blijken, zijn gehele scheppende leven al achter zich. Een jaar eerder is hij mentaal ingestort. De vage diagnose luidt: neurasthenie.

Als tiener aan een jezuïetencollege krijgt Duparc van zijn beroemde muziekleraar César Franck diens gebruikelijke advies: ‘Je hoeft niet veel te schrijven, als het maar heel goed is.’ Duparc neemt het ter harte: zijn oeuvre bestaat vrijwel alleen uit zeventien ‘mélodies’ voor zangstem met begeleiding.

Ondanks dat piepkleine oeuvre is Duparcs naam net zomin uit het Franstalige -repertoire weg te denken als die van zijn goede vriend Gabriel Fauré. 

Zijn unieke positie in de muziekgeschiedenis dankt Duparc aan het feit dat hij een brug slaat tussen twee ogenschijnlijk onverenigbare werelden: enerzijds de ‘tendresse’ van Fauré en de vroege belle epoque; anderzijds de wagneriaanse vroegmoderniteit van Duitssprekende componisten.

Duparcs piano-begeleidingen doen soms sterk denken aan Hugo Wolf, bijvoorbeeld in Le galop en in Le manoir de Rosamunde. Stevige partijen, des te opvallender omdat Duparc zelf grif toegaf bepaald geen uitblinker te zijn in Francks pianoklas.

Duparcs verwantschap met Fauré spreekt uit liederen als Chanson triste en Testament. Net als de drie jaar oudere componist vaak deed, past Duparc hier een geraffineerd variërende ritmiek toe, waardoor de maatstrepen haast lijken te verdwijnen.

La vague et la cloche en Phidylé zijn opgedragen aan respectievelijk Vincent d’Indy en Ernest Chausson, twee andere beroemde leerlingen van Franck. Beiden hebben aanzienlijk meer liederen op hun naam staan, maar die worden nog maar zelden gehoord.

In Phydilé vormt een eenvoudige de basis voor een doorwerking van bijna symfonische proporties. Dat doet al aan Gustav Mahler denken, voor wie het simpelste volksliedje uitgangspunt kon zijn voor hele symfoniedelen. Overigens orkestreerde Duparc bijna al zijn liederen, net als Mahler.

De Sérénade is dertig maten kort, maar schetst een volmaakte verliefdheid, groot genoeg om een hele dichtbundel mee te vullen. L’Invitation au voyage is een gedicht uit de beroemde dichtbundel Fleurs du mal van Charles Baudelaire, en misschien daarom wel Duparcs bekendste lied. Een minnaar belooft zijn geliefde de wereld aan schoonheid, als ze maar met hem mee wil gaan, naar een gedroomde wereld.

Na de inzinking op zijn vijfendertigste zou Duparc, zoals gezegd, niets meer componeren, hoewel hij nog een halve eeuw te leven had.

De oorzaak voor zijn ‘neurasthenie’ is onbekend. Mogelijk hield ze verband met een trauma dat Duparc had opgelopen als soldaat in de Frans-Duitse oorlog van 1870. Bekend is in ieder geval dat Duparc zich na dat conflict veelal onbegrepen voelde in zijn liefde voor Duitse muziek.

Gustav Mahler 1860-1911

Liederen

Op Gustav Mahler heeft de oorlog van 1870 een heel andere invloed. Als tienjarige, opgroeiend in garnizoensstad Iglau, in Moravië, is hij vooral onder de indruk van de militaire kapel die daar speelt voor de gemobiliseerde Oostenrijks-Hongaarse troepen.

Militaire invloeden zijn overduidelijk in Mahlers symfonieën, maar zijn ook te vinden in zijn eren, bijvoorbeeld in het eerste van de Lieder eines fahrenden Gesellen, dat opent met een soort signaal. De cyclus, op autobiografische teksten van de componist, werd geschreven rond 1884, na het verbreken van Mahlers verhouding met sopraan Johanna Richter.

ën uit het tweede en het laatste lied zouden enkele jaren later uitgroeien tot onderdelen van zijn Eerste symfonie. De titel van de cyclus verwijst naar Mahlers leerjaren als jonge , reizend van huis naar operahuis.

FrühlingsmorgenErinnerung en Hans und Grethe komen uit de eerste van drie bundels er und Gesänge. Ze behoren tot Mahlers vroegste liederen, van rond zijn twintigste. Het eerste lied is een aubade aan de nog slapende geliefde. Hier is een andere grote invloed op Mahlers werk hoorbaar, namelijk de geluiden van de natuur: de leeuwerik zingt in steeds hogere pianoregisters.

Erinnerung biedt een vroeg voorbeeld van nog een andere Mahler-karakteristiek: het lied eindigt in een andere dan het begon. Hans und Grethe is vermoedelijk een van Mahlers allereerste liederen, een vrolijke, ongecompliceerde meidans.

De tekst voor Scheiden und meiden komt uit de volksdichtbundel Des Knaben Wunderhorn. Typisch Mahler is de volkse toon, alsof het om een traditioneel volksliedje gaat, zij het met een stevige begeleiding, die onder meer het galopperen van ruiters illustreert.

Friedrich Rückert is met afstand Mahlers favoriete dichter. ‘Lyriek direct uit de bron,’ aldus de componist, ‘al het andere is afgeleide lyriek.’ Um Mitternacht verwijst naar een avond in februari 1901, toen levensbedreigende bloedingen Mahler op de rand van de dood brachten. Het lied is een dankzegging voor zijn genezing.

In Ich atmet’ einen linden Duft schildert Mahler in muziek de geur van een lindeboom. De boom symboliseert hier de (voorbije) liefde, net als in het laatste van de Lieder eines fahrenden GesellenBlicke mir nicht in die Lieder is quasi-autobiografisch: volgens zijn vrouw Alma kon Mahler absoluut niet tegen pottenkijkers bij zijn werk – ‘deine Neugier ist Verrat,’ klinkt het geïrriteerd. Immers: ‘de bijen geven hun honing pas prijs als de raat gereed is.’

In het diep verstilde Ich bin der Welt abhanden gekommen trekt de dichter (of componist) zich terug in zijn eigen persoonlijke hemel, ‘in mijn liefhebben, in mijn lied’.

Het doet onwillekeurig denken aan de oude Duparc, bedlegerig, verlamd en blind, geheel in zichzelf gekeerd. In zijn eigen woorden: ‘God wil dat ik meer in mezelf leef. Hij heeft me mijn zicht ontnomen, maar wat ik hoor is schitterend…’ 

Biografie

Thomas Oliemans, bariton

In een Spotlightserie in de in seizoen 2021/2022 bracht Thomas Oliemans zijn veelzijdigheid over het voetlicht: hij presenteerde het duorecital Wien, Berlin, Buenos es met sopraan Eva-Maria Westbroek, zong én speelde Schuberts Winterreise, en bracht een programma m Schoecks Notturno met het Signum Quartett.

Thomas Oliemans studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam bij Margreet Honig. Bij De Nationale zong de bariton grote rollen in bijvoorbeeld La bohème van Puccini en Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny van Weill, en in 2013 kreeg hij de Prix d’Amis voor zijn Papageno in Mozarts Die Zauberflöte.

Ook stond hij er in nieuwe ’s van Peter-Jan Wagemans, Rob Zuidam, Martijn Padding, Manfred Trojahn en Kaija Saariaho.

In Londen zong Thomas Oliemans zowel bij de English National Opera als bij de Royal Opera Covent Garden, en ook de operahuizen van Hamburg, Berlijn, Genève, Madrid, Toulouse en New York en de festivals van Aix-en-Provence en Salzburg engageerden hem.

Thomas Oliemans werkte met de meeste Nederlandse orkesten; bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2016 in Bachs Matthäus-­Passion. Met Amsterdam Sinfonietta bracht de zanger in de zomer van 2021 een Frans programma, dat uitmondde in de cd Formidable!. In november van dat jaar werd hij live op tv verrast met De Ovatie, de klassieke-­muziekprijs van de VSCD.

Onder de buitenlandse orkesten die Thomas Oliemans uitnodigden zijn het Philharmonia Orchestra, het BBC Symphony Orchestra, het Freiburger Barockorchester, Pygmalion en het Yomiuri Symphony Orchestra.

s geeft hij op de belangrijke podia wereldwijd, zo bracht hij in de onder meer de drie grote ­cycli van Schubert met pianist Malcolm Martineau. Voor Het Concert­gebouw maakte Thomas Oliemans met Gijs Groenteman omvangrijke podcastseries over Schuberts Winterreise en Bachs Matthäus-Passion.

Malcolm Martineau, piano

Malcolm Martineau, geboren in Edinburgh en opgeleid in Cambridge en bij Geoffrey Parsons in Londen, specialiseerde zich in de kunst van het begeleiden. Hij ­musiceerde wereldwijd met tal van befaamde zangers, onder wie Barbara Bonney, Ian Bostridge, Sarah ­Connolly, Susan Graham, Thomas Hampson, Angelika ­Kirchschlager, Magdalena Kožená, Konstantin Krimmel, Felicity Lott, ­Christopher Maltman, Anna Netrebko, Anne Sofie von Otter en Bryn Terfel.

Songs of War, een album met vooral Engelse componisten opgenomen met Simon Keenlyside, werd bekroond met een Grammy Award.

Met Tom Krause en Sarah Walker legde Malcolm Martineau alle eren van Fauré vast. Ook het hele liedoeuvre van Poulenc en Mendels­sohn, de Folk Songs van Britten en alle volksliederen van Beethoven nam hij op. Met Florian Boesch maakte hij een Britten-album, een opname van Schuberts Winterreise en een cd met liederen van Schumann en Mahler.

De pianist presenteerde eigen concertseries in de Londense Wigmore Hall en op het Edinburgh Festival, was in 2011 artistiek leider van het Leeds Lieder Festival en is dat momenteel van Oxenfoord International. Van het Royal Conservatoire of Scotland kreeg hij in 2004 een eredoctoraat en sinds 2009 is hij er International Fellow of Accompaniment; ook geeft hij les op de Royal Academy of Music in Londen.

In Het Concertgebouw was Malcolm Martineau het afgelopen decennium te beluisteren met Florian Boesch (2013, 2018 en 2024), Kate Royal (2013), Dorothea Röschmann (2014), Thomas Oliemans (2016 en 2017), het duo Thomas Oliemans en Eva-Maria Westbroek (2021) en het duo Erin Morley en Huw Montague Rendall (2024).