Thomas Hengelbrock bij het Concertgebouworkest: Mozarts Requiem en Schuberts Onvoltooide

Koninklijk Concertgebouworkest
Balthasar-Neumann-Chor 
Thomas Hengelbrock dirigent

Katja Stuber sopraan
Marion Eckstein alt
Andreas Weller tenor
Reinhard Mayr bas

dit concert maakt deel uit van Serie D

Franz Schubert 1797-1828

Stabat mater in g kl.t., D 175 (1815)
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest 

Achtste symfonie in b kl.t.,
D 759 (1822) ‘Onvoltooide’
Allegro moderato
Andante con moto
De beide werken van Schubert worden zonder onderbreking na elkaar uitgevoerd.

pauze 

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Requiem in d kl.t., KV 626 (1791)
voltooid door Franz Xaver Süssmayr
Introitus: Requiem
Kyrie
Sequenz: Dies irae – Tuba mirum – Rex tremendae – Recordare – Confutatis – Lacrimosa
Offertorium: Domine Jesu – Hostias
Sanctus
Benedictus
Agnus Dei
Communio: Lux aeterna

begin van de pauze ca. 20.50 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur

Toelichting

Franz Schubert 1797-1828

stabat mater

tekst: Frits de Haen

Een drietal stukken met een onvolledige status. Bovendien een combinatie van twee alom bekende meesterwerken met een zelden gehoorde compositie, het Stabat mater in g klein, D 175 van Schubert. Het is zelfs nog onbekender dan dat andere Stabat mater dat de componist naliet, dat Otto Erich Deutsch catalogiseerde onder nummer 383. Is dat laatste een van ongeveer drie kwartier, het Stabat mater, D 175 is veel korter.

Waarschijnlijk componeerde Schubert het voor de kerk in Lichtental waar hij zelf gedoopt werd; om die reden wordt die wel aangeduid als de Schubertkirche.

Sinds de Middeleeuwen was het Stabat mater populair. Het verhaalt hoe Maria treurt bij haar zoon aan het . Wanneer de tekst ontstond, is onduidelijk, maar dat moet ergens in de dertiende eeuw of in de vroege veertiende eeuw geweest zijn. Wellicht was hij van de hand van de franciscaner monnik Jacopone da Todi, maar ook de namen van paus Innocentius III en de heilige Bonaventura zijn genoemd. De sequentia werd gezongen bij het feest van de Zeven Smarten van Maria op 15 september.

In de loop van de zestiende eeuw kwam ze in de verdrukking: het Concilie van Trente stelde paal en perk aan de wildgroei in het en deed het Stabat mater in 1570 in de ban. Pas in 1727 werd het door paus Benedictus XIII in ere hersteld. Na die rehabilitatie liet een groot aantal componisten zich erdoor inspireren. Schubert zette enkel vier stanza’s van de in totaal twintig die de sequentia telt. Opmerkelijk is verder dat Schubert haar zette als een doorlopend muziekstuk, niet opgesplitst in aparte strofen.

Franz Schubert 1797-1828

achtste symfonie

tekst: Frits de Haen

Tijdens dit concert gaat het onbekende Stabat mater naadloos over in een van Schuberts populairste werken, de ‘Onvoltooide’. Een mijlpaal in Schuberts symfonische oeuvre, want na zijn eerdere symfonieën betrad hij hier een nieuw terrein. De eerste zes symfonieën schreef hij tussen oktober 1813 en februari 1818, dus in nog geen vier en een half jaar. Daarna volgde een periode van schetsen (onder andere voor een onvoltooide Zevende) en vervolgens pas in oktober 1822, dus weer vier en een half jaar later, deze Achtste.

Net als in het ‘onvolledige’ Stabat mater week Schubert ook hier af van het gebruikelijke aantal delen. In plaats van drie of vier beschikken we slechts over twee delen die hij voltooide. Toch schetste hij aan een derde (-)deel maar om een of andere reden legde hij deze schetsen terzijde. Was het omdat hij er niet tevreden over was? Omdat hij vastliep in het feit dat de twee delen beide in driedelige stonden – het op die plaats gebruikelijke scherzo zou weer driedelig moeten zijn? Waren het zijn gezondheidsproblemen die roet in het eten gooiden? Werd hij te veel in beslag genomen door het werk aan composities als de Wandererfantasie? Of zijn er manuscripten verloren gegaan?

Er is wel geopperd dat Schubert als finale muziek had willen gebruiken die uiteindelijk als Entr’acte in Rosamunde terechtkwam. In ieder geval raakte de symfonie in vergetelheid totdat in 1860 Schuberts vriend Josef Hüttenbrenner de aandacht erop vestigde van Johann von Herbeck, van de Gesellschaft der Musikfreunde. Hüttenbrenner roemde de ‘b klein-symfonie, die we gelijk kunnen stellen aan de grote in C, zijn instrumentale zwanenzang, en aan welke van Beethoven ook maar’.

Toch beleefde de symfonie haar première niet eerder dan in 1865 en werd zij pas twee jaar later gepubliceerd. Het was de muziekcriticus Eduard Hanslick die bij de eerste uitvoering van deze ‘Schubertse Novität’ schreef: ‘Als na een paar inleidende maten klarinet en hobo eenstemmig hun zoete gezang aanheffen boven het rustige gemurmel van de violen, dan herkent elk kind de componist, en de halfonderdrukte uitroep “Schubert” zoemt fluisterend door de zaal. Hij is nog nauwelijks binnen maar het is alsof je de man herkent aan zijn tred, aan zijn manier om de deur te openen.’

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

requiem

Zo complimenteus als Hanslick zich betoonde over Schubert, zo idolaat was Schubert zijnerzijds over Wolfgang Amadeus Mozart: ‘O Mozart, onsterfelijke Mozart, hoeveel, oh hoe oneindig veel zulke weldadige afdrukken van een lichter, beter leven heb je in onze zielen gedrukt.’ Schubert had zijn grote voorbeeld niet zelf meegemaakt: zes jaar voordat Schubert geboren werd was Mozart overleden. Met een onaf werk, en met de noodzaak voor zijn weduwe Constanze om de overgebleven schetsen te gelde te maken. Want het werk was een opdracht, en wel van Mozarts logebroeder graaf Franz von egg-­Stuppach. Die wilde het voor een eigen compositie laten doorgaan om zijn in februari van dat jaar overleden vrouw te gedenken – vandaar de geheimzinnigheid die de opdracht omgaf. De graaf had al een aanbetaling gedaan, dus was Constanze er veel aan gelegen om het Requiem volledig te kunnen leveren.

Mozart had enkel het Introitus volledig geïnstrumenteerd; van de rest tot aan het Hostias waren zangpartijen en becijferde bas genoteerd en er waren hier en daar wat schetsmatige aanwijzingen. Maar die waren verre van uitgewerkt of georkestreerd. Bovendien brak het Lacrimosa af na acht maten en tot slot waren Sanctus, Benedictus en Agnus Dei nog niet genoteerd.

Constanze benaderde de voormalige Mozart-leerlingen Franz Xaver Süssmayr en Joseph Leopold Eybler. De laatste ging aan de slag maar gaf de opdracht in tweede instantie terug. Waarna Süssmayr de draad oppakte; volgens zijn eigen getuigenis componeerde hij het Sanctus, Benedictus en Agnus Dei helemaal zelf. Een en ander is echter moeilijk te bepalen door de grote gelijkenis van Süssmayrs handschrift met dat van Mozart. Bovendien is vaker betoogd dat Mozart misschien nog nauwkeurige aanwijzingen gaf, hetzij in verloren gegane schetsen, hetzij mondeling.

Uiteindelijk ontving de graaf het voltooide Requiem en bovendien – maar dat wist hij niet – werd het zo op 2 januari 1793 uitgevoerd tijdens een benefietconcert voor Constanze in Wenen. Die zei jaren later, in 1827, dat Mozart ‘nooit ook maar een requiem begonnen was en me vaak vertelde dat hij dit werk (namelijk de opdracht van een anoniem persoon) ondernam met het grootste plezier, omdat dit zijn favoriete genre was en dat hij het ging componeren met een dusdanige ijver dat vriend en vijand het na zijn dood zouden bestuderen; als ik maar zo lang in leven blijf want dit moet mijn meesterwerk en zwanenzang zijn.’

Biografie

Balthasar-Neumann-Chor

Het Balthasar-Neumann-Chor werd in 1991 opgericht door Thomas Hengelbrock. De eerste concerten reeds werden internationaal geprezen als opzienbarende successen. Het gezaghebbende magazine Gramophone noemde het een van de beste koren ter wereld. Naast muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw staan ook hedendaagse werken op het repertoire en worden onder de noemer ‘Vermächtnisse’ bijvoorbeeld werken van Perotinus tot Ligeti uitgevoerd.

Bijzondere specialiteiten van het koor zijn daarnaast onbekende kerkmuziek en de Italiaanse koormuziektraditie. In de muziektheatrale en scenische producties met het in 1994 opgerichte Balthasar-Neumann-Ensemble – waaronder Italienische Karnevalsmusiken inclusief kostuums en maskers en King Arthur naar John Dryden met muziek van Henry Purcell – komt het buitengewone acteertalent van de koorleden naar de voorgrond.

Het koor maakt vandaag zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Thomas Hengelbrock, dirigent

Thomas Hengelbrock is chef associé van het Orchestre de Paris. Van 2011 tot 2018 was hij chef- van het NDR Elbphilharmonie Orchester, waarmee hij in januari 2017 de Elbphilharmonie van Hamburg opende. Thomas Hengelbrocks repertoire reikt van de zeventiende eeuw tot heden. Als assistent van Antal Doráti, Witold Lutosławski en Mauricio Kagel zou hij al vroeg een grote affiniteit met hedendaagse muziek ontwikkelen. Een belangrijke stimulans voor zijn rol binnen de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk was Nikolaus Harnoncourts Concentus Musicus Wien, waarin hij violist was.

Later speelde Thomas Hengelbrock zelf een grote rol in de verspreiding van het gebruik van historische instrumenten in het Duitse concertleven, met name sinds de oprichting van het Balthasar-Neumann-Chor in 1991 en het Balthasar-Neumann-Ensemble in 1995. De stond tevens aan het roer van de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen (1995-1998), het Feldkirch Festival (2000-2006) en de Volksoper Wien (2000-2003). Hij is een graag geziene gastdirigent bij orkesten en huizen over de hele wereld.

In 2011 maakte hij zijn debuut op de Bayreuther Festspiele met Wagners Tannhäuser. In 2016 ontving Thomas Hengelbrock de Herbert von Karajan Musikpreis. Zijn debuut bij het Concertgebouworkest was in 2014 met werken van Haydn en Schumann. Zowel in 2017 als in 2018 dirigeerde Thomas Hengelbrock de Opening Night van het orkest. In maart 2019 kwam hij terug met werken van Schubert en Wennäkoski, in oktober 2019 leidde hij het orkest in werken van Purcell, Händel en Haydn.

Katja Stuber, sopraan

Katja Stuber studeerde in 2008 af bij Christian Gerhaher aan de Hochschule für Musik und Theater München, waar ze ook lessen volgde bij Juliane Banse en Helmut Deutsch. Ze vervolgde haar studie bij Ruth Ziesak in Saarbrücken en Margreet Honig in Amsterdam.

In 2011 gooide ze hoge ogen tijdens de honderdste Bayreuther Festspiele, waar ze haar debuut maakte als Junges Hirt in een nieuwe productie van Wagners Tannhäuser.

Ze keerde meermaals in Bayreuth terug en debuteerde in 2013 ook op de Salzburger Festspiele.

Concert­repertoire zong Katja Stuber met het Symphonieorchester des ­Bayerischen Rundfunks, de Münchner Philharmoniker, de orkesten van de WDR en de NDR, Concerto Köln, het Gewandhausorchester Leipzig en de Akademie für Alte Musik Berlin.

Ze werkte met en als Daniel Harding, Ivor Bolton, Hans-Christoph Rademann, Giovanni Antonini, Philippe Herre­weghe, Herbert Blomstedt en Jordi Savall (cd-opnames van Bachs ­Weihnachtsoratorium). Door het City of Birmingham Symphony Orchestra en Mirga Gražinytė-Tyla werd ze uitgenodigd voor Ein deutsches Requiem van Brahms en de Achtste symfonie van Mahler in Salzburg.

Het -debuut van Katja Stuber was in maart 2017 bij het Concertgebouworkest in het Requiem van Mozart onder leiding van Thomas Hengelbrock.

Marion Eckstein, alt

Marion Eckstein studeerde eerst germanistiek en schoolmuziek voordat zij zich als mezzo­sopraan ontpopte bij Julia Hamari en Dunja Vejzović. Zij is een graag ­geziene gast op Europese muziekfestivals en concertpodia en maakte tevens een tournee naar Japan.

Afgezien van enkele rollen legt Marion Eckstein zich voornamelijk toe op concertrepertoire, dat varieert van - tot hedendaagse muziek. Met name werken van Mahler zijn haar dierbaar; diens Kindertotenlieder voerde ze uit en nam ze op met het Linos Ensemble.

Marion Eckstein werkte samen met en als Kazem Abdullah, Rafael Frühbeck de Burgos en Helmuth Rilling en ze bouwde een ­speciale band met Thomas Hengelbrock op. Onder zijn leiding zong ze onder meer in een productie van Wagners Parsifal in het Teatro Real te Madrid en maakte ze haar succesvolle debuut bij de Salzburger Festspiele in Mozarts Requiem. Met hetzelfde werk debuteert ze nu bij het Koninklijk Concertgebouworkest, opnieuw onder Hengelbrocks leiding.

Andreas Weller, tenor

Andreas Weller kreeg op achtjarige leeftijd zijn eerste zanglessen als lid van de Stuttgarter Hymnus-Chorknaben. Aan de Staatliche Hochschule in Stuttgart studeerde hij zang, koordirectie en orkestdirectie, waarna hij diploma’s haalde aan de Hochschule für Musik und Theater in Hamburg en aan de Musikhochschulen van Lübeck en Zürich.

Sindsdien is Andreas Weller veelgevraagd als zanger en Evangelist in Bachs Passionen en werkte hij met gezelschappen als het RIAS Kammerchor, Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, Collegium Vocale Gent, het Amsterdam Baroque Orchestra en La Petite Bande onder en als Marcus Creed, Daniel Harding, Thomas Hengelbrock en Philippe Herreweghe.

Zijn repertoire concentreert zich vooral op werken van Bach; zo soleerde hij in diens Hohe Messe met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding van Ton Koopman en zong hij diverse s onder leiding van Frans Brüggen in Het Concertgebouw.

Vandaag debuteert Andreas Weller bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Reinhard Mayr, bas

De Oostenrijkse bas Reinhard Mayr begon zijn opleiding aan het conservatorium van Linz. Na een masterclass van Kurt Widmer sloot hij zich aan bij diens lessen aan de Musikakademie Basel, waarna hij verder studeerde bij Robert Holl aan de Universität für Musik und darstellende Kunst in Wenen.

Tijdens zijn studie in Basel debuteerde Reinhard Mayr in het Teatro Comunale in Florence en bij de Weense Volksoper, waar hij vervolgens werd gecontracteerd als ensemblelid.

Sinds 2001 zong hij bij het Opernhaus Zürich meer dan vijftig rollen, waaronder Antinous in Monteverdi’s Il ritorno d’Ulisse in patria (met Nikolaus Harnoncourt), en Frank in Die Fledermaus van J. Strauss jr. In 2012 maakte hij zijn debuut op de Salzburger Festspiele als Obrist in Die Soldaten van Zimmermann.

Reinhard Mayr is ook een succesvol ­zanger en treedt veel op met ensembles en -orkesten in oratoria en passies. In recente jaren was hij te horen in de Musikverein in Wenen, de Royal Albert Hall in Londen en het Gewandhaus in Leipzig. Bij het Koninklijk Concertgebouworkest maakt hij zijn debuut.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest