Thibaudet, Batiashvili & Capuçon: Mendelssohn en Ravel
Jean-Yves Thibaudet piano
Lisa Batiashvili viool
Gautier Capuçon cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Eerste pianotrio in c kl.t., op. 8 (1923)
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Tweede pianotrio in c kl.t., op. 66 (1845)
Allegro energico e con fuoco
Andante espressivo
Scherzo: Molto allegro quasi presto
Finale: Allegro appassionato
pauze (± 21.00 uur)
Maurice Ravel (1875-1937)
Pianotrio in a kl.t. (1914)
Modéré
Pantoum: Assez vif
Passacaille: Très large
Finale: Animé
einde (± 22.00 uur)
Toelichting
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Sjostakovitsj: Eerste pianotrio
Door Sabien van Dale
Het heeft zijn oorsprong in de solosonate uit de : een stuk voor een -instrument (meestal een viool) met begeleiding door een klavecimbel en een basinstrument. In de loop der muziekgeschiedenis krijgen deze onderstemmen een steeds grotere zelfstandigheid, en componisten van verschillende herkomst gaven het genre hun eigen kleur mee.
Sjostakovitsj: Eerste pianotrio
Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn Eerste pianotrio in c klein toen hij amper zeventien jaar oud was. Door de vroege dood van zijn vader moest hij in die periode brood op de plank brengen voor zichzelf, zijn twee zussen en zijn moeder. Hij deed dat als pianist in filmhuizen en vaudevilletheaters.
Voor de briljante conservatoriumstudent betekende het improviseren en componeren bij films een beproeving. Soms viel hij in slaap in de cinema maar af en toe slaagde hij erin om tijd te stelen voor zijn eigen aspiraties.
Volgens een getuigenis van zijn jongste zus repeteerde hij zijn Eerste pianotrio in de bioscoop als begeleiding voor een film, bijgestaan door zijn vrienden, de violist Venyamin Sher en de cellist Grigori Pekker. Zo maakten zij zich deze vroege compositie eigen, ongeacht de reacties van het publiek. Sjostakovitsj droeg dit op aan zijn toenmalige verloofde Tatjana Glivenko.
Dit compacte, eendelige jeugdwerk bevat al duidelijk de kiem van de ontwrichtende stemmingswisselingen die in zijn latere werken zo frappant naar voren komen. In de uitgerekte melodische frasen, de brutale scherzando-stijl en opzettelijk wijde textuur zijn reeds alle essentiële Sjostakovitsj-elementen aanwezig.
Men kan zich echter niet van de indruk ontdoen dat deze karakteristieken soms wat onsamenhangend in het rond zijn gestrooid en dat het geheel nog mankeert aan de fijne gradaties van ironie die later het handelsmerk van de componist zouden worden. Opvallend is ook de breedvoerige climax net voor het slot, alsof in gigantische letters het einde op het witte doek wordt afgetiteld.
De publicatie van dit eerste werd pas na de dood van Sjostakovitsj samengesteld uit verschillende onvolledig gebleven autografen. Zijn leerling Boris Tischenko vervolledigde de laatste ontbrekende maten.
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Tweede pianotrio
Door Anneloes Brand
De muziek van Johann Sebastian Bach (1685-1750) was van grote invloed op Felix Mendelssohn. Hij besteedde vele uren aan het bestuderen van ’s en koralen van de oude meester. Ook van invloed waren de Weense klassieke componisten, in wiens traditie hij was geschoold. Hij adopteerde hun transparante vorm en opbouw, maar overgoot deze met een flinke dosis .
Het Scherzo is zoals we van Mendelssohn gewend zijn: fantasierijk, elfachtig en halsbrekend snel
Verder was religie voor Mendelssohn van groot belang. Zijn familie was Joods, maar nam de naam Bartholdy aan en bekeerde zich tot het christendom in 1822 om het leven in Berlijn te vergemakkelijken. Al deze elementen komen terug in Mendelssohns Tweede in c klein, 66, dat hij zes jaar na zijn Eerste pianotrio in d klein, opus 49 voltooide. Hoewel hij het werk als verjaarscadeau voor zijn zus Fanny had geschreven, droeg hij het bij de publicatie in 1846 op aan zijn vriend Louis Spohr. Deze toonaangevende violist/componist voerde het pianotrio, met Mendelssohn zelf aan de piano, diverse malen uit.
Net als het Eerste pianotrio is het Tweede vanaf het begin vervuld van romantisch vuur. De golvende motieven geven het openings- een rusteloze energie. Het erop volgende is eigenlijk een ‘ ohne Worte’ en inderdaad zeer ‘espressivo’. Het is zoals we van Mendelssohn gewend zijn: fantasierijk, elfachtig en halsbrekend snel – ‘een lastig niemendalletje’ volgens de componist zelf. In de glorieuze Finale verenigt Mendelssohn zijn Joodse afkomst (het dansante openingsthema) en zijn aangenomen geloof: hij verweeft een melodie in de muziek, die sterk doet denken aan de Lutherse koralen van Bach.
Maurice Ravel 1875-1937
Ravel: Pianotrio
Door Anneloes Brand
Maurice Ravel liep al zes jaar met plannen rond om een te schrijven, maar pas in het voorjaar van 1914 begon hij daadwerkelijk aan zijn Pianotrio in a klein. Al gauw had de componist zijn harmonisch plan en de opzet klaar: de traditionele structuur met hoekdelen in , aangevuld door een (inclusief ) en een langzaam deel.
Het eigenlijke componeren kwam niet erg op gang, maar dat veranderde toen Frankrijk in augustus bij de Eerste Wereldoorlog betrokken raakte. Ravel liet aan zijn leerling en vriend Maurice Delage weten: ‘Ik werk aan het trio met de beslistheid en helderheid van een bezetene.’
In september had hij het werk af en in oktober sloot hij zich bij het Franse leger aan. In het eerste deel komt Ravels Baskische achtergrond naar voren: het is gebaseerd op de zortziko, een Baskische dansvorm.
De titel van het , Pantoum, slaat op een Maleisische versvorm die door Franse schrijvers als Paul Verlaine en Charles Baudelaire was geadopteerd, waarbij de tweede en de vierde regel van een vierregelig couplet de eerste en de derde regel van een volgend couplet worden.
Het derde deel is een passacaglia, voortbouwend op de baslijn van acht maten tot een climax, waarna de muziek wegsterft.
In de sprankelende Finale spreidt Ravel zijn liefde voor wisselende en tentoon: de verandert geregeld van 5/4- naar 7/4-maat (ook een Baskische invloed). Bovendien laat hij viool, en piano zo klankrijk en gepassioneerd spelen, dat je je haast afvraagt of er niet stiekem meer dan drie musici zijn.
Biografie
Jean-Yves Thibaudet, piano
Het repertoire van de uit Lyon afkomstige pianist Jean-Yves Thibaudet reikt van Beethoven tot MacMillan, van jazz tot . Al op zijn twaalfde ging hij studeren aan het conservatorium in Parijs bij Aldo Ciccolini en Lucette Davis. Drie jaar later won hij de Premier Prix du Conservatoire en weer drie jaar later, in 1981, de Young Concert Artists International Auditions in New York.
In korte tijd debuteerde de pianist op de gerenommeerde podia van de Verenigde Staten, Europa en Azië en sindsdien treedt hij wereldwijd op; zowel met de grote orkesten als solo en in kamermuziek. Zijn catalogus van meer dan vijftig cd’s leverde hem onder meer twee Grammy-nominaties, een Preis der deutschen Schallplattenkritik, een Diapason d’Or, een Choc du Monde de la Musique, een Edison en meerdere Gramophone Awards op, en zijn pianospel is te horen op de soundtracks van onder meer The French Dispatch, Pride and Prejudice en Atonement.
Jean-Yves Thibaudet is verbonden aan de Colburn School in Los Angeles, en samen met cellist Gautier Capuçon is hij artistiek leider van het Festival Musique & Vin in Clos de Vougeot. In 2001 werd hij benoemd tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres en in 2012 promoveerde hij tot Officier. Sinds 2010 prijkt zijn naam in de Hollywood Bowl Hall of Fame. De vorige optredens van Jean-Yves Thibaudet in de waren in april (Chatsjatoerjan onder Paavo Järvi) en september (Saint-Saëns onder Klaus Mäkelä) met het Concertgebouworkest, waar hij in 1988 debuteerde en in 2015/2016 artist in residence was.
Lisa Batiashvili, viool
Lisa Batiashvili studeerde bij Ana Chumachenco in München en bij Mark Lubotsky in Hamburg, en baarde opzien door op haar zestiende de tweede prijs te winnen van het Sibelius Concours 1995. Haar internationale carrière ging direct van start, ze won onder meer een Midem Classical Award en een Choc de l’année, werd in 2015 door Musical America benoemd tot Instrumentalist of the Year en twee jaar later door Gramophone genomineerd als Artist of the Year.
In 2018 ontving de violiste een eredoctoraat van de Sibelius Academie in Helsinki. Recentelijk bekleedde Lisa Batiashvili een residency bij de Berliner Philharmoniker, en hoogtepunten van het afgelopen seizoen waren een optreden met het Orchestre de Paris en Klaus Mäkelä op het Lucerne Festival, tournees met het Tonhalle-Orchester Zürich (Paavo Järvi), het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia (Daniel Harding) en het London Symphony Orchestra (Antonio Pappano), en haar terugkeer bij de Los Angeles Philharmonic, de New York Philharmonic en het National Symphony Orchestra in Washington.
Ook met het Concertgebouworkest heeft ze een hechte band: ze soleerde er voor het eerst in 2001 (Mozart) en voor het laatst in november 2024 (Prokofjev onder leiding van Klaus Mäkelä). Als artist in residence van het orkest in seizoen 2016/2017 soleerde ze in Tsjaikovski, Prokofjev en Sjostakovitsj en speelde ze met orkestleden kamermuziek. Met haar Lisa Batiashvili Foundation zet de violiste zich in voor getalenteerde jonge musici in haar geboorteland Georgië. Ze bespeelt een Joseph Guarneri ‘del Gesù’ uit 1739.
Gautier Capuçon, cello
Gautier Capuçon soleerde bij leidende orkesten wereldwijd onder en als Gustavo Dudamel, Charles Dutoit, Christoph Eschenbach, Andrès Orozco-Estrada, Pablo Heras-Casado, Paavo Järvi, Klaus Mäkelä, Andris Nelsons en Christian Thielemann.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in januari 2014 met Sjostakovitsj’ Eerste concert onder leiding van Semyon Bychkov; verder speelde hij in de met het Chamber Orchestra of Europe onder leiding van Bernard Haitink, het Luzerner Sinfonieorchester, het Gustav Mahler Jugendorchester, het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Valery Gergiev en het Nederlands Philharmonisch onder leiding van Lorenzo Viotti.
In de speelde de cellist veelvuldig kamermuziek, onder meer in een ‘Weekend met’ in februari 2010 samen met zijn broer, de violist Renaud Capuçon, en voor het laatst in november 2016 met pianist Frank Braley. Op 6 november 2018 speelde hij al eens in het Batiashvili/Capuçon/Thibaudet kamermuziek in de (Sjostakovitsj, Mendelssohn en Ravel).
Naast zijn podiumcarrière is de Fransman oprichter van de Foundation Gautier Capuçon, die jonge talenten ondersteunt aan het begin van hun loopbaan. In de zomer van 2020 bracht hij door heel Frankrijk muziek bij het publiek met ‘Un été en France’, een project met jonge musici en dansers dat in 2024 zijn eerste lustrum vierde. Het instrument van de cellist is ‘L’Ambassadeur’, in 1701 gebouwd door Matteo Goffriller.


