The Cleveland Orchestra en Franz Welser-Möst in Bruckner

The Cleveland Orchestra
Franz Welser-Möst dirigent

Met dank aan de begunstigers van het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Anton Bruckner (1824-1896)

Symfonie nr. 9 in d kl.t. (1887-94)
Feierlich, misterioso
Scherzo: Bewegt, lebhaft – Trio: Schnell
Adagio: Langsam, feierlich

er is geen pauze
einde ± 21.15 uur

Toelichting

Anton Bruckner (1824-1896)

Negende symfonie

Door Christiane Schima

Anton Bruckners Negende symfonie is het laatste werk van de Oostenrijkse componist en kan worden beschouwd als zijn summum en muzikale testament. Bruckner vocht zijn leven lang om erkenning. In het aangezicht van de dood bundelde hij nog eenmaal zijn creatieve krachten: zijn laatste symfonie is te beluisteren als een samenvatting van zijn kunnen en als een persoonlijke terugblik.

Dit gedurfde en met citaten uit vroegere composities doorspekte werk vormt de bekroning van een oeuvre dat buiten de tijd viel. Bruckners symfonieën – met hun buitensporige dimensies en archaïsch aandoende ën – moeten in het muzieklandschap van het bedaarde Wenen de indruk hebben gewekt van zwerfkeien uit een geologische oertijd. De gezaghebbende Johannes Brahms noemde Bruckners monumentale symfonieën ‘een zwendel die na een of twee jaar vergeten zal zijn’. In een tijd waarin de conservatieve Brahms en de modernisten Richard Wagner en Franz Liszt om de heerschappij streden, viel Bruckner tussen wal en schip. Ook zijn onderdanige karakter zal er niet bepaald toe hebben bijgedragen dat men hem serieus nam.

De verschillende bewerkingen van zijn symfonieën maken het grote dilemma van de componist duidelijk. Vanwege voortdurende kritiek sleutelde Bruckner eindeloos aan zijn composities, en ook hebben vrienden en collega’s daar de hand in gehad. Er werden harmonieën veranderd en hele delen geschrapt, en in sommige gevallen valt de originele versie niet meer te achterhalen. ‘Macht’s was ihr wollt’, luidde vaak de gelaten reactie van de al te bescheiden Bruckner op de verbeteringsvoorstellen van zijn leerlingen Ferdinand Löwe en Franz en Joseph Schalk – als de werken maar uitgevoerd werden. Toch kwamen ook de gepolijste versies zelden op het podium terecht en zo ja, met zeer matig succes.

  • Anton Bruckner

Dat Bruckners laatste symfonie wél in haar oorspronkelijke versie bewaard is gebleven – althans haar eerste drie voltooide delen – is te danken aan een ingeving van de componist. Kort voor zijn dood had hij namelijk het originele manuscript in veiligheid gebracht door het aan de Duitse Carl Muck in bewaring te geven. Desondanks ontkwam ook de Negende in eerste instantie niet aan andermans correcties. Nog decennia na Bruckners dood was alleen de bewerking van Löwe in omloop. Toen de symfonie in 1932 voor het eerst in de originele versie werd uitgevoerd, was dat een sensatie. De gewaagdheid van dit visionaire werk maakt pijnlijk bewust wat er in eerdere symfonieën misschien allemaal slachtoffer is geworden van de correctiepen. En wat zo onherroepelijk verloren ging.

Het Weense Bruckner-Gesellschaft houdt zich onvermoeibaar bezig met het vinden en reconstrueren van originelen, waaronder de ontbrekende gedeelten van de finale van de Negende. De doorgenummerde pagina’s en klavieruittreksels die in Bruckners sterfkamer werden gevonden, maken aannemelijk dat de componist bijna de hele finale nog vóór zijn dood heeft voltooid. En dat erfgenamen, vrienden en kennissen de zoekgeraakte pagina’s als herinnering hebben meegenomen.

Terwijl Wagner en Liszt om de heerschappij streden, viel Bruckner tussen wal en schip.

Dirigent Nikolaus Harnoncourt (1929-2016) was een van degenen die zich met het onderwerp bezighield. Hij voerde ooit de bewaard gebleven 526 maten van de finale uit, die onder meer de hele expositie, het begin van de doorwerking en fragmenten van een imposante slotfuga omvatten. In schetsen van een zijn de belangrijkste motieven uit de Vijfde, Zevende en Achtste symfonie te herkennen – wat illustreert dat het de zwanenzang betreft van een kunstenaar aan het einde van zijn leven.

Het Bruckner-Gesellschaft zoekt door, maar vooralsnog bestaan er van de Negende symfonie slechts drie voltooide delen. Bruckner citeert eerdere werken en het wemelt van de toespelingen op christelijke symbolen – niet voor niets droeg de godvruchtige componist het werk op ‘aan de lieve Heer’. De – d klein (‘d’ of ‘re’ van Deus/Rex) – en de daarin voorkomende toonsoorten verwijzen naar de hemelse Heerser en naar het lijdensverhaal. Technieken uit de ke figuren- en affectenleer onderstrepen het religieuze karakter, zoals bijvoorbeeld de ‘verlossings’- en ‘lamento’-motieven die bestaan uit een dalende toonladder (let op het eerste van het openingsdeel). Er zijn gepuncteerde s die Jezus’ geseling symboliseren, en in het is het ronddraaiende, ook al in het Te Deum (1881-84) gebruikte, ‘eeuwigheids’- (fis-a-d-e-fis) te horen. Ook is er een belangrijke rol weggelegd voor de tegenstelling tussen de e overmatige kwart – de ‘diabolus in musica’ (in het ­) – en de als goddelijk beschouwde len , kwart en (in het mfantelijke tuba- in het Adagio, Bruckners ‘afscheid van het leven’).

Met de redding van de Negende symfonie is Bruckner zijn tijdgenoten toch te slim af geweest.

De drie delen van Bruckners Negende doorlopen verschillende psychische of geestelijke stadia die we uit de Latijnse dodenmis kennen: rouw en aanroeping van God (eerste deel), doodsstrijd en het visioen van de Apocalyps (Scherzo) met ingevoegde herinneringen aan het aardse leven (Trio), en verlossing, lofzang Gods, vrede en berusting (Adagio). Uit de bewaard gebleven gedeelten van de finale blijkt dat Bruckner deze stappen nog eens wilde doorlopen met behulp van het muzikale materiaal uit de eerste drie delen, om zo zijn ‘kathedraal’ als het ware van een toren te voorzien.

Behalve een groots monument voor de Verlosser is Bruckners Negende ook een getuigenis van zelfbezinning en een terugblik op zijn eigen leven. Dit manifesteert zich in de citaten uit zijn Mis in d klein, zijn Vijfde, Zevende en Achtste symfonie en het Te Deum, waaraan belangrijke motieven van de symfonie zijn ontleend. Maar ook zonder zulke citaten bewust te registreren zal de onbevangen luisteraar de dromerig-nostalgische sfeer van sommige episoden niet ontgaan. Dit geldt vooral voor het Trio en het Adagio, waarin herinneringen als hersenschimmen aan het innerlijke oog van de componist voorbij lijken te trekken.

Met de redding van het origineel van de Negende symfonie is Bruckner op het laatst zijn tijdgenoten toch nog te slim af geweest. Op grond van haar technische volmaaktheid en haar uitdrukkingskracht vormt deze symfonie de aangrijpende apotheose van het oeuvre van een componist die zich een vreemdeling voelde op deze aarde.

Biografie

The Cleveland Orchestra, orkest

Sinds de oprichting in 1918 had The Cleveland Orchestra slechts zeven chef-en: Nikolai Sokoloff (1918-33), Artur Rodzinski (1933-43), Erich Leinsdorf (1943-46), George Szell (1946-70), Lorin Maazel (1972-82), Christoph von Dohnányi (1984-2002) en Franz Welser-Möst (sinds 2002).

Thuisbasis van het orkest is de in 1931 gebouwde Severance Hall; ’s zomers spelen de musici sinds 1968 op het openluchtpodium van het ­Blossom Music Center. Residencies heeft het gezelschap in Miami, de Wiener Musikverein en bij het Lucerne Festival.

The Cleveland Orchestra ontwikkelde een uitgebreid educatief en ‘community’-programma en voert een actief beleid om een jong publiek te bereiken. Naast de vele klassieke programma’s (waarin niet zelden ook hedendaagse (opdracht-)composities geïntegreerd zijn) verzorgt het orkest filmconcerten, werkt het samen met pop- en jazz­artiesten en begeleidt het ballet en . Sinds 2020 heeft het orkest met adella.live ook zijn eigen streamingplatform.

Al op 17 juni 1957 debuteerde The Cleveland Orchestra in Het Concertgebouw: onder leiding van George Szell speelde het werken van Rossini, Barber, Beethoven, Hindemith en Schumann. Het laatste optreden was in september 2014; de geplande terugkeer in oktober 2020 kon vanwege corona niet doorgaan. De huidige Europese tournee van The Cleveland Orchestra omvat twaalf concerten in negen steden: Hamburg, Berlijn, Dresden, Keulen, Amsterdam, Luzern, Praag, Wenen en Linz.

Franz Welser-Möst, dirigent

Franz Welser-Möst, geboren in Linz, studeerde aanvankelijk viool maar koos later voor het schap. Van 1990 tot 1996 was hij chef-dirigent van het London Philharmonic Orchestra, tussen 1995 en 2008 gaf hij leiding aan het Opernhaus Zürich en van 2010 tot 2014 aan de Wiener Staatsoper, waar hij onder meer een nieuwe productie realiseerde van Wagners Der Ring des Nibelungen.

Sinds 2002 staat de Oostenrijker aan het hoofd van The Cleveland Orchestra, waar hij nog zal aanblijven tot 2027. Deze samenwerking resulteerde onder andere in een groot aantal (wereld)premières, de hervatting van producties als Mozarts Da Ponte-opera’s en semi-concertante uitvoeringen van Het sluwe vosje van Janáček met computergeanimeerde mise-en-scène.

Als gastdirigent staat Franz Welser-Möst voor vele vooraanstaande orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in april 2016; hij keerde er terug in maart 2018 en december 2019. Met de Wiener Philharmoniker ging hij meermaals op tournee en verzorgde hij in 2011 en 2013 het befaamde Nieuwjaarsconcert. Bij de Salzburger Festspiele leidde hij onder meer producties van de Strauss-’s Der Rosenkavalier (ECHO Klassik Preis 2015), Die Liebe der Danae, Salome en Elektra.

Franz Welser-Mösts boek Als ich die Stille fand. Ein Plädoyer gegen den Lärm der Welt (2020) werd in eigen land een bestseller en is in het Engels vertaald als From Silence: Finding Calm in a Dis­sonant World.