Tetzlaff kwartet speelt Haydn en Mendelssohn

Strijkkwartetten 20.15 uur

Tetzlaff Kwartet:
Christian Tetzlaff viool
Elisabeth Kufferath viool
Hanna Weinmeister altviool
Tanja Tetzlaff cello

Joseph Haydn 1732-1809

Strijkkwartet in g kl.t.,
op. 20 nr. 3 (1771-72)
Allegro con spirito
Menuet: Allegretto – Trio
Poco adagio
Allegro molto

Felix Mendelssohn 1809-1847

Tweede strijkkwartet in a kl.t.,
op. 13 (1827)
Adagio – Allegro vivace
Adagio non lento
Intermezzo: Allegretto con moto – Allegro di molto
Presto

pauze

Jean Sibelius 1865-1957

Strijkkwartet in d kl.t.,
op. 56 (1909) ‘Voces intimae’
Andante – Allegro molto moderato
Vivace
Adagio di molto
Allegretto (ma pesante)
Allegro

begin van de pauze ca. 21.15 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur

Toelichting

Joseph Haydn 1732-1809

Strijkkwartet

Tekst: Lies Wiersema

De zes kwartetten van 20 overtroffen alle exemplaren die Joseph Haydn tot dan toe geschreven had. In deze meesterwerken, een mijlpaal in de vroege geschiedenis van het strijkkwartet, had hij een rijpere kwartetstijl gevonden met meer gelijkwaardigheid tussen de stemmen. En hij ging experimenteren.

De lichtvoetige rococostijl uit voorgaande jaren beviel niet meer, en misschien aangestoken door de literaire Sturm und Drang-­beweging waagde Haydn zich aan een meer emotionele muzikale taal met meer dramatische expressie, meer vrijheden, veel contrasten binnen de delen en een belangrijkere rol voor de .

Het Strijkkwartet in g klein, nummer drie, geldt als het meest opmerkelijke van de zes kwartetten. Tegendraadsheid kleurt het excentrieke eerste deel. Dit con spirito is een verhaal met interrupties. Het openingsthema heeft een onregelmatige zinsbouw. Er zijn abrupte pauzes. Plotselinge unisono’s onderbreken nogal eens de motieven. De toon is soms overhaast en de dynamische contrasten nu en dan zo extreem dat het hilarisch wordt.

In plaats van een langzaam deel laat Haydn een volgen, geen vrolijke dans, zelfs helemaal geen dansmuziek, maar met zijn uitdrukkelijke karakter een melancholisch intermezzo naar het volgende deel. Het langzame derde deel begint met een lange hymne­achtige van de eerste viool en mondt uit in een e conversatie tussen eerste viool en .

Ook de finale heeft Sturm und Drang-elementen: een met veel temperament ingezette melodie wordt opgebroken en over verschillende stemmen verdeeld. Er vallen regelmatig plotselinge stiltes, soms geestig, soms dramatisch. Het einde verdampt verrassend in een pianissimo.

Felix Mendelssohn

Tweede strijkkwartet

Tekst: Liesbeth Houtman

Nog maar achttien jaar was Felix Mendelssohn toen hij zijn Tweede strijkkwartet in a klein componeerde. Hij schreef het in 1827, twee jaar vóór zijn officiële
Eerste strijkkwartet in Es groot, 12. Aanleiding was vermoedelijk de dood van Ludwig van Beethoven dat jaar.

Het werk doet in opbouw sterk aan Beethovens late kwartetten denken en heeft een overeenkomstige geladenheid in sfeer. In de achtige openingsmaten citeert Mendelssohn uit zijn Ist es wahr?, opus 9. Ongetwijfeld een hommage aan Beethoven, die boven het slotdeel van zijn opus 135 noteerde: ‘Muss es sein? ... Es muss sein’.

Het drietonige vormt het motto dat de vier delen met elkaar verbindt. Het hele werk is vol van samengebalde iek. Zo heeft het non lento een ­tische passage en vindt men ook in de stormachtige finale een opzet voor een fuga.

Maar naast alle heftigheid laat Mendelssohn zich ook van zijn lieftallige kant horen. De melodische eenvoud van het Intermezzo bijvoorbeeld werkt als een verademing. Op z’n Mendelssohns wordt de luisteraar vervolgens betoverd door voorbijstuivende elfen, van het soort waarop de jonge componist sinds zijn Sommernachtstraum-muziek het patent had.

Jean Sibelius 1809-1847

'Voces Intimae'

Jean Sibelius werd vooral beroemd om zijn symfonische oeuvre. De Finse natuur en mythologie waren de belangrijkste inspiratiebronnen in zijn zeven sym­fonieën, het Vioolconcert, toneelmuziek en symfonische gedichten.

Minder succes had de geboren orkestrator met zijn kamermuziek. Als student schreef hij een paar strijkkwartetten; het eerste kwartet dat in druk verscheen was zijn 4 (in Bes groot) uit 1890. Pas zo’n twintig jaar later, tussen het werk aan zijn Derde en Vierde symfonie door, pakte hij de draad weer op en componeerde hij het meesterlijke Strijkkwartet in d klein, opus 56.

Sibelius, op dat moment nog herstellende van een ernstige ziekte, voltooide dit laatste kwartet begin 1909 tijdens een bezoek aan Londen. Het werd zijn meest gespeelde kamermuziekwerk. Met de Vierde symfonie deelt het zijn introverte en duistere karakter. Maar de intieme, bijna mysterieuze sfeer die de componist hier oproept laat zich onmogelijk met orkestklanken realiseren.

In een brief aan zijn echtgenote omschreef hij het kwartet cryptisch als ‘iets wonderlijks’, van het soort ‘dat een glimlach op je gezicht tovert op het moment van sterven’. De structuur van het vijfdelige werk doet denken aan de zogenaamde boogvorm die ook Béla Bartók en Dmitri Sjostakovitsj later in hun kwartetten toepasten.

Centraal staat het langzame, emotionele middendeel dat wordt geflankeerd door twee ’s en de beide hoekdelen. Boven drie gedempte en in dit di molto noteerde Sibelius in een de woorden ‘Voces intimae’ (Latijn voor ‘intieme stemmen’). Vandaar de bijnaam die later aan het hele kwartet werd gegeven.

De delen zijn tisch nauw met elkaar verbonden. Zo keren motieven uit het openingsdeel terug in de twee scherzo’s. Maar ook de ­dalende kwart, prominent aanwezig in deel één, duikt in de finale in gevarieerde vorm weer op.

Tegelijkertijd is elk van de delen voorzien van een heel eigen signatuur. Het ­zangerige eerste deel opent met een innige dialoog voor viool en . Het slotdeel heeft nog het meest weg van een perpetuum mobile; met markeringen als ‘sempre più energico’ jaagt Sibelius de musici voort.

Het Strijkkwartet in d klein beleefde zijn première op 25 april 1910 in Helsinki. De recensent van de Helsingin Sanomat prees het stuk als ‘ongetwijfeld een van de meest briljante voortbrengselen op dit terrein’.

Biografie

Tetzlaff Kwartet

Het Tetzlaff Kwartet werd in 1994 opgericht door broer en zus Christian en Tanja Tetzlaff. Het ensemble maakte snel naam en was te gast in concertzalen als Wigmore Hall in Londen, het Konzerthaus Berlin, Carnegie Hall in New York, de Wiener Musikverein en het Auditorium van het Louvre in Parijs. In seizoen 2014/15 maakte het Tetzlaff Kwartet een tournee door Azië.

Naast zijn werk met dit ensemble was primarius Christian Tetzlaff als solist te gast bij diverse bekende orkesten en verzorgde hij s met onder anderen Leif Ove Andsnes en Lars Vogt. In 2005 riep Musical America hem uit tot ‘Instrumentalist of the Year’.

Tweede violiste Elisabeth Kufferath was concertmeester van de Bamberger Symphoniker en is regelmatig te gast tijdens muziekfestivals in bijvoorbeeld Luzern, Rheingau, Aspen en Ravinia. Onder haar kamermuziekpartners treffen we Antje Weithaas, Lars Vogt en Isabelle Faust. Ze geeft les aan de Musikhochschule Hannover

Altvioliste Hanna Weinmeister is concertmeester van het Opernhaus Zürich en soleerde bij bijvoorbeeld de Berliner Philharmoniker, het Chamber Orchestra of Europe en het Mozarteumorchester Salzburg.

Celliste Tanja Tetzlaff was eveneens als solist te gast bij prestigieuze orkesten, waarbij ze werkte met en als Daniel Harding, Roger Norrington en Paavo Järvi. Naast haar werk met het Tetzlaff Kwartet deelt ze het kamermuziekpodium graag met collega’s als Martin Fröst en Leif Ove Andsnes.

Het Tetzlaff Kwartet debuteerde in de van Het Concertgebouw in oktober 2007 en speelde er voor het laatst in november 2013.