Takács Kwartet speelt Ravel
Strijkkwartetten 20.15 uur
Takács Kwartet:
Edward Dusinberre viool
Károly Schranz viool
Geraldine Walther altviool
András Fejér cello
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Strijkkwartet in G gr.t., op. 18 nr. 2 (1798-1800)
Allegro
Adagio cantabile
Scherzo: Allegro
Allegro molto quasi presto
Joseph Haydn 1732-1809
Strijkkwartet in F gr.t., op. 77 nr. 2 (1799)
Allegro moderato
Menuet: Presto – Trio
Andante
Finale: Vivace assai
pauze
Maurice Ravel 1875-1937
Strijkkwartet in F gr.t. (1902-03)
Allegro moderato – Très doux
Assez vif – Très rythmé
Très lent
Vif et agité
begin van de pauze ca. 21.10 uur
einde van het concert ca. 22.05 uur
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
strijkkwartet
Tekst: Christiane Schima
Naast de Eerste symfonie behoren de zes strijkkwartetten, 18 tot de meest representatieve werken uit Ludwig van Beethovens eerste scheppingsperiode. Toen de kwartetten ontstonden, leefde de meester uit Bonn sinds zeven jaar in Wenen. Het was een succesvolle en gelukkige tijd. De deuren van de adellijke huizen stonden voor hem open.
Een van zijn grootste mecenassen was vorst Lobkowitz, een leidende persoonlijkheid in de Oostenrijks-Hongaarse Donaumonarchie, wiens paleis het glansrijke culturele middelpunt van Wenen was. In dit paleis, dat tegenwoordig nog te bezichtigen valt, beleefden veel werken van Beethoven hun eerste uitvoering – in huisconcerten, want openbare premières waren toentertijd nog een zeldzaamheid.
De muziekminnende vorst was een van de eerste en trouwste mecenassen van de componist. Vandaar dat Beethoven talrijke werken aan hem heeft opgedragen, waaronder de Derde symfonie ‘Eroica’ en ook het Strijkkwartet in G groot, 18 nr. 2.
Het concert in het paleis van Lobkowitz was ongetwijfeld een bijzondere muzikale belevenis, want het uitvoerende kwartet – bestaande uit Schuppanzigh (vriend van Beethoven), Mayseder, Weiss en Linke – genoot een uitstekende reputatie.
Zoals alle onder het opusnummer 18 samengebrachte kwartetten is ook het tweede in G groot een zonnig werk. Bijzonder opmerkelijk is de muzikale eenheid van de vier delen van het kwartet, waarvan de ’s zijn afgeleid van een eenvoudige gebroken drieklank.
Dit kenmerk, namelijk het thematisch uitbreiden van een basismotief, zou voor Beethovens latere scheppingsperiodes typerend worden. Ook beschikt het al over de eigenschappen die Beethovens scherzo’s beroemd zouden maken: een grillige, hakkelige zetting en humorvolle ritmische verschuivingen.
Joseph Haydn 1732-1809
Strijkkwartet
Tekst: Anneloes Brand
Over een periode van veertig jaar componeerde Joseph Haydn een kleine zeventig strijkkwartetten. De twee kwartetten van 77 uit 1799 waren zijn laatste voltooide werken in dit genre; in 1803 begon hij opnieuw aan een strijkkwartet, maar hij voltooide slechts twee delen (opus 103).
Dat opus 77 niet uit het destijds gangbare aantal van zes kwartetten bestond, had misschien te maken met Haydns tanende gezondheid en het feit dat de componist tegelijkertijd bezig was aan zijn Die Jahreszeiten.
Niet dat de kwartetten ook maar enigszins aandoen als producten van een oude, vermoeide man. Het Strijkkwartet in F groot, opus 77 nr. 2 zit vol elan, verrassingen en meesterschap. Het eerste deel, moderato, begint elegant en eenvoudig, waarna Haydn zijn ideeën doordacht en vakkundig ontwikkelt.
De twee middendelen staan in omgekeerde volgorde: het is niet het derde, maar het tweede deel. En dat niet alleen, het lijkt op het later gebruikelijke . Haydn haalt ritmische grappen uit met het boerendansachtige en zet de luisteraar diverse malen op het verkeerde been.
Het midden- vormt er een groot contrast mee: het lijkt haast een slaapliedje. Het derde deel, , begint met een statig duet voor eerste viool en . Later krijgen de andere twee strijkers het thema ook toebedeeld en wordt het gecompliceerder. De Finale tot slot leent zijn karakter van een volksdans, de polonaise.
77 werd in 1802 uitgegeven door Artaria in Wenen en opgedragen aan prins Joseph František Maximilian Lobkowicz (ook wel gespeld als Lobkowitz). De prins speelde zelf viool en cello (en zong ook) en werd een belangrijke mecenas voor het Weense muziekleven – zie ook in het voorgaande zijn connectie met Beethoven.
Maurice Ravel 1875-1937
Strijkkwartet in F
Door Anneloes Brand
Maurice Ravel voltooide zijn enige strijkkwartet in 1903 – achtentwintig jaar oud en ‘eeuwige student’ aan het Parijse conservatorium. Hij droeg het op aan zijn leraar, Gabriel Fauré, en zond het eerste deel ervan in voor de jaarlijkse compositiewedstrijd van het conservatorium.
De jury was niet onder de indruk en aangezien dit Ravels derde mislukte poging was, werd hij van school gestuurd. De jonge componist liet zijn Strijkkwartet in F groot toch tijdens een Société Nationale-concert in maart 1904 in première brengen door het Heymann Kwartet.
Hoewel het werk positief werd ontvangen door het publiek, klaagden de critici dat het niet paste in de traditie van Ludwig van Beethoven en andere Duitse componisten. Ook Fauré was niet zo enthousiast: hij noemde de finale ‘gekunsteld, niet goed in balans, in feite een mislukking’. Claude Debussy daarentegen schijnt te hebben gezegd: ‘In naam van de Muziekgoden en in mijn belang, verander geen noot aan wat je hebt geschreven.’
Alhoewel Debussy en Ravel vriendschappelijk met elkaar omgingen, waren ze ook elkaars rivalen. Beide ‘impressionisten’ componeerden slechts één strijkkwartet (Debussy’s kwartet is van tien jaar eerder) en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze vaak met elkaar vergeleken worden.
Allebei bevatten ze nieuwe ën (gebaseerd op modaliteit), strijktechnieken en en. Beide strijkkwartetten hebben een als tweede deel waarin ’s de boventoon voeren, een langzaam impressionistisch derde deel, en een cyclische opbouw waarbij ’s worden hergebruikt om een eenheid te creëren.
Maar een belangrijk verschil is dat Debussy neigt naar impressionistische, bijna achtige vrijheid en Ravel meer naar neoklassiek vakmanschap. Het Strijkkwartet in F groot wordt met zijn e openingsdeel, swingende tweede deel, dromerige derde deel en gloedvolle finale gezien als een van Ravels meesterwerken.
Biografie
Takács Quartet, kwartet
Het Takács Quartet werd in 1975 opgericht door vier studenten in Boedapest – onder wie de huidige cellist András Fejér – en vernoemd naar de toenmalige primarius Gabor Takács-Nagy. Internationale aandacht volgde in 1977 met het winnen van het Internationaal Strijkkwartet Concours in Evian. Na een Amerikaanse debuuttournee in 1982 bood de University of Colorado de strijkers een residentie aan, en sindsdien werken ze vanuit de Verenigde Staten.
Het ensemble is te gast op de bekende podia en festivals voor kamermuziek wereldwijd, en bij Wigmore Hall in Londen is het voor langere tijd associate artist. Ter ere van zijn vijftigjarig jubileum bracht het Takács Quartet in 2025 twee nieuwe albums uit: Flow met de gelijknamige compositie van Nokuthula Ngwenyama, speciaal voor hen gecomponeerd, en Dvořák & Price met pianist Marc-André Hamelin.
Eerdere opnames werden bekroond met grote internationale prijzen. Het Takács Quartet initieerde verschillende bijzondere projecten, bijvoorbeeld in samenwerking met bandoneon Julien Labro, dichter Robert Pinsky, actrice Meryl Streep en wijlen acteur Philip Seymour Hoffman.
Afgelopen zomer bracht het ensemble Sonnet of an Emigrant voor kwartet en verteller in première, gecomponeerd door Cathy Milliken op teksten van Bertolt Brecht. In mei 2010 organiseerde Het Concertgebouw een Weekend met het Takács Quartet, en de laatste keer dat het ensemble in de te beluisteren was, was in mei 2023 in werken van Haydn, Britten en Ravel.
