Strauss’ Heldenleben en Dvořáks Celloconcert

Klassieke Meesterwerken 20.15 uur 

Nederlands Philharmonisch Orkest
Marc Albrecht dirigent
Narek Hakhnazaryan cello

Antonín Dvořák 1841-1904

Celloconcert in b kl.t., op. 104 (1894-95)
Allegro
Adagio ma non troppo

Finale: Allegro moderato

pauze

Richard Strauss 1864-1949

Ein Heldenleben, op. 40 (1897-98)
symfonisch gedicht voor groot orkest
Der Held
Des Helden Widersacher

Des Helden Gefährtin
Des Helden Walstatt
Des Helden Friedenswerke
Des Helden Weltflucht und Vollendung

begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 22.05 uur

Toelichting

Antonín Dvořák 1841-1904

Celloconcert

Tekst: Michiel Cleij

Toen Antonín Dvořák zijn concert in b klein componeerde was hij niet meer de schuchtere, provinciale musicus die hij twintig jaar eerder nog was. Dankzij het promotiewerk van zijn vriend Johannes Brahms kon hij ook buiten Tsjechië zijn naam vestigen; hij had een uitgever gevonden en steun gekregen van de gevreesde muziekcriticus Eduard Hanslick.

Behalve in Duitsland en Oostenrijk had hij ‘fans’ verworven in Londen en, sinds 1892, zelfs in New York: een conservatoriumdirectrice aldaar zag in Dvořák de ideale inspirator voor jonge Amerikaanse componisten en benoemde hem tot docent.

Tijdens die New Yorkse jaren – Dvořák zou er, met een korte onderbreking, tot 1895 blijven – verwerkte hij soms Amerikaanse volksmuziek in zijn composities, maar zijn eigen Slavische tongval zou hij nooit kwijtraken. In zijn Celloconcert zijn ‘amerikanismen’ ver te zoeken; het stuk klinkt volop (midden-)Europees. Anderzijds zou hij het nooit gecomponeerd hebben als hij de Amerikaanse cellist Victor Herbert niet had ontmoet.

Tot dat moment vond Dvořák een cello ongeschikt om als solo-instrument te fungeren: ‘Zijn plaats is in het orkest en in kamermuziek’ had hij een leerling uit zijn klas ingeprent. De hoge registers waren ‘nasaal’, de lage ‘te brommerig’. Maar toen hij Herbert een ­celloconcert van eigen makelij hoorde spelen sloeg de vonk over: het kón dus wel.

Weinig romantische componisten hadden zich aan een celloconcert gewaagd; het al bestaande concert van Robert Schumann had weinig weerklank gevonden en dat van Camille Saint-Saëns was buiten Frankrijk amper bekend.

Dvořák Celloconcert was dan ook een doorbraak in het ­concertrepertoire en een onmiddellijk succes. Toch bleef Dvořák reserves houden, zelfs na de geslaagde première en de reprises in andere zalen. ‘Ik mag blij zijn dat er mensen zijn die het willen spelen’, schreef hij in een brief.

Meesterlijk hanteert Dvořák de balans tussen het orkest en de , die in lage registers geen doordringende klank heeft en het snel aflegt tegen een akoestische overmacht. Even onberispelijk is de techniek; Dvořák was een goed violist, maar ging voor de fijne kneepjes van het cellospel te rade bij zijn vriend Hanus Wihan. 

Maar zoals altijd bij Dvořák zijn het de melodische vondsten die de show stelen – zelfs op dit onbekende terrein – en die zijn niet alleen voor de cello gereserveerd. De solo in de lange orkestintroductie van deel één behoort tot de mooiste ën die hij schreef (iets wat hij zelf ook vond).

In deel twee citeert hij zijn eigen  Kéž duch mu˚j sám (‘Laat me alleen’), een compositie waar zijn schoonzuster Josefina verknocht aan was. Ooit was Dvořák verliefd op haar; nu hoorde hij dat ze ernstig ziek was. Toen hij uit Amerika terugkeerde kon hij haar nog ontmoeten voor ze stierf.

Het concert was min of meer voltooid, maar de ontroerde Dvořák herschreef de Finale: tegen het slot zingt een soloviool nog eenmaal dat lied, waarmee de virtuoze solocadens die je op zo’n punt zou verwachten plaatsmaakt voor een ingetogen, melancholieke ontknoping.

Ook op Johannes Brahms, in zijn laatste levensjaren en zelf uitgecomponeerd, miste het werk zijn effect niet. ‘Waarom wist ik niet dat het mogelijk is zó’n celloconcert te schrijven?’, schijnt hij gezegd te hebben. ‘Als ik daar eerder op was gekomen had ik het al lang gedaan!’

Richard Strauss 1864-1949

Ein Heldenleben

Tekst: Frits de Haen 

Richard Strauss componeerde het symfonische gedicht Ein Heldenleben in 1897-98, op vierendertigjarige leeftijd. Hij dirigeerde in die periode in Amsterdam het Concertgebouworkest, dat toen drie jaar onder leiding van Willem Mengelberg stond.

Strauss voerde er in oktober 1898 Also sprach Zarathustra uit en hij toonde zich verrukt over de klank en werkwijze van het orkest. Als dank voor wat hij in een brief aan zijn vader ‘de grootste mf in mijn carrière’ noemde, droeg hij Ein Heldenleben op aan het Concertgebouworkest en aan Mengelberg.

Hoewel Strauss nooit een uitgewerkt programma gaf voor Ein Heldenleben, lichtte hij in de loop van zijn leven in gesprekken wel een aantal mogelijke buitenmuzikale elementen toe. Zo wordt de held geportretteerd door een van de s en lage strijkers in Es groot, sinds Ludwig van Beethoven de heroïsche bij uitstek.

Groot is het contrast van de held met zijn vijanden: zij worden voorgesteld door zeurende en kibbelende tegen ‘saaie‘ open en van de tuba’s. De held wordt gesteund door zijn metgezellin, de soloviool: zij komt op en begint een flirt met de held die eindigt in een groots duet.

De veldslag staat echter voor de deur, hetgeen de ten uit de verte aankondigen. De vredeswerken van de held beslechten het pleit: citaten uit eerdere symfonische gedichten van Strauss als Don JuanTod und VerklärungTill EulenspiegelDon QuichoteAlso sprach Zarathustra en Macbeth, samen met twee fragmenten uit zijn  Guntram en het  Traum im Zwielicht.

Op het moment dat de overwinning volledig is – ze wordt gesymboliseerd door een aangepaste versie van het strijdthema in de – wendt de held zich van de wereld af. Terwijl zijn geest steeds hoger stijgt (verzinnebeeld door de soloviool) gaat het stoffelijke ten onder (weergegeven in de melodie).

Ein Heldenleben werd niet onverdeeld positief ontvangen. Zo was er het verwijt dat Strauss een megalomaan was, dat hij zelf de held wilde uithangen met al die citaten uit eigen werken. Inderdaad lijken de autobiografische elementen moeilijk te ontkennen. Bovendien zou Strauss volgens de Franse schrijver Romain Rolland (1866-1944) opgemerkt hebben: ‘Ik zie niet in waarom ik geen symfonie over mezelf zou schrijven; ik vind mezelf even interessant als Napoleon of Alexander.’

Meer dan eens is erop gewezen dat de metgezellin van de held, voorgesteld door de viool, verwijst naar Strauss’ vrouw Pauline de Ahna. Maar het waren niet alleen de autobiografische elementen die de critici zwaar op de maag lagen, ook inhoudelijk hadden ze nogal wat te stellen met het werk. Zo noemde een van hen de realistische effecten in de zo ‘beklagenswaardig dom, dat je ernaar luisterend betreurt dat een geniaal componist ooit zo diep gezonken is’.

De geschiedenis heeft de critici echter ongelijk gegeven: hoewel Ein Heldenleben niet regelmatig wordt uitgevoerd ten gevolge van de hoge technische eisen die het stelt en het grote orkestapparaat dat ervoor nodig is, is het symfonisch gedicht geenszins vergeten in onze tijd. 

Biografie

Marc Albrecht, dirigent

Marc Albrecht is sinds september 2011 chef- van het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en De Nationale . Naast zijn vele optredens in Amsterdam leidde hij recentelijk producties aan de Oper Zürich, het Theater an der Wien en La Scala in Milaan.

Hij onderhoudt nauwe banden met bijvoorbeeld de Semperoper Dresden, de Deutsche Oper Berlin en de Bayerische Staatsoper München en was te gast bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de operahuizen van Madrid, Brussel en Parijs en de festivals van ­Salzburg en Bayreuth. 

Marc Albrecht is ook een veelgevraagd concertdirigent en werd uitgenodigd door gezelschappen als de Staatskapelle Dresden, het Hallé Orchestra, de Berliner Philharmoniker, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Dallas Symphony Orchestra, het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en het Orchestre National de France.

Al in zijn tiener­jaren begon Marc Albrecht zijn vader, George Alexander Albrecht, te assisteren bij ­repetities van ’s van Strauss en Wagner – leerjaren die hij voortzette als repetitor bij het operahuis van Hamburg.

In de vroege jaren van zijn carrière was Marc Albrecht assistent van Claudio Abbado bij het Gustav Mahler Jugend­orchester in Wenen en chef-dirigent van het Staatstheater Darmstadt (vanaf 1995) en het Orchestre Philharmonique de Strasbourg (vanaf 2006). Aan de piano vertolkt hij ook graag kamermuziek.

Narek Hakhnazaryan, cello

Narek Hakhnazaryan, afkomstig uit Jerevan, begon zijn studie in Moskou bij Alexey Seleznyov en voltooide deze in 2011 bij Lawrence Lesser in Boston. Mstislav Rostropovitsj was een belangrijk mentor voor de cellist, die in 2008 de eerste prijs won van de Young Concert Artists International Auditions en in 2011 de eerste prijs en een Gouden Medaille van het Tsjaikovski Concours. Dit bracht hem in januari 2013 voor het eerst in de van Het Concertgebouw, waar hij al meermaals terugkeerde.

Narek Hakhnazaryan soleerde bij het Orchestre de Paris, het London Symphony en het London Philharmonic Orchestra, het Berliner Konzerthausorchester, het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Rotterdams en het Nederlands Philharmonisch Orkest en de orkesten van Chicago, Los Angeles, Pittsburgh, Sydney en Seoul.

Als voormalig BBC New Generation Artist trad hij ook op met bijna alle BBC-orkesten. Kamermuziek speelde Narek Hakhnazaryan in zowel het Wiener als het Berliner Konzerthaus, Wigmore Hall in Londen, de Salle Pleyel in Parijs, Carnegie Hall in New York, op de festivals van Verbier en Rheingau en in zalen in de Verenigde Staten, China, Japan en Zuid-Korea.

In 2017 werd hij door de Armeense president geëerd met de titel ‘Honored Artist of Armenia’. De cellist bespeelt een instrument uit 1707 van Joseph Guarneri.

Nederlands Philharmonisch, orkest

Het Nederlands Philharmonisch speelt het grote symfonische repertoire in Het Concertgebouw, maar ook in vele andere concertzalen. Als het vaste orkest van De ­Nationale , samen met het Nederlands Kamerorkest, wordt het internationaal gerekend tot de beste operaorkesten. Het Nederlands Philharmonisch is in 1985 ontstaan uit het Utrechts Symfonie Orkest, het Nederlands Kamerorkest en het Amsterdams Philharmonisch Orkest.

Dat laatste was in 1953 opgericht door Anton Kersjes, die een nieuw publiek naar de concertzalen wist te trekken doordat hij wekelijks op tv te zien was en de ‘gouden ­meesterwerken’ uitvoerde. Vanaf 1985 was Hartmut Haenchen chef-dirigent. Hij werd in 2003 opgevolgd door Yakov Kreizberg, en na diens vroegtijdige overlijden in 2011 werd het chef-dirigentschap overgenomen door Marc Albrecht.

Zijn komst kwam een jaar voor de verhuizing van het orkest van de Beurs van Berlage naar de NedPhO-­Koepel in Amsterdam-Oost, waar de musici repeteren voor hun optredens. In 2020 nam Marc Albrecht na tien jaar afscheid van het orkest en per seizoen 2021/2022 werd Lorenzo Viotti chef-dirigent van zowel het Nederlands Philharmonisch als De Nationale .

Het vorige concert van het Nederlands Philharmonisch in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was op 20 juni jongstleden: onder leiding van André de Ridder bracht het orkest de Nederlandse première van Dream Requiem van Rufus Wainwright.