Sterrenkwartet: Helmchen, Eberle, Tamestit en Hecker
Veronika Eberle viool
Antoine Tamestit altviool
Marie-Elisabeth Hecker cello
Martin Helmchen piano
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Pianokwartet in g kl.t., KV 478 (1785)
Allegro
Andante
Rondo: Allegro
Antonín Dvořák 1841-1904
Tweede pianokwartet in Es gr.t., op. 87 (1889)
Allegro con fuoco
Lento
Allegro moderato, grazioso
Finale: Allegro ma non troppo
pauze
Johannes Brahms 1833-1897
Eerste pianokwartet in g kl.t., op. 25 (1861)
Allegro
Intermezzo: Allegro ma non troppo
Andante con moto
Rondo alla Zingarese: Presto
begin van de pauze ca. 21.20 uur
einde van het concert ca. 22.30 uur
Toelichting
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Pianokwartet
Eind 1785 publiceerde Wolfgang Amadeus Mozart zijn Pianokwartet in g klein, KV 478 bij Anton Hoffmeister. Volgens Mozarts eerste biograaf Georg Nissen diende dit kwartet als aanzet voor een serie van drie. De combinatie van piano, viool, en was toen nog niet gebruikelijk en werd zeker niet op gelijke hoogte geschat als het strijkkwartet.
Met een pianopartij die technisch indruk maakt, koos Mozart eigengereid voor professionele uitvoerders (mogelijk dacht hij daarbij ook aan zichzelf als solist) en bijgevolg niet voor de lucratieve amateurmarkt. Daarmee leverde hij hoogstwaarschijnlijk het vroegste volwaardige pianokwartet uit de klassieke literatuur. Mozart was steeds minder geïnteresseerd in de modieuze, galante stijl die de Weense burgerij gretig savoureerde. De verkoopcijfers vielen tegen. Hoffmeister verbrak de afspraak voor een vervolg van de geplande serie. Het is niet moeilijk te begrijpen hoe Mozarts status als publiekslieveling in het gedrang kwam.
Het gooit zich met een baldadig ritmisch statement in de strijd. Het openingsmotief blijft verder prominent aanwezig in een discours dat balanceert tussen compromisloos verzet en knagend ongenoegen. Een donker beeld, bewust in , dat tot een climax komt in de , wanneer alle instrumenten zich bundelen in een eensgezinde schreeuw.
Hoewel minder onconventioneel gaat ook het tweede deel in een wijde bocht voorbij het entertainmentgehalte. De solopiano zet de toon voor een bedachtzaam maar elegant rustpunt. Na enkele maten vervoegen de strijkers zich in een warme e gloed, dienend aan de pianopartij maar onmisbaar voor de diepe innerlijke spanningsboog die het geheel vorm geeft. In het laatste deel lijkt Mozart finaal toe te geven aan een luchthartiger aanpak. Halverwege komt de schaduw van de ernst opnieuw roet in het speelplezier gooien maar het montere samenspel tussen alle instrumenten krijgt uiteindelijk de overhand en in de slotmaten is het totaalbeeld helemaal opgeklaard.
Antonín Dvořák 1841-1904
Tweede pianokwartet
De textuur van Antonín Dvořáks Tweede pianokwartet in Es groot, 87, is zwaarder en meer orkestraal dan die van zijn Eerste en leunt eerder aan bij de wereld van Johannes Brahms. Typisch voor Dvořák zijn dan weer de gebalde motieven die de ontwikkeling van de ’s door de vier delen bepalen. Het dramatische strijkers-unisono van de aanvangsmaten draagt eigenlijk de synthese van het hele eerste deel in zich. De muziek ontwikkelt zich in korte tijd tot één expressieve explosie. De puntige ritmiek, onheilspellende trillers, symfonische en spanningsvolle pauzes verwijzen bij momenten naar Franz Liszt. Maar de instrumentale kleuren en karakteristieke toetsen (zoals de snelle afwisseling van ’s tussen viool en aan het einde van het eerste deel) zijn manifest Dvořák. Het tweede deel, Lento, is zuiver zingende poëzie. De verhouding tussen de vier instrumenten komt in een totaal ander daglicht te staan. Ze zoeken elkaar, eerst voorzichtig, dan met warme openheid, in een opeenvolging van niet minder dan vijf thema’s. Van de vier delen is het derde deel het meest folkloristisch geïnspireerd. Twee contrasterende dansen nodigen uit tot een hoogst originele caleidoscoop waarin ons beurtelings de geuren tegemoet waaien van Weense koffiehuizen en ongerepte poesta’s. In de centrale passage van de eerste dans wordt het klavier haast letterlijk getransformeerd tot een Oost-Europese citer. Het vierde deel, moderato, bezegelt het verbond tussen de uitbundigheid van de dans en de dramatische taal van het eerste deel. Wat maakt dit pianokwartet zo onweerstaanbaar? De vreugde, de natuurlijke expressie, de muzikale eerlijkheid? Dvořák definieert het zelf nog het best wanneer hij schrijft: ‘Ik ben niet alleen een pure muzikant, maar een dichter.’
Johannes Brahms 1833-1897
EERSTE PIANOKWARTET
De première van het Eerste pianokwartet van Johannes Brahms vond plaats op 16 november 1861 in Hamburg, met Clara Schumann aan het klavier. Het eerste deel wordt volledig gekarakteriseerd door het piano-espressivo van de beginmaten. Met een unisono wordt een eerste hoogtepunt breed aangebracht maar daarna wordt opnieuw een meer melancholische sfeer opgezocht. Het tweede thema heeft meer weg van een van een landelijk volkslied. Het tweede deel, oorspronkelijk getiteld, laat een schichtige met ingehouden onrust aanzetten. De piano herneemt deze thematiek terwijl donkere, onheilspellende en uit de strijkersgroep weerklinken. Voortgestuwd door de sterker wordende agitatie van de strijkers wordt deze passage verder uitgediept tot een eendrachtige climax. De tweede episode levert een schalks contrast, maar daarna wordt alles weer duister door de terugkeer van de eerste episode. Voldoende reden om de titel, die hier een allesbehalve schertsende lading dekt, te wijzigen in Intermezzo. De omschakeling naar de toonsoort van het con moto volstaat niet om de spanning op te heffen. Een elegisch thema vervult een overgangsrol naar een sterk ritmisch middendeel (animato) en wordt nadien in gevarieerde vorm hernomen.
Het werk eindigt in pure csárdásstijl. De opzwepende zigeunerritmes kreeg Brahms onder de knie dankzij zijn samenwerking met de Hongaarse violist Eduard Reményi. Samen concerteerden ze op diverse plaatsen in Hongarije en zo leerde Brahms vele zigeunermelodieën kennen die hij later in tal van composities verwerkte (onder meer in zijn Hongaarse dansen). Het aanstekelijke vuur in het terugkerende thema van het ‘alla zingarese’ zorgt, na de introspectieve perioden uit de voorgaande delen, voor een roesverwekkende finale.
Sabien Van Dale
Biografie
Antoine Tamestit, altviool
Antoine Tamestit studeerde bij Jean Sulem, Jesse Levine en Tabea Zimmermann. Als jonge musicus won hij onder meer het William Primrose Concours in 2001 en de ARD Musikwettbewerb in 2004; in 2008 kreeg hij de Credit Suisse Young Artist Award. De Parijzenaar is een van de weinige wereldwijd bekende solisten op de altviool, en bestrijkt een zeer breed repertoire van de tot het heden.
Zijn grote affiniteit met nieuwe muziek komt tot uiting in vele wereldpremières, zoals die van Jörg Widmanns Altvioolconcert, waarvan de opname met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder Daniel Harding de Premier Award won tijdens de BBC Music Magazine Awards 2019, maar ook Thierry Escaichs La Nuit des chants, Bruno Mantovani’s Concert voor twee altviolen (samen met Tabea Zimmermann) en Olga Neuwirths Remnants of Songs en Weariness Heals Wounds.
Recent soleerde Antoine Tamestit onder meer bij de Berliner Philharmoniker, de New York Philharmonic, de Wiener Symphoniker, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Tonhalle-Orchester Zürich en het NHK Symphony Orchestra Tokyo. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in april 2024 met het Altvioolconcert van Goebaidoelina. Antoine Tamestit opende het seizoen 2025/2026 van het Tanglewood Music Festival met een met violist Leonidas Kavakos, cellist Yo-Yo Ma en pianist Emanuel Ax.
Andere kamermuziekpartners zijn pianiste Yuja Wang, violiste Isabelle Faust, klarinettist Martin Fröst en het Quatuor Ébène. Met Frank Peter Zimmermann en Christian Poltera vormde hij ruim tien jaar het Trio Zimmermann. Antoine Tamestit bespeelt de eerste die Antonio Stradivarius ooit maakte, in 1672.
Marie-Elisabeth Hecker, cello
De Duitse Marie-Elisabeth Hecker brak door toen ze in 2005 de eerste prijs en twee speciale prijzen won tijdens het Concours Rostropovich in Parijs. In 2009 kreeg ze een Borletti-Buitoni Trust Award en ze groeide uit tot een veelgevraagd musicus met optredens met onder meer het Antwerp Symphony Orchestra, het BBC Symphony Orchestra, het Chamber Orchestra of Philadelphia, de orkesten van Dresden, Leipzig en Berlijn, de Wiener Symphoniker, de Filarmonica della Scala en het Orchestre de Paris.
Met haar duopartner en echtgenoot Martin Helmchen maakte ze cd-opnames en gaf ze s in Berlijn, Baden-Baden, Hamburg, Wenen, Luzern, Brussel, Madrid, Barcelona, Londen, Parijs, Milaan, Buenos Aires, Tokio en New York. Afgelopen zomer beleefde hun eigen kamermuziekfestival ‘Fliessen’, in de Duitse deelstaat Brandenburg, zijn eerste editie. Kamermuziek speelt de celliste ook met Antje Weithaas, Christian Tetzlaff, Stephen Waarts, Carolin Widmann en het Apollon Musagète Quartett. Marie-Elisabeth Hecker studeerde bij Peter Bruns en Heinrich Schiff en volgde masterclasses bij Anner Bylsma, Frans Helmerson, Gary Hoffman en Steven Isserlis.
Sinds 2017 is ze verbonden aan de Hochschule für Musik in Dresden, en in samenwerking met Music Road Rwanda geeft ze regelmatig les in dat land. In de debuteerde ze in april 2011 met Martin Helmchen en was ze voor het laatst te gast in januari 2017 met violiste Viviane Hagner.
Martin Helmchen, piano
Martin Helmchens carrière kreeg een flinke impuls toen hij in 2001 het Clara Haskil Concours won. De pianist soleert bij de grootste orkesten, waaronder de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Tonhalle-Orchester Zürich, de Staatskapelle Dresden, het NDR Elbphilharmonieorchester, het London Philharmonic Orchestra, het Boston Symphony Orchestra, de New York Philharmonic, het Chicago Symphony Orchestra en het NHK Symphony Orchestra, Tokyo.
In 2020 kreeg hij de Gramophone Music Award voor zijn opnames van alle pianoconcerten van Beethoven met het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin. Begin dit seizoen debuteerde hij op de BBC Proms.
Zijn debuut bij het Concertgebouworkest was in januari 2015 een invalbeurt voor Maria João Pires. In de had hij zijn debuut al gemaakt in december 2003. Martin Helmchen studeerde in zijn geboortestad Berlijn bij Galina Iwanzowa en aan de Hochschule für Musik in Hannover bij Arie Vardi. Mentoren waren ook Alfred Brendel en William Grant Naboré, en het was cellist Boris Pergamenschikow aan wie de pianist zijn liefde voor de kamermuziek te danken heeft. Zo speelt hij graag met Frank Peter Zimmermann, Julian Prégardien, Antje Weithaas en Carolin Widmann.
Zijn recentste solo-cd is het Schumann-album Novelletten und Gesänge der Frühe. Sinds 2010 geeft Martin Helmchen les aan de Kronberg Academy.


