Staatskapelle Dresden & Matthias Goerne: Mahler
Extra Concert 20.15 uur
Sächsische Staatskapelle Dresden
Daniel Harding dirigent
Matthias Goerne bariton
begin van de pauze ca. 20.45 uur
einde van het concert ca. 21.45 uur
teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal
Gustav Mahler 1860-1911
Blumine
uit ‘Eerste symfonie in D gr.t.’ (Hamburger versie; 1884-88, herzien 1893-96)
Kindertotenlieder (1901-04)
Nun will die Sonn’ so hell aufgeh’n
Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen
Wenn dein Mutterlein
Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen
In diesem Wetter, in diesem Braus
pauze
Antonín Dvorák 1841-1904
Achtste symfonie in G gr.t., op. 88 (1889)
Allegro con brio
Adagio
Allegretto grazioso
Allegro, ma non troppo
Toelichting
Gustav Mahler 1860-1911
Blumine
tekst: Lonneke Tausch
Van Gustav Mahlers Eerste symfonie in D groot horen we doorgaans de definitieve, vierdelige versie die in 1899 werd uitgegeven. Maar al in 1889 had Mahler in Boedapest een voorloper gedirigeerd onder de noemer Symfonische Dichtung in zwei Teilen – waarin in feite vijf ‘subdelen’ te onderscheiden waren. Voor de tweede uitvoering, op 27 oktober 1893 in Hamburg, voegde de componist verklarende opmerkingen en titels toe.
Het werk als geheel kreeg de naam Titan, eine Tondichtung in Symphonie-form. Daarmee verwees Mahler naar de roman Titan van de Duitse schrijver Jean Paul, waarin een romantische held zichzelf uiteindelijk te gronde richt. Het eerste ‘hoofdstuk’ van Mahlers Titan verklankt zo de jonge jaren van de titelheld, verder onderverdeeld in Frühling und kein Ende, Blumine en Mit vollen Segeln.
In de lentemuziek van de opening citeert Mahler zijn eigen Ging heut’ morgen übers Feld. De natuur ontwaakt verder in Blumine – muziek die Mahler oorspronkelijk in 1884 noteerde als Ein Ständchen am Rhein: een liefdesserenade bij maanlicht als onderdeel van de toneelmuziek bij Victor von Scheffels heldendicht Der er von Säckingen.
Na het ‘Met volle zeilen’ – een Oostenrijkse Ländler – wordt in het tweede ‘hoofdstuk’ van Mahlers Titan, door de componist aangeduid als Commedia umana, de neergang van de tragische hoofdrolspeler onvermijdelijk.
'Max Steinitzer, dirigent en recensent, beweerde dat Mahler Blumine te sentimenteel zou hebben gevonden'
Na nog een derde uitvoering, in Weimar, verwijderde Mahler zijn eigen programmatische titels en toelichtingen echter weer. Bij nader inzien vond hij ‘wat uitgebeeld wordt irrelevant… het gaat slechts om de stemming’. Wat ook uit de Eerste symfonie verdween, was het idyllische deel Blumine.
Waarom Mahler het wegliet, weten we eigenlijk niet. Tijdgenoot Max Steinitzer, en recensent, beweerde dat Mahler het te sentimenteel zou hebben gevonden en dat het hem verveelde. Tegen vriendin Natalie Bauer-Lechner zou Mahler gezegd hebben dat Blumine moest wijken omdat de en van de verschillende symfoniedelen te zeer verwant waren – maar de toonsoort van het verwijderde Blumine, C groot, is elders in de Eerste symfonie helemaal niet prominent aanwezig.
Wilde de componist zijn symfonie misschien gewoon vierdelig laten zijn, zoals gebruikelijk was? Of wilde hij voorkomen dat de eerste zes noten van de opening van Blumine vergeleken werden met een identieke toonopeenvolging in de finale van de Eerste symfonie van Johannes Brahms, die een decennium eerder in première was gegaan?
Hoe het ook zij: Blumine werd pas in 1966 herontdekt door Mahler-biograaf Donald Mitchell: in de bibliotheek van Yale University trof hij een manuscript aan dat hij wist te definiëren als een kopie van de Hamburger versie van de Eerste symfonie, inclusief Blumine.
De twintigste-eeuwse première van de muziek die zo lang niet had geklonken werd geleid door Benjamin Britten tijdens het Aldeburgh Festival van 1967.
Gustav Mahler 1860-1911
Kindertotenlieder
Door Sabien van Dale
Friedrich Rückert (1788-1866) verwerkte de dood van zijn twee kinderen in meer dan vierhonderd gedichten. Daaruit selecteerde Gustav Mahler er vijf. Hij schreef de eerste drie eren in de zomer van 1901, te Maiernigg. De twee volgende ontstonden tijdens de zomervakantie van 1904.
In de periode daartussen trouwde Mahler met Alma Maria Schindler. Op 30 november 1902 schonk zij hem een dochtertje, Maria (‘Putzi’). Mahlers Kindertotenlieder zijn vaak beschouwd als een vooraankondiging van de dood van ‘Putzi’, op 5 juli 1907. Dit komt voornamelijk door Alma’s aanwijzing in haar Erinnerungen und Briefe (1946), waarin zij haar echtgenoot verwijt dat hij door de keuze van de Rückert-gedichten het noodlot tartte.
Realistischer is dat Mahler zich uit pure expressieve drang en met een enorm inlevingsvermogen heeft verplaatst in de situatie van een man die het verlies van zijn kind moet dragen. Daarvoor is hij onder meer sterk in zijn jeugdherinneringen teruggegaan, met name naar de dood van zijn broers.
In Nun will die Sonn’ so hell aufgeh’n onderstreept de stem in het middenregister ingetogen het verpletterende verdriet van de vader.
Onrust, onzekerheid en pijnlijke waan kenmerken het tweede , Nun seh’ ich wohl. Het ontroerende Wenn dein Mütterlein stelt de zo menselijke fase van ontkenning centraal.
De kinderlijke eenvoud van de vertoont raakpunten met een Moravisch volksliedje. In Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen verbeeldt de vader zich dat zijn kinderen er slechts opuit getrokken zijn om een lange bergwandeling te maken en nog geen zin hebben om huiswaarts te keren.
De slotmaten baden in een allesomvattend, liefdevol licht. Wanhoop en woede voeren de boventoon in het laatste lied. Het beeld van een vernietigend onweer symboliseert het innerlijke proces van de treurende ouder. Met de tederheid van een wiegenlied neemt de hemelse troost ten slotte de overhand.
Antonín Dvořák 1841-1904
Achtste Symfonie
tekst: Mark van Dongen
Gustav Mahler noemde Antonín Dvořáks Achtste symfonie naar aanleiding van de stroom van e gedachten in het eerste deel een ‘erensymfonie’. Hij moet in de vrije toepassing van natuurklanken, volkslied en ritmes een verwantschap met zijn eigen Eerste symfonie (première 1889) gevoeld hebben. Dvořák zelf sprak enigszins cryptisch van ‘een werk dat verschilt van al mijn andere symfonieën, met individuele gedachten op een nieuwe manier uitgewerkt.’
Er waren natuurlijk ook criticasters. Eduard Hanslick noemde de Achtste symfonie in G groot fragmentarisch en rapsodisch. Johannes Brahms miste substantie. Dvořáks vrije interpretatie van de klassieke vormschema’s werd door hen niet gewaardeerd. Om zich artistiek volledig te kunnen ontplooien was het voor Dvořák echter nodig om zich te bevrijden van de grote invloed die Brahms op hem uitoefende.
'de uitgever bleef vooral geïnteresseerd in eenvoudige en makkelijk verkoopbare liederen'
In praktische zin was het bovendien nodig dat hij brak met Fritz Simrock, de belangrijke Berlijnse uitgever die in 1878 op voorspraak van Brahms Dvořáks werken in zijn fonds had opgenomen. Al in 1885 was Dvořák met Simrock in conflict gekomen over het Duits of Tsjechisch spellen van zijn naam op partituren.
De uitgever bleef bovendien vooral geïnteresseerd in eenvoudige en makkelijk verkoopbare liederen, pianostukken en dansen, en bood voor de symfonische werken veel te lage bedragen. Na het succes van de Zevende symfonie, geschreven in opdracht van de London Philharmonic Society, durfde Dvořák het aan om met Simrock te breken en zijn Achtste symfonie verscheen bij de Engelse uitgever Novello.
Aan Brahms had Dvořák, behalve vele goede contacten, ook veel goede muzikale impulsen te danken. Brahms had hem geleid op het pad van het romantisch classicisme, met als grote voorbeelden Wolfgang Amadeus Mozart, Ludwig van Beethoven en – óók zeer herkenbaar in deze symfonie – Franz Schubert. Toonde de vorige symfonie nog de strijd die hij moest voeren om zijn eigen idioom te vinden, in de Achtste is het evenwicht herwonnen.
Dvořák schreef zijn Achtste symfonie tijdens een langdurig verblijf in het Boheemse dorp Vysoká. In deze omgeving vond hij de aansluiting terug met de Tsjechische muziek, zoals hij die in de dorpsherberg van zijn vader had leren kennen. Hoewel hij zelden ën rechtstreeks aan de volksmuziek ontleende, drongen melodiek en ritmiek van dumka en polka door in zijn instrumentale werken.
Het eerste deel van de Achtste symfonie
Het eerste deel wordt ingeleid door twee elementen die ook elders in de symfonie zullen opduiken: een door de ’s gedragen melodie en een aan vogelzang refererende korte fluitsolo. Het koraal keert aan het begin en einde van de doorwerking terug, wat de luisteraar enig houvast geeft. Andere terugkerende elementen zijn de losse roffels, de Mozartachtige afwisseling van en en de uitgeschreven versnelling in de afsluitende maten.
Zo zijn in het relatief vlotte , vol echo’s van het leven op het Boheemse platteland, al snel de vogelklanken te horen (fluiten en hobo’s, beantwoord door klarinetten en ten). Het op volksdansritmiek gebouwde (het derde deel) benadert Dvořáks Slavische dansen. Als contrasterend middendeel – een ‘’ dat wordt ingezet door een fluit en twee hobo’s – fungeert hier een citaat van de ‘Zowel het jonge meisje als de oude man’ uit Dvořáks komische De stijfkoppen (Trvdé palice).
Na een signaal horen we in de finale opnieuw de cello’s als dragers van een brede . Dit vormt het uitgangspunt voor een gecombineerde variatie- en vorm, waarin geleidelijk aan een groot complex ontstaat van e of wild wervelende ideeën. Het zijn geen ‘thema’s’ in klassieke zin, maar beeld en kleur bepalende ingrediënten die steeds weer spontaan opduiken. Zo heeft Dvořák eenheid aangebracht in een werk dat vooral in het teken staat van het verwerven van artistieke vrijheid.
Biografie
Sächsische Staatskapelle Dresden, orkest
De Sächsische Staatskapelle Dresden werd op 22 september 1548 door keurvorst Moritz von Sachsen in het leven geroepen. In september vorig jaar, het seizoen van het 475-jarig jubileum, speelde het orkest voor het laatst in Het Concertgebouw.
Het gezelschap stond onder leiding van een aantal historische figuren, onder wie Heinrich Schütz, Carl Maria von Weber en Richard Wagner, die het orkest zijn ‘wonderlijke harp’ noemde.
De musici brachten drie van de ’s van Richard Strauss in première en hij droeg Eine Alpensinfonie aan hen op.
Onder de chef-en waren Karl Böhm, Kurt Sanderling, Herbert Blomstedt – nog steeds eredirigent –, Giuseppe Sinopoli, Bernard Haitink (2002-2004), Fabio Luisi (2007-2010) en Christian Thielemann (2012/2013 tot en met 2023/2024). Eerste gastdirigent is sinds 2012 Myung-whun Chung.
Sinds 2007 stelt de Sächsische Staatskapelle Dresden jaarlijks een ‘Capell-Compositeur’ aan; dit waren onder anderen Hans Werner Henze, Sofia Goebaidoelina, Wolfgang Rihm, György Kurtág, Arvo Pärt, Peter Eötvös, Aribert Reimann, Matthias Pintscher, Olga Neuwirth en Georg Friedrich Haas.
Het orkest heeft zijn thuisbasis in de Semperoper, waar het elk seizoen zo’n vijftig concerten verzorgt en 250 opera- en balletuitvoeringen begeleidt. Tournees voeren daarnaast naar de belangrijkste podia van de wereld, en het orkest is partner van het Gustav Mahler Jugendorchester.
In 2007 kreeg de Sächsische Staatskapelle Dresden als enige orkest ooit de Preis der Europäischen Kulturstiftung für die Bewahrung des musikalischen Weltkulturerbes, en bij het einde van zijn tienjarige residency op de Salzburger Osterfestspiele ontving het in 2022 de Herbert-von-Karajan-Preis.
Daniel Harding, dirigent
Nog maar achttien was Daniel Harding toen hij in 1994 zijn loopbaan begon als assistent van Simon Rattle bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Het seizoen erop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker.
Momenteel is hij chef- van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007) en eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij al meer dan twintig jaar werkt. Komende herfst volgt hij Antonio Pappano op als chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en gaat hij Youth Music Culture The Greater Bay Area leiden in China.
Van 2007 tot 2017 was Daniel Harding eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en van 2016 tot 2019 artistiek leider van het Orchestre de Paris. Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Wiener en de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, de Filarmonica della Scala en de grote Amerikaanse orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2004.
producties leidde de in Milaan, Aix-en-Provence, Londen, Wenen, Salzburg en München. Daniel Harding werd geboren in Oxford, studeerde aan Chetham’s School of Music in Manchester en speelde op zijn dertiende in het National Youth Orchestra of Great Britain. De musicus is tevens gekwalificeerd lijnvluchtpiloot. Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was op 26 mei 2023 in Mahlers Zevende symfonie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.
Matthias Goerne, bariton
Matthias Goerne wordt geprezen om zijn diepgaande interpretaties van en . Hij werd geëngageerd door de grote operahuizen, zoals de Metropolitan Opera in New York, het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Opéra national de Paris en de Wiener Staatsoper, in rollen als Wotan, Amfortas, Marke, Blauwbaard en Wozzeck.
Hij werkt geregeld met vooraanstaande en – Simon Rattle, Kirill Petrenko, Gustavo Dudamel, Christoph Eschenbach, Franz Welser-Möst, Herbert Blomstedt, Fabio Luisi, Manfred Honeck, Jaap van Zweden, Yannick Nézet-Séguin – en maakt zijn opwachting bij befaamde orkesten en festivals. Matthias Goerne won talloze prijzen, werd vijf keer genomineerd voor een Grammy en is lid van de Royal Philharmonic Society.
Om zijn artistieke horizon te verbreden debuteert hij in Toulouse als regisseur in Salome (Richard Strauss). Recente hoogtepunten zijn onder meer cycli van Schubert met Maria João Pires en Daniil Trifonov, uitgevoerd in heel Europa, Noord-Amerika, Australië en Azië, en de wereldpremière van Jörg Widmanns Schumannliebe. Matthias Goerne, geboren in Weimar, studeerde bij Hans-Joachim Beyer, Elisabeth Schwarzkopf en Dietrich Fischer-Dieskau.


