St. Petersburg Filharmonisch Orkest: Le Sacre Du Printemps

Wereldberoemde Symfonieorkesten 20.15 uur

Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest
Yuri Temirkanov dirigent
Jean-Yves Thibaudet piano

Maurice Ravel 1875-1937

La valse, poème chorégraphique (1919-20)
Mouvement de valse viennoise – Un peu plus modéré – Mouvement du début

Pianoconcert in G gr.t. (1929-31)
Allegramente
Adagio assai
Presto

pauze

Igor Stravinsky 1882-1971

Le sacre du printemps, tableaux de la Russie païenne en deux parties (1911-13)
Première partie: L’adoration de la terre
Seconde partie: Le sacrifice

begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 22.05 uur

Na afloop van dit concert blijft de Zuidfoyer geopend.

Toelichting

Maurice Ravel 1875-1937

La Valse

Tekst: Michiel Cleij

Met en had Maurice Ravel een speciale band. Zijn twee ’s zitten vol walspassages en voor piano componeerde hij een walssuite. Voor Johann Strauss, de Weense walskoning, had hij grote bewondering. Toen die in 1899 overleed maakte Ravel vrijwel meteen schetsen voor een Strauss-hommage – maar pas jaren later kregen die vaste vorm.

La valse, aanvankelijk gecomponeerd voor twee piano’s en later georkestreerd, ontstond tijdens de groeiende politieke spanningen die tot de Eerste Wereldoorlog leidden. Werkend aan het stuk had Ravel een concreet beeld voor ogen dat hij aldus in de omschreef: ‘Temidden van wervelende nevel­slierten duiken ende paren op’ en ‘Oplichtende kroonluchters onthullen de balzaal van een keizerlijk ­paleis rond 1855’.

La valse ging in 1920 in première. De zojuist gebluste oorlog had weinig heel gelaten van de vroegere Weense glorie, maar juist daarom klinkt de muziek zo nostalgisch – en ook enigszins navrant. Het blijft speculeren in hoeverre het werk beïnvloed werd door oorlogsdreiging; de componist zelf liet zich daar nooit over uit. Maar zelden componeerde de anders zo beheerste Ravel zulke koortsachtige muziek met explosieve uitbarstingen.

Maurice Ravel 1875-1937

Pianoconcert

en waren slechts één van Ravels favoriete muzikale ingrediënten. Eigenlijk is zijn oeuvre een caleidoscoop van uiteenlopende muzieksoorten. Bij hem hoor je echo’s van oude Franse klavecimbelmuziek, van Mozart, Spaanse volksdansen, Aziatische toonladders, Hongaarse zigeunermuziek en jazz – en vaak combinaties daarvan in één compositie.

Maar op zo’n mix drukte Ravel altijd zijn eigen stempel. Daarvoor hoef je alleen maar op de enorm geraffineerde viool- en ­partijen te letten: hoe diep hij ook in de huid van een andere componist kruipt en hoe exotisch hij zich ook voordoet, het klankbeeld is altijd très Ravel. Dat maakt hem tot een componist die niet makkelijk te imiteren is. 

Rond 1930 werkte Ravel gelijktijdig aan twee pianoconcerten die in een soort ­yin-yangverhouding tot elkaar staan: het ene is tamelijk broeierig en grimmig, het andere (hier uitgevoerde) concert spettert van kleur en vitaliteit. Echt zo’n stuk waarin verschillende werelden op een volkomen logische manier gecombineerd zijn.

Binnen vijfentwintig minuten verschiet het klankbeeld voortdurend van Mozart-achtig klassiek naar Spaanse volksmuziekriedels en jazzy uithalen – zó soepel dat je denkt dat ze van nature bij elkaar horen. De ‘Spaanse’ elementen zijn vooral ­gereserveerd voor het eerste deel.

Het tweede is een prachtige (volgens Ravel sterk door Mozart geïnspireerde) pianomelodie met subtiele orkestbegeleiding en het slotdeel is een bigbandfeestje. De pianist is natuurlijk de sterspeler, maar ook bijvoorbeeld de virtuoze - en fluitpartijen maken dit stuk tot een ware uitdaging voor het orkest.

Igor Stravinsky 1882-1971

Le sacre du printemps

Een jaar voor de première van Le sacre du printemps speelden Igor Stravinsky en Claude Debussy de vierhandige pianoversie van het eerste deel door, in huiselijke kring: de inwijding van een stuk dat als een bom zou inslaan, een eerste kennismaking die Debussy zich later herinnerde als een ‘prachtige nachtmerrie’.

Dat Stravinsky het Parijse muziekleven – en de rest van de wereld – iets nieuws te bieden had, was al gebleken uit zijn balletten L’oiseau de feu en ­Petrouchka. Maar Le sacre du printemps, zijn derde ballet voor Les Ballets Russes, legde een wereld bloot die niemand in de concertzaal verwachtte: een visioen van een primitief vruchtbaarheidsritueel, zonder romantische sprookjeselementen (zoals in L’oiseau de feu) en zonder volkse kermisgeneugten (zoals in Petrouchka).

‘Het idee kwam in me op toen ik nog werkte aan L’oiseau de feu’, vertelde Stravinsky later. ‘Ik had een droom van een heidens ritueel waarin een tot offer gewijde maagd danste tot ze er dood bij neerviel.’

Pas jaren later kwam hij ertoe die droom in muzikale ideeën uit te drukken. De arbeid stokte slechts wanneer hij niet direct wist hoe hij de harmonisch en ritmisch enorm complexe muziek – die hem glashelder voor de geest stond – moest noteren in een leesbare . Dat het voor uitvoerenden én publiek een heftig stuk zou worden was hem duidelijk – ‘maar niets wees erop dat de eerste uitvoering zo’n schandaal zou veroorzaken, noch de reacties van de musici, noch die van de dansers.’

Dat schandaal, op 29 mei 1913, werd een historische mijlpaal. Initiator Serge Diaghilev had het ballet aangekondigd als ‘een spannende gebeurtenis die ongetwijfeld verhitte debatten zal oproepen’. Dichter/schrijver Jean Cocteau zag het verwachtingsvolle publiek samendrommen voor het Théâtre des Champs-Élysées: ‘Het geoefende oog kon zien dat hier een schandaal in voorbereiding was.

Naast modieuze schouwburgbezoekers met décolletés, parelsnoeren, pluimhoeden en struisveren verzamelden zich nadrukkelijk informeel geklede en die op hun manier even opzichtig waren, en die duidelijk wilden laten zien dat ze ánders waren dan het chique logepubliek. Er waren ontelbare nuances van snobisme, super-snobisme en contra-snobisme…’ Het waren die twee publieksgroepen die elkaar te lijf gingen; maar niet zonder daartoe aangezet te zijn door het spektakel op het podium.

De dansers konden de voortdurende maatwisselingen en de hoge tempi in de ‘wilde’ muziek niet bijbenen en kregen van choreograaf Vaslav Nijinski instructies toegeschreeuwd vanuit de coulissen. Uitgedaagd door de hoekigheid van de muziek liet hij de dansers het tegendeel doen van wat ze gewend waren: dansen met de voeten naar binnen gedraaid, de armen gevouwen, het hoofd schuin – en met sprongen die de zwaartekracht niet tartten maar juist bevestigden, verticaal, landend op dezelfde plek. 

Door vormgever Nikolaj Roeritsj waren ze bovendien verpakt in onsensuele, ovenhandschoenachtige kostuums die de bevattelijkheid van het ballet niet ten goede kwamen. 
Eén blik op de is al genoeg om te zien dat Stravinsky’s verbeelding van een primitief ritueel extreem gecultiveerd en verfijnd is.

De opening door de solofagot doet in de verte denken aan de tedere fluitsolo waarmee Debussy’s ‘natuurgedicht’ Prélude à l’après-midi d’un faune – in 1912 ook door Nijinski gebruikt als balletmuziek – begint. Vanaf die openingsmaten sleurt Stravinsky de luisteraar mee in een maalstroom van ongewoon felle klanken. Het oor heeft geen houvast aan ritmische regelmaat en markante ën; je hoort een constante manipulatie van korte jes en, bovenal, een ritmische puls met onverwachte, onregelmatige en.

Hoe manipuleerbaar het Parijse publiek was, bleek bij de reprises van het ballet in de week van de première. Al bij de tweede voorstelling klonk nauwelijks nog protest. De derde was afgeladen vol. En bij de concertante uitvoering een jaar later werd Stravinsky op handen de zaal uitgedragen.

Biografie

Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest

De lange geschiedenis van het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest begint op 16 juli 1882, toen Alexander III van Rusland het Keizerlijk Muziekkoor in het leven riep. Na de Russische Revolutie van 1917 werd het gezelschap staats­orkest, aangevoerd door Serge Koussevitzki. Wereldwijde bekendheid verwierf het orkest onder leiding van Jevgeni Mravinski, die van 1938 tot 1988 chef- was. Yuri Temirkanov volgde hem op.

Als gast musiceerden bekende dirigenten met het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest, onder wie Pierre Monteux, Otto Klemperer, Gennadi Rozhdestvenski, Charles Dutoit, Kent Nagano, Kurt Sanderling, Kurt Masur, Lorin Maazel, Zubin Mehta en Mariss ­Jansons.

Het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest bracht in de loop der jaren tal van nieuwe composities in Russische of wereldpremière, van bijvoorbeeld Paganini, Richard Strauss, Stravinsky, Prokofjev, Berlioz, Nono en Penderecki. Onder leiding van Jevgeni Mravinski kregen bovendien vijf van de vijftien symfonieën van Sjostakovitsj een eerste uitvoering.

Sinds de eerste inter­nationale tournee in 1946 musiceert het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest regelmatig in het buitenland. Rosneft is hoofdsponsor van het Sint-Petersburg ­Filharmonisch Orkest. Het vorige optreden in Het Concertgebouw was op 19 november 2012, toen het orkest onder leiding van Yuri Temirkanov de Tiende symfonie van Sjostakovitsj speelde in combinatie met het Tweede pianoconcert van Brahms met solist Nelson Freire.

Yuri Temirkanov, dirigent

Yuri Temirkanov heeft sinds 1988 de leiding over het Sint-Petersburg ­Filharmonisch Orkest. Hij ondernam vele internationale tournees met dit gezelschap en ze maakten samen een flink aantal geprezen opnamen.

De is afkomstig uit de stad Nalchik, in de Kaukasus, en begon zijn muzikale opleiding op negenjarige leeftijd. Hij volgde lessen viool, en directie en studeerde in 1965 bij Ilya Musin af aan het conservatorium in Leningrad. Een jaar later won hij het Sovjet Nationaal Dirigentenconcours.

Gedurende zijn lange loopbaan bekleedde Yuri Temirkanov diverse vooraanstaande muzikale posities. Zo is zijn naam verbonden met het begin van de revival van de Kirov (het huidige Mariinski Theater) in Sint-Petersburg, waar hij artistiek leider en chef-dirigent was van 1976 to 1988.

Daarna was hij vaste gastdirigent en vervolgens chef- van het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1992-1998), chef-­dirigent van het Baltimore Symphony Orchestra (2000-2006), eerste gastdirigent van de ­Dresdner Philharmonie (1992-1997) en van het Deens Radio Symfonie Orkest (1998-2008), en chef-dirigent van het Teatro Regio di Parma (2010-2012).

Voor gastdirecties werd Yuri Temirkanov uitgenodigd door onder andere de ­Berliner en de Wiener Philharmoniker, de New York Philharmonic en het Koninklijk ­Concertgebouworkest (in 1988 en 2010).

In november 2012 stond hij voor het laatst op de bok in de van Het Concertgebouw, ook toen te gast met het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest.

Jean-Yves Thibaudet, piano

Het repertoire van de uit Lyon afkomstige pianist Jean-Yves Thibaudet reikt van ­Beethoven tot MacMillan, van jazz tot . Al op zijn twaalfde ging hij studeren aan het conservatorium in Parijs bij Aldo Ciccolini en Lucette Davis. Drie jaar later won hij de Premier Prix du Conservatoire en weer drie jaar later, in 1981, de Young Concert Artists International Auditions in New York.

In korte tijd debuteerde de pianist op de gerenommeerde podia van de Verenigde Staten, Europa en Azië en sindsdien treedt hij wereldwijd op; zowel met de grote orkesten als solo en in kamermuziek. Zijn catalogus van meer dan vijftig cd’s leverde hem onder meer twee Grammy-nominaties, een Preis der deutschen Schallplattenkritik, een Diapason d’Or, een Choc du Monde de la Musique, een Edison en meerdere Gramophone Awards op, en zijn pianospel is te horen op de soundtracks van onder meer The French Dispatch, Pride and Prejudice en Atonement.

Jean-Yves Thibaudet is verbonden aan de Colburn School in Los Angeles, en samen met cellist Gautier Capuçon is hij artistiek leider van het Festival Musique & Vin in Clos de Vougeot. In 2001 werd hij benoemd tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres en in 2012 promoveerde hij tot Officier. Sinds 2010 prijkt zijn naam in de Hollywood Bowl Hall of Fame. De vorige optredens van Jean-Yves Thibaudet in de waren in april (Chatsjatoerjan onder Paavo Järvi) en september (Saint-­Saëns onder Klaus Mäkelä) met het Concertgebouworkest, waar hij in 1988 debuteerde en in 2015/2016 artist in residence was.