Sjostakovitsj Dichtbij: Borodin Kwartet
Sjostakovitsj dichtbij 20.15 uur
Borodin Kwartet:
Ruben Aharonian viool
Sergei Lomovsky viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello
begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur
Franz Schubert 1797-1828
Quartettsatz in c kl.t., D 703, op. posth. (1820)
Allegro assai
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Ochtendgebed
Wintermorgen
Spelen met het hobbelpaard
Mama
Mars van de houten soldaten
De zieke pop
Begrafenis van de pop
De nieuwe pop
Oud Frans lied
Duits lied
Italiaans lied
Napolitaans lied
Wals
Mazurka
Polka
Russisch lied
De harmonicaspeler
Kamarinskaja
Droom zacht
Het sprookje van de kinderjuffrouw
Heks
Lied van de leeuwerik
De orgeldraaier zingt
In de kerk
uit ‘Kinderalbum’, op. 39 (1878)
oorspronkelijk voor piano solo; bewerking voor strijkkwartet door R. Dubinsky
pauze
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Elfde strijkkwartet in f kl.t., op. 122 (1966)
Intro: Andantino
Scherzo: Allegretto
Recitatief: Adagio
Etude: Allegro
Humoresque: Allegro
Elegie: Adagio
Finale: Moderato
Negende strijkkwartet in Es gr.t., op. 117 (1964)
Moderato con moto
Adagio
Allegretto
Adagio
Allegro
Toelichting
Franz Schubert 1797-1828
Quartettsatz
tekst: Sabien Van Dale
Hoewel Franz Schubert achttien strijkkwartetten bijeen schreef, wordt zijn naam minder spontaan aan dit genre verbonden dan pakweg Ludwig van Beethoven of Dmitri Sjostakovitsj. Schubert componeerde zijn eerste strijkkwartet al op dertienjarige leeftijd.
De vroegste kwartetten waren bedoeld voor huiselijke kring: vader Schubert was een verdienstelijk cellist, Franz speelde en de twee vioolpartijen waren bestemd voor zijn twee oudere broers. De weg van de ervaring was voor hem de meest vanzelfsprekende manier om zijn eigen stem te zoeken.
Verscheidene kwartetten zijn verloren gegaan, andere zijn nooit voltooid. Een belangrijke stap in zijn evolutie als kamermuziekcomponist maakte Schubert met het eerste deel voor een kwartet in c klein. Dit deel – het kwartet kwam nooit af – vormde een doorbraak en staat nu algemeen geboekstaafd als ‘Quartettsatz’, ofwel ‘kwartetdeel’.
Rijper, meer intens en dramatisch dan zijn vorige pogingen, gaf Schubert hiermee blijk van een tot dan toe ongezien vakmanschap. De publicatie liet vijftig jaar, tot 1870, op zich wachten. Over de reden waarom het bij dit ene deel is gebleven, is evenveel gespeculeerd als over de ‘Onvoltooide’ symfonie.
Onzekerheid? Tijdgebrek? Onvermogen? Nonchalance? De verlammende schaduw van Beethoven? Wat vaststaat, is dat Schubert een feilloos werkstuk heeft afgeleverd. Het reliëf van de ’s is van een instinctieve schoonheid. Het verloop, de groei en de ontwikkeling spreken zonder omwegen tot elk oor dat in rechtstreekse verbinding tot het hart staat.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Kinderalbum
In tegenstelling tot Europa, waar generaties componisten het voorbeeld van Robert Schumanns Kinderszenen (1838) en Album für die Jugend (1848) volgden, lieten de eerste Russische kinderalbums langer op zich wachten.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski publiceerde met zijn Kinderalbum, 39 voor het eerst pianoliteratuur die vóór kinderen bedoeld was in plaats van óver hen te gaan. Hij droeg de bundel op aan zijn favoriete neefje Vladimir Davydov, bijgenaamd Bobik.
De moeilijkheidsgraad is afgestemd op de kinderhand en beslaat het bekende gamma van de Russische pianoschool. De bewerking voor strijkkwartet is van Rostislav Dubinsky (1923-1997), oprichter en vierentwintig jaar lang eerste violist van het Borodin Kwartet.
De vierentwintig miniatuurschetsen ontvouwen zich als een mozaïek van de kindertijd van de componist. Een hobbelpaard, tinnen soldaatjes, poppen die stuk gaan, een liefhebbende moeder, verhalen van de kinderjuf, speelse avonturen en folkloristische deuntjes maken het plaatje vlekkeloos idyllisch.
Sommige ’s zijn gebaseerd op authentieke volksliederen die Tsjaikovski ook in andere werken heeft aangewend. Zo is het Russisch verwant aan het tweede nummer uit Vijftig Russische volksliederen, een verzameling die hij kort daarvoor had samengesteld.
Kamarinskaja verwijst naar een populair Russisch lied; het Napolitaans lied herkennen we uit het beroemde Zwanenmeer. Andere ën zijn minder onschuldig dan de kinderhand laat vermoeden, zoals het Oud Frans lied dat Tsjaikovski zou hernemen als het Lied van de minnestreel in het tweede bedrijf van zijn Jeanne d’Arc.
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Elfde strijkkwartet
De vijftien strijkkwartetten van Dmitri Sjostakovitsj lezen als vijftien hoofdstukken van een magistrale roman, elk hoofdstuk als een zorgvuldige interactie van gebeurtenissen, gevoelens en gedachten. Ontstaan tussen 1938 en 1974 zijn ze over zijn hele creatieve carrière verspreid.
In de intimiteit van het genre – symfonieën en grootschalige composities werden door de censoren scherp in de gaten gehouden – vond Sjostakovitsj een ontsnappingsroute en een bevoorrechte uitdrukkingsvorm.
Anders dan in andere werken gaf Sjostakovitsj aan de meeste van zijn kwartetten een persoonlijke opdracht mee. De integrale cyclus sluit daardoor nauw aan bij zijn privéleven, hoewel hij weinig duurzame vriendschappen onderhield.
Uitzonderingen daarop vormen zijn relaties met enkele vertolkers. Vooral de nauwe samenwerking met het Beethoven Kwartet, dat de meeste van zijn strijkkwartetten in première bracht, is in dit opzicht opmerkelijk. De oorspronkelijke leden worden geëerd in de kwartetten 11 tot en met 14, werken waar hun respectievelijke instrumenten telkens apart in de schijnwerpers worden gezet.
Het Elfde strijkkwartet in f klein onderscheidt zich van de andere door de merkwaardige vormgeving. Het bestaat uit zeven onderdelen van minimalistische omvang die ononderbroken in elkaar overgaan. Het karakter is over de hele lijn ingehouden en van een delicate soberheid.
In de introductie eigent de eerste viool zich een bevreemdende solomelodie toe. Dit en de vragende begeleidingsmotieven worden in de volgende onderdelen uitgewerkt. Eerst als (met een karakteristiek -effect), daarna met de dubbelgrepen van een gekweld . Onrustige klankcirkels van achtereenvolgens viool en worden het hoofdmateriaal van de .
Sjostakovitsj droeg dit werk op aan de nagedachtenis van Vassily Sjirinsky, de kort tevoren overleden tweede violist van het Beethoven Kwartet. Pas nadat plagerig zowat alle thema’s van de eerste vier delen aan de eerste viool zijn toebedeeld, treedt de tweede viool op de voorgrond in de Humoresque.
De ironische knipoog wordt rechtgezet in de aansluitende , een doodsklacht die vooral aan de introductie refereert. De tweede viool vertolkt hierin tweemaal het klagende expressieve thema om aan het slot opnieuw een dienende rol op te zoeken. De Finale verenigt de meest kenmerkende ingrediënten van de voorgaande delen.
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Negende Strijkkwartet
Zijn Negende strijkkwartet in Es groot schreef Sjostakovitsj in nauwelijks een maand tijd in het voorjaar van 1964. Het is opgedragen aan zijn derde vrouw, Irina Supinskaya, met wie hij in 1962 was getrouwd, en is het product van een opvallend vruchtbare periode.
Toch ging de totstandkoming niet over rozen: Sjostakovitsj verbrandde een eerste, in 1961 geschreven versie in een depressieve periode die aanving in 1960, toen de procedure begon voor zijn opname in de communistische partij.
Waar de toonaarden van de twee voorafgaande kwartetten een zenuwslopende desolaatheid aangeven, roept het Negende strijkkwartet wel geen zonnig maar toch een minder bewolkt klimaat op.
Es groot is de die door Ludwig van Beethoven, de componist wiens integrale strijkkwartetten vaak aan die van Sjostakovitsj worden gespiegeld, als ‘heroïsch’ werd omschreven. Letterlijk ‘heldhaftig’ klinkt dit kwartet echter geenszins.
Bepaalde passages anticiperen in hun instinctieve zoektocht naar spaarzame middelen en uitgerafelde sonoriteiten zelfs op zijn laatste kwartetten.
De opbouw is complex en rijk aan details, met motieven die door de vijf delen heen corresponderen, getransformeerd of hernomen worden. Het Moderato con moto is een complexe schakeling van drie gedachtegangen.
In de finale worden dezelfde ’s verder ontwikkeld. Het blinkt uit door ernstige kalmte en een vioolpartij die een kwetsbaar e lijn uittekent boven aangehouden en, een verre verwijzing naar het wiegelied uit de Wozzeck van Alban Berg.
Het Allegretto is een polka in losgeslagen galop en blikt broederlijk naar het Vierde strijkkwartet. In contrast daarmee staat het Adagio dat als enige deel onversneden de weg van de grimmigheid en de angstvallige onvoorspelbaarheid kiest.
De finale – ruim dubbel zo lang als de vorige delen – is opnieuw in vijf luiken onderverdeeld. Oude en nieuwe thema’s, een meesterlijke , bitse ’s, magnetiserende ’s en een extatisch maken dit deel tot het speerpunt van dit kwartet en voor velen zelfs tot een hoogtepunt van de integrale cyclus.
Biografie
Borodin Quartet, strijkkwartet
Tachtig jaar geleden, in 1945, vormden vier conservatoriumstudenten het Moskou Filharmonisch Kwartet, dat tien jaar later werd omgedoopt tot het Borodin Quartet. Er waren sindsdien vanzelfsprekend wat wisselingen. Mede-oprichter Mstislav Rostropovitsj werd al in het eerste jaar opgevolgd door Valentin Berlinsky (cellist tot 2007).
Primarius Nikolay Sachenko trad als laatste toe, in september 2022.
De pijlers van het Russische kwartetrepertoire – Borodin, Tsjaikovski, Glinka, Stravinsky, Prokofjev, Schnittke – hebben altijd centraal gestaan, en een bijzondere band heeft het ensemble met het werk van Sjostakovitsj: met die componist werkte het aan al diens vijftien strijkkwartetten. Het Borodin Quartet speelde volledige Sjostakovitsj-cycli in onder meer Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Sevilla, Lissabon, Londen, Parijs en New York, en ook in Het Concertgebouw (1991).
In grotere kamermuziekbezettingen deelden de vier strijkers het podium met Sviatoslav Richter, Yuri Bashmet, Michael Collins, Alexei Volodin, Barry Douglas, Mario Brunello, Elisabeth Leonskaja, Christoph Eschenbach, Boris Berezovsky en Nikola Lugansky. Met de Sächsische Staatskapelle Dresden voerden ze de concerten voor strijkkwartet en orkest van Martinů en Schulhoff uit. Het Borodin Quartet geeft graag masterclasses en neemt regelmatig zitting in internationale concoursjury’s.
In de maakte het zijn debuut met twee optredens in april 1969, en bij zijn vijftigjarig bestaan kreeg het kwartet in april 1995 een Concertgebouw Penning. In een van de foyers grenzend aan de Kleine Zaal hangt een schilderij van het Borodin Quartet door Ronald Ophuis, dat werd onthuld ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het ensemble.
