Sjostakovitsj dichtbij: Belcea Kwartet

Sjostakovitsj dichtbij 20.15 uur

Belcea Kwartet:
Corina Belcea viool
Axel Schacher viool
Krzysztof Chorzelski altviool
Antoine Lederlin cello

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Derde strijkkwartet in F gr.t.,
op. 73 (1946)
Allegretto
Moderato con moto
Allegro non troppo
Adagio
Moderato – Meno mosso
– Tempo I – Adagio

Achtste strijkkwartet in c kl.t.,
op. 110 (1960)
Largo
Allegro molto
Allegretto
Largo
Largo

pauze

Franz Schubert 1797-1828

Strijkkwartet in d kl.t.,
D 810 (1824) ‘Der Tod und das Mädchen’
Allegro
Andante con moto
Scherzo: Allegro molto
Presto

begin van de pauze ca. 21.10 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur

Toelichting

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Derde Strijkkwartet

Tekst: Olga de Kort

Anderhalf jaar na de Tweede Wereldoorlog was de pijn in de verwoeste Sovjet-Unie nog steeds schrijnend, de wonden lagen open. In het nieuwe Derde strijkkwartet in F groot van Dmitri Sjostakovitsj herkende het publiek dan ook onmiddellijk zijn kwellende herinneringen aan de voorbije jaren en de vurige hoop op een nieuw begin.

Dat deze gedachten wel degelijk gegrond waren, ­bevestigen de oorspronkelijke vijf bijschriften die Sjostakovitsj voor elk deel noteerde. Daar moest de nostalgische ‘luchthartigheid van de vooroorlogse tijd’ plaats inruimen voor het ‘naderende kwaad’ en de ‘verschrikkingen van de oorlog’. Het nieuwe begin ging gepaard met de ‘nagedachtenis van helden’ en de ‘eeuwige vraag: waarom? en waarvoor?’. Hij durfde zijn programmatische gedachten echter niet bekend te maken en verving ze voor de première door veiliger tempoaanduidingen.

Onzeker en zelfkritisch als hij was, bleek Sjostakovitsj deze keer zeer te spreken over het resultaat. In een brief aan zijn leerling Edison Denisov, vier jaar na de première op 16 december 1946, rekende hij het strijkkwartet tot zijn meest geslaagde en favoriete werken.

Ook de eerste luisteraars waren onder indruk. Bekend werd de reactie van pianist Konstantin Igoemnov die in Sjostakovitsj de bijzondere gave herkende om de gedachten en gevoelens van zijn tijdgenoten muzikaal uit te kunnen drukken: ‘Deze mens voelt het leven duizend maal diepgaander aan dan wij musici allemaal bij elkaar’. 

Maar het leven had nog veel beproevingen in petto. Een jaar na de première viel Sjostakovitsj ten prooi aan een nieuwe muzikale tocht van sovjetkunstambtenaren. Zijn naam kwam op de ‘zwarte lijst’. Voor de zoveelste keer in zijn leven moest Sjostakovitsj plechtig beloven, dat hij ‘de weg naar het hart van het volk’ zou proberen te vinden.

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Achtste Strijkkwartet

In de Sovjettijd was het bijhouden van een dagboek, zelfs een muzikaal dagboek, geen ongevaarlijke bezigheid. Weinig componisten vertrouwden hun gedachten en dromen aan het papier toe. Ze verstopten ze voorzichtig in hun muziek, die kenners (samen met de partij en de muziekbond) met wisselend succes probeerden te ontcijferen. Sjostakovitsj was ongetwijfeld degene met de meest cryptische boodschappen in zijn ‘dagboek’-composities.

Officieel draagt het Achtste strijkkwartet in c klein de opdracht ‘ter nagedachtenis aan de slachtoffers van fascisme en oorlog’. De officiële versie verbindt het met de reis van Sjostakovitsj naar Dresden en zijn werk aan filmmuziek voor de Sovjet-Oost-Duitse film Vijf dagen vijf nachten.

Maar vanaf de eerste maten vermoedden de achterdochtige luisteraars dat er veel meer aan de hand was. Ze waren niet voor niets opgegroeid met Aesopisch taalgebruik [naar Aesopus, de oud-Griekse schepper van fabels, red.], waarbij de waarheid doelbewust gemaskeerd wordt en onschuldige formuleringen verborgen betekenissen bevatten.

De vele citaten uit eigen, verboden of bekritiseerde composities, de initialen van de componist in noten (d-es-c-b) als terugkerend , de herkenbare van een over een gemartelde strijder: het waren veel te veel aanwijzingen dat Sjostakovitsj zich in zijn opdracht niet tot de directe oorlogsslachtoffers beperkte.

Het Achtste strijkkwartet weerspiegelde de gemoedstoestand van de componist die zich tegen wil en dank als kandidaatlid van de Communistische Partij moest melden. In een brief aan zijn vriend Isaak Glikman schreef een bedroefde Sjostakovitsj:

‘Ik betwijfel of iemand een werk ter mijner ­nagedachtenis zal schrijven als ik ooit doodga. Daarom heb ik besloten om het zelf te doen. Het zou zomaar mogelijk zijn om het als volgt op de kaft te zetten: “Ter nagedachtenis aan de auteur van dit kwartet.”’ Het Achtste strijkkwartet werd het eerste grafschrift voor de door de staat mentaal gemartelde Sjostakovitsj, zijn eigen begrafenisrede voor zichzelf.

Franz Schubert 1797-1828

‘Der Tod und das Mädchen’

Tekst: Henriëtte Sanders

Kort na de periode waarin Franz Schubert zijn Strijkkwartet in d klein ‘Der Tod und das Mädchen’ componeerde, schreef hij in een brief aan zijn vriend, de beeldend kunstenaar Leopold Kupelwieser, dat hij zich door een slechte gezondheid, vervlogen aspiraties en door smart die liefde en vriendschap hem gebracht hadden een ‘elender, unglücklicher Mensch’ voelde.

Tegen de achtergrond van deze ontboezeming wordt het componeren van een strijkkwartet waarin muzikale gegevens van noodlot en dood een grote rol spelen begrijpelijk. Het werk ontleent zijn bijnaam aan het tweede deel, dat bestaat uit variaties op het pianovoorspel en het tweede deel van Schuberts eigen Der Tod und das Mädchen (1817), namelijk het fragment waarin de dood sussende woorden spreekt tot het angstige meisje dat hij komt halen.

Het kwartet staat in dezelfde als het , d klein, de toonsoort die bij Schubert meestal in verband met noodlot en trieste realiteit voorkomt. Het begin van het , fortissimo en gedeeltelijk unisono, slaat in als een slag van het lot zelf en luidt een deel in waarvan het eerste en zijn ontwikkeling door barse worden beheerst en het tweede thema, hoewel per traditie , toch een onstuimig karakter heeft. Ook door de vreemde in het slotfragment () van het Allegro en door een nieuw, enigszins ‘stappend’ aan het eind krijgt dit strijkkwartet een noodlotskleuring.

Het liedthema van het con moto begint met een schrijdende figuur, een - en toonherhaling in een lang-kort-kort , dat sinds het begin van de zeventiende eeuw in verband met onderwereld en dood optreedt en bij Schubert steevast in deze context voorkomt. De toonsoort g klein (afwijkend van die van het lied!) van het variatiedeel is in Schuberts oeuvre vaak die van de slecht eindigende ballade, maar ook van berusting.

Het Andante eindigt (net als het lied) in : de dood brengt troost. Een melodische verwijzing naar het Andante vinden we vervolgens in het van het wat groteske . In het laatste deel, , ligt de waanzin op de loer: het is een tarantella met diverse vreemd grimmige passages en een prestissimo slotfragment waarin chromatisch dalende lijnen in de bas voor bijna griezelige harmoniek zorgen.

Biografie

Belcea Quartet

Het Belcea Quartet ontstond in 1994 aan het Royal College of Music in Londen en studeerde bij het Alban Berg Quartet en het Amadeus Quartet. Sinds vorig seizoen worden de Roemeense primarius Corina Belcea, de Poolse altviolist Krzysztof Chorzelski en de Franse cellist Antoine Lederlin vergezeld door de Koreaans-Australische Suyeon Kang (als opvolger van Axel Schacher). 

Het repertoire van het Belcea Quartet reikt van de Weense Klassieken tot vandaag: compositieopdrachten worden gegeven vanuit de Belcea Quartet Trust, die niet alleen als doel heeft de strijkkwartetliteratuur uit te breiden maar ook jonge kwartetten te ondersteunen. 

De discografie van het Belcea Quartet omvat – onder veel meer – de complete strijkkwartetten van Britten, Bartók, Brahms (Diapason d’Or de ­l’année 2016) en Beethoven (live). In 2022 verschenen de twee sextetten van Brahms samen met altiste Tabea Zimmermann en cellist Jean-Guihen Queyras.

Van 2017 tot 2020 was het Belcea Quartet ensemble in residence van de Pierre Boulez Saal in Berlijn, en sinds 2010 maakt het vast deel uit van het strijkkwartetaanbod van het Wiener Konzerthaus. Recentelijk was het viertal te beluisteren op de biënnales van Parijs, Lissabon en Amsterdam, in Carnegie Hall in New York, de Elbphilharmonie in Hamburg, Flagey in Brussel, de National Concert Hall in Dublin, de Tonhalle in Zürich en Toppan Hall in Tokio.

In Het Concertgebouw debuteerde het Belcea Quartet in seizoen 1999/2000 als Rising Stars en was het voor het laatst te gast op 29 mei jongstleden, toen het samen met het Quatuor Ébène de ­strijkoctetten van Mendelssohn en Enescu speelde.